Frank Pé (69) overleden

30 november 2025 Overlijdens

Het overlijdensbericht van Frank Pé sloeg via sociale media gisteren in als een bom. Uitgeverij Dupuis verspreidde het triestige nieuws. Ook bij onze lezers was hij een erg hoog gewaardeerde striptekenaar, getuige daarvan de steeds hoge scores in tal van toplijstjes waarvoor we doorheen de voorbije vijfentwintig jaar om jullie oordeel vroegen. Het door Zidrou geschreven Het Beest deel 1 als beste strip in 2020 en deel 2 op nummer 2 in 2023, zijn Robbedoes-verhaal Het Licht van Borneo (ook geschreven door Zidrou) op nummer 5 in 2016, het slot van de trilogie Zoo in samenwerking met Philippe Bonifay op nummer 1 in 2007, Zoo deel 1 en 2 in de Belgentop op nummer 18, Zoo deel 1 op plaats 26 in De Grenzeloze Top 500 van 2010 en op plaats 29 in de editie van 2012. Het moge duidelijk zijn, we verliezen een topauteur.

Volgens intimi is hij op 29 november overleden omstreeks 15.00 uur in het universitair ziekenhuis Mont-Godinne in Namen waar hij al een jaar werd verzorgd. Hij heeft gestreden tot het einde en werd 69 jaar. In een interview liet hij zich ooit ontvallen dat hij zich eerder als een Duitse romanticus beschouwde, gefascineerd door de liefde en de dood.

De stripgemeenschap kent hem van reeksen als Ragebol, het drieluik Zoo, de twee delen van het dramatische en avontuurlijke Marsupilami-verhaal Het Beest terwijl hij al ver gevorderd was met een derde deel, zijn Robbedoes-verhaal en vele illustraties, schilderijen, beeldhouwwerken en zijn ambitie om een eigen dierentuin te stichten.

Marginale jaren

Frank Pé werd op 15 juli 1956 geboren in Elsene. Zijn eerste artistieke drang uitte hij niet in een stripverhaal, maar in de beeldhouwerij, waarvoor hij een sterke fascinatie ontwikkelde, in het bijzonder voor het werk van de Franse beeldhouwer Auguste Rodin, wereldberoemd van De Denker. Voor Robbedoes tekende hij later een kort verhaal met een biografie van Rodin. Uiteindelijk won het tekenen het van het beeldhouwen. Zijn beeldhouwkunst pikte hij echter weer op wat hij naast het tekenen en schilderen bleef bedrijven, meestal voor bronzend beeldjes die in een beperkte oplage gecommercialiseerd werden voor de fans. 

Vers van het atheneum, midden in een schooljaar, kon Frank al aan de slag bij Belvision, de animatie-afdeling van Le Lombard die de eerste tekenfilms maakte van Kuifje, Lucky Luke, Asterix en De Smurfen. Langer dan een maand zou het niet duren. Hij kwam er terecht dankzij een vriend van zijn ouders die iemand bij Belvision kende. Hij had gezien dat Frank kon tekenen en vertelde hem dat ze bij de tekenfilmstudio tekenaars zochten. Het enige dat hij er leerde, was dat hij geen tekenfilms wilde maken. Hij werkte mee aan Gulliver, een mengeling van speel- en tekenfilmtechnieken. Kromgebogen over een tafeltje zitten waarin een tl-buis zat, ook in hartje zomer met de luxaflex omlaag, de kantoorsfeer en het geroddel van de secretaresses deden hem vluchten. 

Daarna trok hij naar Saint-Luc, maar dat was een grote ontgoocheling. De school stond nog onder invloed van Mei '68. De leraren waren nog steeds onder de indruk van de gebeurtenissen en de relativiteit was heilig: de studenten mochten beslist niet beïnvloed worden. Hij kreeg er weinig lessen in anatomie, compositie of techniek. Drie jaar lang tekende hij thuis, kwam te laat voor de les, spijbelde en ging uit. Het waren marginale jaren. Maar hij leerde er wel André Geerts en Bernard Hislaire kennen die hij regelmatig aantrof in de kantine. Ze zaten niet in dezelfde klas. Pas na hun schoolpassage in Saint-Luc werden ze echte vrienden, ze wisselden ideeën uit en trokken samen op vakantie om te werken.

Natuurrubriek met Ragebol

In 1973 stond Frank een eerste keer in het weekblad Robbedoes in Vrij Vel, een rubriek bedoeld voor beginnende tekenaars),met een kort westernverhaaltje, terwijl hij nog studeerde aan Saint-Luc. In 1978 werd hij pas goed gelanceerd in het weekblad. Via Hislaire leerde hij Jean-Marie Brouyère kennen voor wie Hislaire onder meer Zakkenloper en Blasius tekende. Brouyère had Franks strippagina's aan hoofdredacteur Thierry Martens laten zien en die vielen in de smaak. Zijn geluk was ook dat Martens in zijn redelijk recente promotie als hoofdredacteur zoveel mogelijk werk wilde plaatsen van jonge tekenaars om te breken met het verleden... en die ze minder hoefden te betalen. 

Eén of twee weken na zijn eindexamen op Saint-Luc leverde hij zijn eerste illustraties voor een natuurrubriek met Ragebol die aan de hand van dagboekstripjes uitleg gaf over bijvoorbeeld de krokodil en die avontuurtjes beleefde in een occasioneel kort verhaal. Veel van deze pagina's zijn nooit verschenen in Robbedoes, wel in Spirou. Voor de latere integrale in twee delen in het Frans (2016-2017) koos men voor de vertaling (2019) van de integrales voor een gereduceerde editie in slechts één deel om al die onvertaalde pagina's niet te hoeven vertalen. 

Ragebol was zo'n beetje een alter ego van natuurliefhebber Frank, waarvoor scenarist Michel de Bom prachtige verhalen schreef voor een reeks die tussen 1987 en 2003 vijf albums opleverde. De eerste albums lagen mee aan de basis van de collectie Spotlight. Bij hun ontmoeting klikte het op alle gebieden. Ze konden elkaar aanvullen en ze complementeerden elkaar meer dan woorden konden uitdrukken. Toch was er een crisismoment tussen Ragebol deel 2 en 3. Ze waren al vergevorderd in een verhaal dat Louise zou heten en dat zich zou afspelen in de Franse Auvergne-streek, maar ze stopten ermee. Het was een lange en moeilijke tijd. Bijna gaven ze de brui aan hun samenwerking. Uit die problemen trokken ze lering en ook de kennis over elkaar groeide. Sindsdien wisten ze hoe ver ze bij elkaar konden gaan.

Eerste album

Na de natuurrubriek mocht Frank bij uitgeverij Dupuis zijn kans wagen voor een album van 44 pagina's. Een gouden kans, maar die kwam wel snel. Perfectionist zijnde duurde het zes jaar vooraleer het af was. Trek er twee jaar vanaf voor het vervullen van zijn burgerplicht (in plaats van militaire dienst) waarin hij quasi niets meer tekende buiten de onderkant van de weekbladpagina's (die hoofdzakelijk werden opgevuld met De Eland) waarvoor hij een halve dag per week kon uittrekken en er blijven nog vier jaar over. Dit verhaal was Vincent Morres: Achter Tralies, aanvankelijk geschreven door Brouyère die door privéproblemen moest afhaken. Terrence (een schuilnaam van Thierry Martens) nam het van hem over. Het verscheen in 1985 in de collectie Dupuis' Avonturen als album na een voorpublicatie in Robbedoes.

De Eland was een strookjesstrip met een mistroostige eland die vijf jaar lang de lezers begroette op de redactionele pagina's van het weekblad. Hij converseerde daarin regelmatig met Robbedoes. Frank maakte deel uit van het jonge team dat Robbedoes — of eigenlijk meer Spirou — animeerde met illustraties en kleine strips links en rechts. Ook Hislaire, Geerts, Yann en Conrad, Tome en Janry, Dédé, Watch, Bosse, Christian Darasse, Jean-Claude Servais en nog een paar anderen trok toenmalig hoofdredacteur Alain De Kuyssche aan om het blad een nieuw elan te geven.

De zoo van Antwerpen als voorbeeld voor de trilogie Zoo

Frank Pé en Philippe Bonifay leerden elkaar op een banale manier kennen: op een stripfestival in Maubeuge ergens in 1987-1988. Ze kwamen bij toeval naast elkaar te zitten en het klikte meteen. Daarna zagen ze elkaar terug op festivals. Ze nodigden elkaar uit en bespraken plannen om iets samen te doen. Toen het idee van Zoo gestalte kreeg, ging Frank Bonifay opzoeken. Frank hield erg van de literaire en poëtische waarde in diens Le Chariot de Thespis. Hij vond dat hij de beste scenarist was voor dit verhaal. Voor de personages wist hij dat Bonifay de psychologie het best kon uitwerken. En Bonifay had gelukkig heel wat te vertellen over de materie die Frank hem voorstelde.

Het personage Buggy is gesculpteerd naar dierenbeeldhouwer Rembrandt Bugatti, de broer van de bekende autoconstructeur Ettore. Het gros van de kunstwerken die je ziet in Frank Pé's Zoo, bijvoorbeeld de mandril, en de gestrekte panter, zijn van zijn hand. Ook de Duitse schilder Egon Schiele zou zich mogen herkennen in Buggy. Allebei zijn ze vroeg gestorven. Bugatti door zelfdoding op zijn tweeëndertigste. Hij heeft nog gewerkt voor de zoo van Antwerpen, maar werd nooit uitgenodigd om er te verblijven. De architectuur van de Antwerpse zoo was dan weer wel een grafisch voorbeeld voor Franks Normandische zoo.

Oorspronkelijk was Zoo bedoeld als tweeluik van samen 110 pagina's die met maximum een halfjaar verschil zouden verschijnen in de collectie Vrije Vlucht. Zodra Bonifay doorhad dat het publiek hem al meteen volgde, voegde hij er vanaf deel 2 het verhaal aan toe over de keuze van Célestin om liever dokter voor mensen te worden dan voor dieren. Na een bezoek aan de zoo van Antwerpen om de sfeer op te snuiven en inspiratie op te doen, schoten Manon, Anna, Buggy en Célestin Bonifay te binnen. Een magisch moment, want normaal gezien is er eerst een intrige, dan pas de personages. Frank zei later in een interview dat het vijfde personage de zoo is. Hij moest trouwens huilen toen hij het scenario van Bonifay las met de passage waarin Célestin in deel 3 aan het front sterft. Bonifay had het minder moeilijk om het op papier te zetten. Het was al vanaf het begin gepland.

In tegenstelling tot vooral de eerste albums van Ragebol is Zoo duidelijk realistisch getekend. Frank moest wel. Hij vond het niet opportuun om het verhaal te vertellen van een vrouw die haar ziel heeft verloren in een stijl met grote neuzen en grote voeten zoals André Franquin, naar wie hij niettemin opkeek. Op de vensterbank van Franks atelier prijkte een foto van Franquin, volgens Frank een échte kunstenaar. In ons interview uit 2016 vertelde hij over Franquin: "Er zit in zijn universum een soort warmte, een vrijgevigheid, een gelukzaligheid, maar ook een perfectie die je nergens anders ziet. Het is moeilijk te beschrijven, maar als je een Franquin leest, voel je onmiddellijk dat er zoveel meer achter die tekeningen zit. Nu weet ik dat dit gewoon de persoon van Franquin zelf is. Hij was echt uniek. (...) Franquin is mijn tekenvader." De bewondering was trouwens wederzijds.

Eigen dierentuin en kweek

De dierenliefhebberij zat er al van jongs af aan in. Tussen 1976 en 1980 bracht Frank vijftig verschillende reptielen van diverse soorten groot, waaronder zestien krokodillen. Zijn eerste zelfgekweekte krokodil voedde hij op toen hij een jaar of achttien was. Op zijn negentiende startte hij met een tournee langs Europese dierentuinen. In een maand tijd bezocht hij ze praktisch allemaal. In de jaren daarna ging hij de internationale toer op. Hij gold als een specialiste terzake. De zoo van Antwerpen droeg zijn voorkeur weg, met daarna de dierentuinen van Berlijn, Stuttgart, Rotterdam, San Diego en Singapore. Later sprak hij zijn voorkeur uit voor St. Louis in de Verenigde Staten en in Europa vond hij die van Doué-la-Fontaine de mooiste en de beste. Elke keer hij een zoo bezocht, had hij een schetsboek bij, een fototoestel of een camera. Hij deed dat al sinds zijn jeugd, gewoon omdat hij ervan hield. Het werd een tweede natuur om dieren te tekenen. De oog-handcoördinatie om ze te tekenen werd een automatisme.

Een ander project hield hem tot zijn laatste levensjaren bezig. Sinds 2002 werkte hij aan een eigen zoölogische tuin, L'Atelier Zoo, een vernieuwend concept dat de klassieke dierentuin nieuw leven moest inblazen. De dierentuin zoals we die nu kennen, is gebouwd uit wetenschappelijk oogpunt of ter behoud van dierensoorten. Frank wilde er meer de bezoekers bij betrekken. En daarvoor koos hij voor de artistieke taal. Het publiek kon in zijn ideale zoo artiesten aan het werk zien of zelf deelnemen aan ateliers waarbij de bezoeker letterlijk en/of figuurlijk in aanraking komt met dieren en allerlei soorten van œuvres die met dieren te maken hebben: strip, beeldhouwwerken, schilderijen, illustraties, decoratieve kunsten,... Frank zou je zelf ook kunnen zien tekenen aan een tafel achter glas. Verhalen over dieren die in andere culturen heersen, van de Maya's tot Afrikaanse stammen, konden de bezoekers er ontdekken. Er zou ook plaats geweest zijn voor live performances van kunstenaars. Het beste van hun werk zou worden geprojecteerd op schermen begeleid door extra uitleg en met interviews. Normaal gezien moest zijn dierentuin in 2011 de deuren openen, gevestigd in een oude steengroeve op zo'n tien kilometer van Namen. De rotsen zouden deel uitmaken van de kooien. Kamelen, halfapen of zebra's zouden zich op een domein van anderhalve hectare kunnen uitleven. Er was ook een plan voor een serre met fauna en flora uit het Amazonewoud met een muurschildering van vijftien meter. In februari 2008 voedde Frank thuis in zijn salon op dat moment drie babyzoetwaterkrokodillen op en ook nog schildpadden, reuzevissen en piranha's in de wetenschap dat ze tot een volwassen vorm zouden uitgegroeid zijn eens L'Atelier Zoo de deuren opende. De plannen, inclusief een uitgewerkte maquette, en vooral de ambities lagen hoog. Te hoog. Er was al een medewerkersbestand aangetrokken, een ingenieus ontwerp met warmtepompen en thermische panelen om energie en temperatuur te regelen, een ijzersmeedwerkatelier, zijn eigen teken- en beeldhouwatelier, maar het ontbrak Frank aan de nodige financiën. Zijn onderneming is nooit van de grond gekomen. Een concreet geworden staaltje van zijn kunnen, werkte hij uit voor het dierenpark Paradisio met Indonesië als thema. Diezelfde dierentuin is de voorloper van Pairi Daiza, sinds jaar en dag verkozen tot de beste zoo van Europa. 

Tekenfilmbijdrages

Ondanks zijn negatieve, prille tekenfilmervaringen keerde Frank in 1996 terug naar de sector. Toen werkte hij samen met de Franse Claire Wendling tien maanden lang voor het Amerikaanse Warner Bros. aan de tekenfilm Excalibur, The Magic Sword als conceptual artist. Dat betekent dat hij schetsen en voorstudies maakte van personages en decors. In die periode concurreerden Warner Bros., Walt Disney en DreamWorks (met The Prince of Egypt waar Didier Conrad aan werkte) elkaar op de tekenfilmmarkt. Aanvankelijk was het de bedoeling een tekenfilm te maken voor een volwassener publiek, met sombere, harde Keltische invloeden. Warner kreeg echter schrik en gooide het roer om. Het doelpubliek veranderde naar vier- tot zesjarigen. Van het oorspronkelijke scenario met trollen en draken schoot niets meer over en alle scènes waaraan Frank werkte, werden uit het project gehaald. Hij had er een vijftigtal draken voor verzonnen. Frank vond de film dan ook barslecht.

Op basis van de eerste albums van Zoo werd Frank door Cartoon Films, de Duitse poot van Warner Bros., gevraagd om dierenpersonages te ontwerpen voor De Kleine IJsbeer (2001) en de sequel De Kleine IJsbeer en Het Geheimzinnige Eiland (2006), geregisseerd door Vlaming Piet De Rycker (uit een ver stripverleden bekend van de helft Pjotr uit het duo Pjotr en Erik Meynen) en de Duitser Thilo Graf Rothkirch. De film kwam uit in 2006. Alle dieren uit de Galapagoseilanden en het zeemonster zijn gerealiseerd naar de ontwerpen van Frank.

Hommage

Voor de Japanse uitgever Kodansha was er voor Frank ooit sprake van een stripproject. Hij had hiervoor zes-zeven pagina's getekend met in de hoofdrol de zwarte kat van Ragebol. Bedoeling was dat het een soort Gon zou worden, de tekstloze mangareeks met een dinosaurus in de hoofdrol. Alleen zou zijn Belgische kat niet zo agressief zijn, maar vrolijker en speelser. Kodansha zou het publiceren in hun tijdschrift Morning, maar wilde na verloop van tijd een totaal andere weg inslaan. Het werd te gecompliceerd. Daarbovenop had Frank te veel andere projecten en wilde hij zijn tijd niet verliezen aan de wispelturigheid van zijn opdrachtgevers. Hij begreep er op den duur niets meer van, dus stopte hij liever.

Frank bleef creëren. In een persoonlijk gesprek liet hij ons weten dat hij vaak gevraagd werd voor lucratieve opdrachttekeningen en schilderijen. Elke keer hij daaraan werkte, kon hij geen strips tekenen, maar om de zoveel jaar was het broodnodig om een nieuwe strip te publiceren zodat hij daarna weer een stroom nieuwe opdrachten binnenreef. Met Little Nemo, in 2020 verschenen bij Dupuis, tekende hij een reeks korte verhalen als hommage aan de klassieke krantenstrip van Winsor McCay uit 1905. Frank liet het jochie Nemo nieuwe avonturen beleven die in zijn dromen een wereld vol verbeelding betreedt en waarin de natuur uiteraard niet ontbreekt. Het album verscheen in het Frans eerst als twee luxe-albums op groot formaat.

Marsupilami-hommage

Ook nog in 2020 verscheen het eerste deel van het tweeluik Het Beest, een realistisch en dramatisch verhaal met een Marsupilami naar het wezen dat was bedacht door Franks idool Franquin. Deel 1 telde 156 pagina's en deel 2 bood 208 pagina's lees- en kijkplezier, terwijl deze uitstap naar andermans œuvre Frank zelf ook veel plezier verschafte. Het was commercieel ook nog eens een voltreffer. Na het slot in 2023 was er al snel sprake van een deel 3, ook geschreven door Zidrou, terwijl Frank zelf deel 4 én 5 zou schrijven. Die twee delen zouden de Marsupilami naar voren brengen als een diersoort dat op een precies moment van de mensheid opduikt, in een specifieke plaats en context en die een problematische situatie creëert. Helaas blijkt deel 3 momenteel onafgewerkt, hoewel het al in een vergevorderd stadium zat. Het is aan uitgeverij Dupuis en Franks nabestaanden om te beslissen wat ermee moet gebeuren.

Een ander project dat hij eveneens zelf zou schrijven, was een grafische roman over Auguste Rodin. Dat scenario was in 2024 al bijna af. Frank over dit project dat hij nooit heeft kunnen afwerken: "Het vertelt het verhaal van de laatste jaren van Rodins leven, waarbij de vraag wordt gesteld naar de toekomst van het werk van zo'n genie, gedoemd om te verdwijnen in het midden van de Eerste Wereldoorlog. Het is het lot van een van de grootste kunstenaars die de wereld ooit gekend heeft, in een tijd van algehele apocalyps. Ik denk dat het ook heel sterk resoneert met onze wereld van vandaag en het gevoel dat die aan alle kanten uit elkaar valt. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de stem van de belangrijkste, puurste en mooiste dingen gehoord wordt en blijft bestaan? Het is duidelijk dat er in die jaren van Rodins avondschemering een tragische dimensie zit: hij heeft zijn hele leven gewerkt om schoonheid, waarheid te verdedigen... en hij zal verdwijnen in een wereld die dat allemaal absoluut ontkent en precies de tegenovergestelde keuze maakt: die van propaganda, oorlog, geweld... Hij kan dit alles als een mislukking hebben ervaren, en mijn verhaal richt zich op dit tragische aspect."

Een van de laatste publicaties met het werk van Frank Pé is het interviewboek  Dans l'Antre de la Bête. Daarin overlopen Régis Duqué (met een interview uit 2023) en Marc Dausimont (gebaseerd op een interview uit 2000) het leven en werk van de tekenaar. Frank mocht bovendien veel vertellen over zijn passie voor dieren en dierentuinen en over zijn bewondering voor onder meer Franquin, de (teken)filmmakers Andrej Tarkovski en Hayao Miyazaki en Auguste Rodin. Het boek telt 112 pagina's en op zo goed als élke pagina staat een foto, schets, voorstudie, illustratie of schilderij in kleur. Een ander boek uit dezelfde periode is het gelimiteerde Grandeur Nature. Het verzamelt namelijk meterslange fresco's die Frank Pé sinds 2006 voor diverse doeleinden en op verschillende evenementen heeft geschilderd. Deze bevatten grootse dierentaferelen met tijgers, neushoorns, apen in alle soorten en maten en zelfs marsupilami's. Voorafgaand aan de schilderijen in pastel en acrylverf zit een informatiedossier van 32 pagina's.

We sluiten af met een uitspraak uit Wouter Portemans uitgebreide interview dat hij in 2016 met Frank voerde op een grote overzichtstentoonstelling in het Brusselse Stripmuseum. Wouter vroeg hem wat hij belangrijker vindt, een bibliografie van tien à vijftien albums of zoals een Hermann meer dan honderd albums. Frank: "Ik heb niet gekozen. Het leven heeft dit voor mij gekozen. C’est la vie. Mijn handvol albums staat er, maar zoals je kan zien in mijn overzichtstentoonstelling heb ik er tientallen zaken naast gedaan. Je mag me niet beoordelen op het resultaat, maar wel op het parcours dat ik heb afgelegd."

Het volledige interview met Frank Pé kan je hier downloaden als pdf.

De compilatiefoto's in dit artikel zijn foto's van de overzichtstentoonstelling uit 2016. © Raymond Lagae

In 2007 verscheen het laatste deel van Zoo. Op het Franse stripfestival van Saint-Malo waren Frank Pé en Philippe Bonifay te gast als eregenodigden. Drie dagen lang tekende Frank aan drie metersbrede panelen, één paneel per album, terwijl Philippe vertelde en diens zoon Joachim voor muzikale ondersteuning zorgde. In de eindfase van de voltooiing van het laatste paneel rolden de tranen over de wangen van Philippe. Het werd ook Frank even te veel, terwijl hij Philippe kwam troosten. Heel wat aanwezigen pinkten een traantje mee. Een reportage van toen met een interviewtje met Frank kan je hier bekijken en lezen.