Simon Spruyt
“Alles wat ik schrijf, komt uit. Ik ben een profeet.”
tekst: Wouter Porteman
Hoera, er is een nieuwe beeldroman van Simon Spruyt uit! Nog vóór De Maanwandelaar in de rekken ligt, wordt de strip al bewierookt. Ik kan al die lof alleen maar bijtreden. Het toegankelijke De Maanwandelaar sleept je mee, doet je nadenken, onverwachts grijnzen en vooral bewonderend tussen de tanden fluiten. Dit is echt, echt goed. En natuurlijk smeekte zo’n strip om een interview!
Vorig jaar werd je bij het verschijnen van De Uitverkorene en je laatste album van De Ruiterlijke Confessies van Dragon Dragon geïnterviewd voor onze site. Je zei toen dat je net begonnen was aan een nieuwe strip, De Maanwandelaar, en dat je hoopte dat die zou verschijnen in 2027. We zijn amper een jaar verder en je boek van 208 pagina's ligt al voor ons! Werk jij echt zo hard?
Spruyt: “Blijkbaar. Ik had dit ook niet verwacht. Het ging echt wel vlot.”
Hoe snel werk jij dan?
Spruyt: “Ik heb geen leven, hè! (lacht) De stijl van De Maanwandelaar ligt me wel. Het gaat veel sneller dan Dragon Dragon. Als ik daar één pagina van klaar heb, zijn er al drie van De Maanwandelaar gemaakt. Dat is een enorm verschil.”
Tot voor kort werkte je in de tekenstudio De Geslepen Potloden van Wauter Mannaert. Hoe moet ik dat zien? Is dat zo’n beetje als de Mazdabende (De Mazdabende is een stripreeks over een tekenstudio waar Bernard Hislaire (Samber, Frommeltje en Viola), Michetz (Kogaratsu) en Christian Darasse (Tamara, De Mazdabende) samenhokten en tal van hilarische situaties meemaakten)?
Spruyt: “Het is alleszins niet zo romantisch als De Mazdabende. (lacht) Het atelier is nu verhuisd, maar toen ik er werkte, zaten ze in een zeer bohemien gebouw. Als ik het minder positief omschrijf, kan je het ook een half krot noemen. (lacht) Maar de manier van werken, is heel vergelijkbaar met een open werkvloer waar iedereen aan zijn bureau zit te werken. Veel feestjes moet je je daar niet bij voorstellen. Het was er eerder een verzamelplaats voor nine-to-fivers met kinderen.”
Ik heb even gekeken wie er nog werkt of heeft gewerkt. Wauter Mannaert natuurlijk, Judith Vanistendael, Gabri Molist, Pieter Fannes, Bram Algoed (Assholes), Max de Radiguès, Floris De Smedt (Kapitein Ansjovis),... Dat zijn heel veel grafische uitersten. Beïnvloeden jullie stijlen elkaar?
Spruyt: “Nee. Iedereen werkt er in zijn eigen cocon. Het was wel inspirerend om de anderen bezig te zien. Los van het feit wat ze maken, je ziet ook hen keihard zwoegen. Bovendien kan je met elkaar praten over bepaalde technische toestanden. Dat was wel handig.”
Je verandert zelf vaak van stijl. De Ruiterlijke Confessies van Dragon Dragon, Papa Zoglu, De Furox, SGF, De Tamboer van Borodino,... zijn elk in een eigen stijl getekend. In De Uitverkorene gebruik je zelfs twee stijlen. Wat is er eerst, de stijl of het verhaal?
Spruyt: “Het verhaal. Terwijl ik het verhaal schrijf, flitsen er al volop beelden door mijn hoofd. Als ik begin te tekenen, zoek ik naar technieken en materialen om die beelden zo goed mogelijk weer te geven. Natuurlijk wordt dat altijd wat anders dan je initieel voor ogen had. Vaak heb je jezelf al tekenend in een andere richting gestuurd. Voor De Maanwandelaar heb ik wel mijn stijl niet opnieuw uitgevonden. Ik heb dezelfde techniek gebruikt als in De Tamboer. Dat is ecoline in laagjes aangebracht en gecombineerd met wat potlood. Ik heb de onderliggende tekeningen alleen iets meer gestileerd en iets eenvoudiger gemaakt. Ook het kleurenpalet heb ik nog meer beperkt dan bij De Tamboer.”
Je hebt in De Maanwandelaar gekozen voor zachte aardkleuren. Was dat doelbewust om het eerder harde verhaal wat te compenseren?
Spruyt: “Zachte kleuren... Goh, ja. Ik heb me vooral beperkt tot een palet van drie kleuren. Een eerste is gebrande sienna. Dat is een soort roodbruin dat ik associeerde met zo’n ijzerhoudende woestijnbeelden. Dat wou ik zoveel mogelijk laten contrasteren met een echt felblauw. Mijn keuze viel toen op een soort warm ultramarijnblauw dat ik uiteindelijk gemengd heb met een wat koeler cyaan. Dat waren mijn twee basiskleuren. Daar heb ik dan nog wat gele oker bij gepakt om die te mengen waardoor ik ook oranje en groene tinten bekwam. Het hele album is dus opgebouwd met twee natuurkleuren en een heel fel blauw.”
Tijd voor een heel domme vraag. Hoe schilder je je kaders zo strak? Het valt pas op als er soms een stukje niet binnen de lijntjes zichtbaar is.
Spruyt: (lacht) “Ik plak gewoon mijn kaders af met maskeertape. En soms kruipt de verf er eens onder. Maar ik laat dat omdat dat charmant is. Als het echt te veel uitloopt, veeg ik het wel weg en kuis ik de randjes op.”
Na De Tamboer is De Maanwandelaar het tweede album in dezelfde stijl. Is dat nu je favoriete stijl?
Spruyt: “Ik ga vooral voor variatie. Na drie albums van Dragon Dragon was ik het echt beu om te inkten en alles in te kleuren met de computer. Ik had gewoon zin om nog eens te schilderen. Het enige wat nu nog digitaal is, zijn de tekstballonnen.”
De voorbije jaren tekende je met Dragon Dragon, De Uitverkorene en De Maanwandelaar in drie verschillende stijlen. Charel Cambré zei in de podcast Welcome to the AA dat als hij van stijl moet switchen, het altijd een paar pagina’s duurt voordat hij erin komt. Heb jij dat ook?
Spruyt: “Ik heb over het algemeen een heel album nodig om opgewarmd te raken. (lacht) De eerste pagina’s verschillen echt met de laatste pagina’s. Ik probeer ook altijd nieuwe dingen uit, en ja, dat kan ook nog in het laatste hoofdstuk zijn. Ik vind het niet zo erg als de lezer ziet dat er wat evolutie in zit. Er is toch altijd voldoende coherentie, puur door de basisstijl en door het materiaal dat je gebruikt.”
Tijdens signeersessies van Dragon Dragon mocht iedereen een schilderij kiezen uit een hele catalogus van oude meesters. Je schilderde er dan direct je eigen Dragon Dragon-versie van. In De Tamboer van Borodino komt een personage voor dat zo weggelopen is uit een schilderij van Jheronimus Bosch. Bouvaerts leven en schilderijen lijken heel sterk op dat van Rubens. En hier is mijn tweede domme vraag al: Is De Maanwandelaar een ode aan een specifieke schilder?
Spruyt: “Nee. (lacht) Ik heb me wel enorm gebaseerd op de grafiek van de Mesopotamische en Egyptische kunst. Het boek zit boordevol verwijzingen hiernaar. De schutbladen bijvoorbeeld heb ik gebaseerd op de Standaard van Ur — een van de Mesopotamische pronkstukken van het British Museum van circa 2600 jaar voor Christus. De Standaard is eigenlijk niet meer dan een klankkast van een instrument uit de stad Ur. Maar die is wel helemaal versierd met lapis lazuli ingelegde reliëfjes met langs de ene kant oorlogstaferelen van vechtende mannen en slaven die worden gevangen en gedood. De andere kant van de klankkast staat volledig in het teken van de vrede. Zo zie je een stoet van mensen die voedsel en rijkdom naar hun vorst aan het brengen zijn. De schutbladen van De Maanwandelaar zijn wel mijn eigen versie en in mijn eigen stijl. Zoals gezegd zit het hele album vol met dergelijke verwijzingen. (bladert door het album) Op pagina 108 bijvoorbeeld zijn de decors gebaseerd op de reconstructie van de bibliotheek van Aššurbanipal.”
De Standaard van Ur en het daarop gebaseerde schutblad van De Maanwandelaar.
Je vorige beeldromans waren meestal vergeten verhaaltjes van personages in de buitenrand van de geschiedenis, zoals een tamboer in het leger van de grote Napoleon. Bouvaert is het verhaal van de broer van een wereldvermaarde schilder. Nu pak je het wel groots aan. Dit is een verhaal over vorsten en farao’s, de opkomst en neergang van hele beschavingen. Groter wordt het niet. Had je zin om een epos met hoofdletter E te schrijven?
Spruyt: “Ow, zo had ik het nog niet bekeken. Ik vind Bouvaert: De Elegie van een Ezel ook al vrij episch. Ik denk dat het vooral ligt aan het onderwerp. De combinatie van een bijbels verhaal, sociale sciencefiction en de wens om een breder maatschappelijk plaatje te schetsen, lokt dit wel uit. Ik heb me inderdaad niet meer gefocust op één enkel personage, maar wel op het samenspel van verschillende figuren en gemeenschappen. Je hebt die monitor, de nomaden, de stedelingen, de Egyptenaren, al hun interne familiale relaties. Allen hebben ze een belangrijke rol in het verhaal. In Junker, Bouvaert, Papa Zoglu, De Tamboer,... volg ik altijd één hoofdfiguur. Nu heb ik het over grotere conflicten en maatschappelijke ontwikkelingen, en dus had ik een breder perspectief nodig.“
Snijdt het verhaal door dit samenspel dieper?
Spruyt: “Dieper? Zo zou ik het niet noemen. Het is gewoon een andere insteek. Ook deze strip is gebouwd rond mijn favoriete thema’s zoals de functie van verhalen in de opbouw van een leven. Nu gaat het meer over de rol van die verhalen in de opbouw van hele maatschappijen.”
Bedoel je dan religieuze verhalen?
Spruyt: “Niet specifiek. Sinds we God uit de verhalen hebben gelaten, is er niets veranderd aan hun waarde en betekenis. Ze worden gewoon anders ingevuld. We zijn nog altijd bezig zin te geven aan ons leven door onszelf in grote verhalen te schrijven of er heel hard in mee te leven.“
Het blijft opvallend dat je als verteller geen standpunt inneemt. Je gooit grote thema’s, zelfs dilemma’s, op, maar de lezer moet maar een keuze maken. Als hij dat al wil. Waarom oordeel je niet zelf?
Spruyt: “Ik vind het net belangrijk om te oordelen. De schrijvers die ik zelf graag lees, doen dat zelf ook niet. Ik worstel vaak met zo’n ingewikkelde vraagstukken dat ik er ook geen zinnig, laat staan een eenduidig antwoord op kan geven. Ik zou het ook niet willen, want het is niet respectvol voor de lezer. Zo’n thema’s verdienen het dat er vragen worden opgeroepen en dat de lezer zelf zijn moreel standpunt kan opmaken of bijsturen.”
Welke thema’s houden je nog bezig?
Spruyt: “Eerst en vooral het spel van die verhalen. Daarnaast is er het thema van de dematerialisatie van hoe beschavingen zich ontwikkelen naar een steeds minder materieafhankelijk bewustzijn. De opkomst van taal is hierin belangrijk. Voorts heb je nog het idee van cultureel relativisme. Heb je het recht of de plicht om te oordelen of tussen te komen in een cultuur die je compleet vreemd is en waar je geen waarde mee deelt? Dat roept dan direct vragen op over kolonialisme en zo. Die dingen zaten al in mijn hoofd toen ik dat verhaal ben beginnen te schrijven. Nu ik dit hier zo opsom, besef ik dat het allemaal zwaarder klinkt dan het is. Het proces is zelfs relatief eenvoudig. Je dropt je personages in bepaalde situaties en die roepen automatisch vragen op binnen een van die thema’s. Door in bepaalde scènes nog verder door te duwen, zorg ik dat de dilemma’s scherper gesteld worden. Wie is hier nu fout? Wie is hier nu goed? Zo werkt dat eigenlijk bij me.”
Bij het lezen stond ik minder stil bij deze thema’s, maar wel bij de verschillende ethische benaderingen die je personages aanhouden. Je voelt echt dat conflict tussen een aantal van die filosofieën. Je hebt de deontologie — onze god(in) of onze plichtenleer verbiedt dit en dus doen we dit ook niet. Dinah mag bijvoorbeeld niet aangeraakt worden. Je hebt de gewone causaliteit — iets gebeurt omdat iets anders eraan voorafging. Het klassieke oorzaak-gevolg op korte termijn. Je wordt besneden en door een foute hygiëne sterf je. En je hebt de teleologie — iets gebeurt omdat men een bepaald doel wil bereiken, wat de meeste koningen duidelijk voor ogen hebben. Was dit je bedoeling?
Spruyt: “Nee. Ik begrijp die strikte opdeling ook niet. Zelf al leef je volgens een teleologisch wereldbeeld, dan nog ontsnap je niet aan een onmiddellijke oorzaak-gevolg. De toevallige oorzaak-gevolggebeurtenissen worden vaak geïnterpreteerd en ingepast in die filosofie. Bovendien zit er in de teleologie heel vaak een moraal vastgekoppeld aan wat bijvoorbeeld goed en kwaad is, maar dan gezien in functie van het einddoel. Ach, alles heeft invloed op elkaar. Het is heel vaak een cirkelredenering.”
Ik had ook het gevoel dat je hoofdpersonages elk op hun manier structuur in een chaos willen brengen, en dit lukt door al die tegenstrijdige visies, nooit.
Spruyt: “Dat is net het principe van al die verhalen! Via verhalen trachten wij de werkelijkheid te structureren in iets dat zowel begrijpelijk als betekenisvol is en zo zin geeft aan ons leven. Maar het blijven verhalen. Het is fictie. Het is iets dat wij creëren en op de werkelijkheid leggen. De pure werkelijkheid, zonder enige interpretatie door mensen, is gewoon chaos. (lacht) Het zijn wij die daar structuur en zin in leggen. Dat is ook het probleem met al die grote verhalen die wij als mensheid al hebben geconstrueerd. Op een bepaald moment komen er gaten in omdat de echte werkelijkheid daartussen komt te staan. Al onze verhalen zijn op een of ander moment gebaseerd op aannames die niet waar zijn. Ik zal een voorbeeld geven. In onze liberale, westerse individualistische maatschappij is het concept van de vrije wil superbelangrijk. Dat is eigenlijk de basis van alles. Het idee dat wij als mens vrij kunnen kiezen, dat je jezelf kan ontwikkelen en dat je zelf verantwoordelijk bent,... Die insteek vind ik op zich een heel mooi en sturend idee om een maatschappij mee op te bouwen. Tegelijkertijd is dat fundamenteel ook ergens onwaar. Wij zijn tegelijkertijd ook gewoon maar biologische machines die gedetermineerd zijn door ons lichaam. Naast dat biologisch gegeven heb je ook nog de culturele, historische aspecten. We zijn allemaal beïnvloed door waar en wanneer we leven. Dat zijn allemaal dingen die onze vrije wil eigenlijk inperken. We zijn allemaal geboren als redelijk willekeurige kruispunten in een tijd en ruimte.“
En in die tijd en ruimte heb je er in De Maanwandelaar nog een laag bovenop gegooid. Wij worden bekeken, bestudeerd en zelfs bestuurd door een overkoepelend organisatie die het hele heelal beheert. De bedoeling is dat die monitoren op de achtergrond blijven, maar dat lukt natuurlijk niet. Het doet me denken aan Thorgal en vooral aan een boek dat in mijn ouderlijk huis rondslingerde, namelijk Waren de Goden Kosmonauten?
Spruyt: “Ja, het bekende boek van Erich von Däniken. Ik heb inderdaad gespeeld met de link dat religies gebaseerd zijn op kosmologische ervaringen. Maar dat boek was niet mijn directe inspiratie. Ik was eerder geïnspireerd door de sf-boeken van Ursula Le Guin. Zij heeft ook een hele reeks boeken over een hypergeavanceerde cultuur die andere minder ontwikkelde culturen bezoekt. Daarna worstelen ze met het dilemma of ze al dan niet die culturen mogen beïnvloeden. Iain Banks gebruikte ook hetzelfde uitgangspunt, maar dan met een andere overkoepelende organisatie. Ik houd echt supe veel van die sociale sciencefiction. Ook de sf in De Maanwandelaar gaat niet zozeer over raketten, laserstralen en andere superhoge technologie. Ook bij mij gaat ze eerder over experimenteren met nieuwe sociale structuren in een mogelijke toekomst om nieuwsgierig te bekijken wat de gevolgen daarvan zijn op de personen die daarin leven. Ik vind de vrijheid en inventiviteit die in die boeken zit, gewoonweg fascinerend.”
Ondanks de zware thema’s is De Maanwandelaar heel toegankelijk en vlot leesbaar. Je lijkt me wel steeds toe te werken naar bepaalde sleutelscènes. Ik heb ooit Manu Larcenet geïnterviewd en voor Blast werkte hij met volledig uitgeschreven ankerpunten en daartussen meanderde hij wat. Doe jij dit ook?
Spruyt: “Absoluut! Ik werk aan de hand van een skeletale synopsis. Ik weet wat de belangrijkste gebeurtenissen zijn en waar en hoe die ongeveer eindigen. Maar daartussen is het werkelijk schrijven van punt naar punt. De inhoud staat echt niet vast. Ik schuif dan ook heel veel met scènes. Of schrap er of voeg eraan toe. Alles kan”.
Op welk moment is je verhaal definitief af en begin je met het storyboarden?
Spruyt: “Niet! Zelfs mijn synopsis is niet volledig uitgeschreven. Tot ergernis van mijn uitgever. (lacht) Ik begin puur op basis van die korte inhoud, en dan begin ik gewoon te tekenen en te schrijven. Scène per scène. Schrijven en tekenen vallen bij mij echt samen. Ik werk wel altijd in korte scènes van één tot vier pagina's. Dat zijn telkens redelijk afgeronde hoofdstukjes. Hierdoor kan ik ze gemakkelijk verschuiven in het verhaal. Ik werk rond zware thema's en die werkwijze staat me toe om daar voortdurend over na te denken. Zoals ik al zei, oordeel ik niet en laat ik de lezer zelf zijn eigen keuzes maken. Ik kan ook niet anders, want mijn eigen standpunten veranderen ook voortdurend. Door dat schuiven blijven de verschillende visies ook netjes gespreid in het verhaal. Het wordt er allemaal evenwichtiger door. Het is wat atypisch, maar dit is de ideale werkwijze voor de eeuwige twijfelaar die ik ben.” (lacht)
Het valt me op dat veel van je beeldromans hun inspiratie halen uit boeken, en zeker de wat oudere klassiekers van Thomas Mann of Tolstojs Oorlog en Vrede. Om nog maar de Bijbel niet te noemen.
Spruyt: “De Maanwandelaar is deels gebaseerd op de Bijbel. Heel de geschiedenis van Sichem, de relatie tussen Dinah en de zoon van de prins, de massabesnijdenis en alle gevolgen, worden in slechts enkele verzen afgehandeld in Genesis 34. Voor de rest heb ik heel lang vastgezeten in de vooroorlogse literatuur. Thomas Mann was heel lang een obsessie. Zijn Jozef en zijn Broers was zelfs een directe inspiratie voor De Uitverkorene en De Maanwandelaar. Ik had eerst De Uitverkorene geschreven en dat album aan Le Lombard voorgesteld. Maar die vonden het te raar, wat ik eigenlijk wel had verwacht. (lacht) Ik wou dat wel maken en heb er dan een andere uitgever voor gezocht (Oogachtend, red.). Daarna ben ik beginnen nadenken over een meer Le Lombard-achtig project en dat is dan De Maanwandelaar geworden. Naast Mann heb ik ook veel gelezen van Stefan Zweig, Joseph Roth, en al die andere Duitstaligen en Russen. Het is ook een heel lijvig, boeiend corpus waar je lang kan vertoeven. Het is pas de laatste twee, drie jaar dat ik daar ben uitgeraakt. Voor een deel omdat ik toen die sociale sciencefiction begon te lezen met een uitstapje naar de gewone romans van die auteurs. Maar ja, ik blijf nog altijd een enorme fan van die vooroorlogse literatuur en voor alles wat erfgoed is. Ik vind dat ook een heel aangenaam, warm, cultureel bad om je in onder te dompelen. Je voelt je heel snel zelf een onderdeel van het verhaal omdat ze net onze cultuur belichamen. Na de oorlog was er plots een Amerikaanse culturele dominantie. Ik heb daar heel lang weinig voeling mee gehad. Ik heb echt moeten zoeken naar schrijvers waar ik wel aanknopingspunten mee had. Het blijft moeilijk. Als ik vandaag hedendaagse schrijvers lees, zijn dat meestal Europeanen of Canadezen.”
Ben je soms beïnvloed door strips?
Spruyt: “Niet echt.”
Op een bepaald moment laat je de Mesopotamische god Pazuzu opduiken, en ik waande me direct in Isabelle Avondrood.
Spruyt: “Ja, dat klopt. Toch was Jacques Tardi niet de directe inspiratie. Ik zocht gewoon naar een godenbeeld om de ziekte van die mannen uit te beelden. Na wat opzoekwerk kom je al snel bij de wraakdemon Lamashtu en zijn tegenhanger, de beschermer Pazuzu, uit. Toen ik die naam las, dacht ik onmiddellijk aan Tardi en was het beeld dat ik moest gebruiken natuurlijk snel gevonden. Dat was een tof momentje.”
In De Maanwandelaar droppen de buitenaardse observatoren af en toe een oneliner die je eventjes moet laten bezinken. Zoals “Slavernij is een onvermijdelijke stap in dit soort van laagtechnologische beschavingen” of “Ontvoogding door onderwijs is een beproefd systeem”. Werk je toe naar zo’n zinnen?
Spruyt: “Och nee. Dialogen zijn nooit ankerpunten. Ik vond het gewoon grappig om die hoogontwikkelde monitoren vanop een afstandje wat sociaal-historische theorieën te laten spuien over voor hen lager ontwikkelde bevolkingen. Dat zijn geen dingen die ik zelf heb uitgevonden. Alleen de verwoording is van mij.”
Het paste gewoon op dat moment?
Spruyt: “Ja. De politieke visie van die monitor is voor een deel gebaseerd op een boek van de links-anarchistische politicoloog en antropoloog James C. Scott dat ik in die periode ook had gelezen. Hij heeft een boek geschreven over die eerste beschavingen in Mesopotamië. Over het algemeen wordt dat gebied gezien als de wieg van de beschaving. We hebben altijd geleerd dat de mensen zich daar vrijwillig gegroepeerd hebben in steden om meer bescherming te hebben en om zo hun landbouw en hogere cultuur te kunnen uitbouwen. Scott heeft een hele alternatieve geschiedenis neergeschreven. Hij ging uit van de hypothese dat die steden anomalieën waren waar maar een heel klein deel van de bevolking woonde. In zijn visie waren die steden eerder een soort van bevolkingsmachines. Hun grootste doel was om via een sterke bevolkingsgroei, met bijhorende slavernij en repressie, steeds sterker en groter te worden om zo te kunnen overleven. De levensstandaard was in de steden dan ook lager dan bij de nomadische volkeren. Die leefden dan weer in een constante dreiging dat ze gevangen zouden worden en tot slaaf gemaakt door de stedelingen.”
Ik vind dat er opvallend veel relativerende humor in De Maanwandelaar zit. Zocht je dit op?
Spruyt: “Ja en nee. Enerzijds vind ik dat ook nodig, Het zijn toch zware thema's en je wil het ook een beetje luchtig houden. Humor werkt dan perfect. Anderzijds zijn die dialogen en toon ook mijn spreektaal. Dit is gewoon hoe ik ben. Ik heb moeite om serieus te zijn. Ik heb de neiging om alles automatisch een beetje weg te lachen. Vooral bij serieuze dingen wil ik altijd de grappige kant ervan belichten. Ik huldig een beetje het principe van een nar. (denkt na) Ja, ik zou een goede nar geweest zijn.” (lacht)
Ik wil het nog even kort hebben over het spanningsveld commercieel en artistiek dat in je strips zit.
Spruyt: “Hoe bedoel je?”
Neem nu de titels. Daar zit vaak een niet-commercieel woord in. De Ruiterlijke "Confessies" van Dragon Dragon, De "Elegie" van een Ezel,... Zoek je dat conflict op?
Spruyt: “Ik zoek dat echt niet op. Maar ik zoek ook niet naar een banale titel. Ik zie mijn albums meer als romans. Het is niet omdat het strips zijn dat het gemakkelijk moet klinken. Moest ik dan voor een allitererende titel kiezen? Of één woord? Ik zou zelf afgestoten worden door een zwakke titel. Je kan het ook anders zien. Stel nu dat ik een echt commerciële titel zou kiezen, zouden de mensen dan niet te verrast zijn als ze mijn werk lezen?”
De Maanwandelaar is een prachttitel. Poëtisch, maar ook heel reëel, want ze slaat op de koning van een nomadisch volk. Mijn verwrongen geest dacht wel meteen aan Michael Jackson met zijn moonwalk. En eigenlijk past dit nog. Ook in je strip gaan hele bevolkingen stijlvol achteruit.
Spruyt: (lacht)
Sorry, dat was flauwekul. Waar ik met die opmerking naartoe wil, is dat je echt het momentum mee hebt. Michael Jackson en zijn film, de NASA-reis naar de achterkant van de maan, de besnijdenissen en de bijhorende orale zuigingscrisis in Antwerpen,... om nog maar de hele Midden-Oostencrisis niet te noemen. Alles aan De Maanwandelaar is plots razend actueel.
Spruyt: “Ik vind het heel bizar, want het is allemaal geschreven vóór die gebeurtenissen. Nu heb ik echt schrik hoe het verhaal geïnterpreteerd zal worden in functie van de toestanden in Gaza en bij uitbreiding het hele Midden-Oosten. De tekst is geschreven vóór de aanslagen van Hamas. Ik besef vandaag wel dat je De Maanwandelaar daar niet meer los van kan lezen. Maar ik ben er zelf nog niet uit wat ik daarvan moet denken.”
Je neemt toch geen standpunt in? Je haalt alles aan en de lezer moet beslissen, toch? Een situatie is voor mij vaak een uitloper van verschillende ethische filosofieën. Zo voel ik het toch aan.
Spruyt: “Dat zegt dan nog altijd niks van hoe het boek zich verhoudt ten opzichte van dat conflict. Zien mijn lezers het als een commentaar daarop, of net niet? En... in hoeverre wil ik De Maanwandelaar zelf zien als een commentaar daarop? Ik weet het niet. Ik heb al enkele interviews achter de rug en jij bent de eerste die er niet onmiddellijk over begint. Dat vind ik goed, maar ik vrees dat ik niet aan alle Gaza-vragen zal kunnen ontsnappen. Ik denk dat ik pas door interviews te geven zelf een beeld zal krijgen van wat ik eigenlijk op die vragen wil antwoorden. Want nogmaals, vandaag weet ik het zelf nog niet goed. (lacht plots) Ik had zelf nog niet stilgestaan bij die orale zuiging. Daar had ik zelf nog niet aan gedacht.”
Maar echt, als je het allemaal op een rijtje zet, lijkt het precies of je het allemaal in een paar weken hebt getekend en geschreven.
Spruyt: “Het is gewoon profetisch. Alles wat ik schrijf, komt uit. (lacht) Ik ben een profeet.” (bulderlach)
Ik heb mijn titel. Dankjewel!
Spruyt: “Bij Junker had ik dat ook! Strips maken duurt zo belachelijk lang. Je begint daaraan en op het moment dat het verschijnt, weet je niet meer wat er ondertussen allemaal gebeurd is. Junker verscheen dan compleet toevallig in 2014, exact honderd jaar na de start van de Eerste Wereldoorlog. Ook toen leek het alsof ik keihard inspeelde op het actuele moment. Maar dat was het niet! Ik vond het zelfs jammer dat er toen zoveel strips rond de Eerste Wereldoorlog verschenen. Met De Tamboer van Borodino had ik dat ook. Er waren overal Napoleon-herdenkingen en wat later valt Rusland Oekraïne binnen. Dus de hele geschiedenis werd plots razend actueel.”
Er zit echt wel een profeet in jou. Misschien ben jij de uitverkorene?
Spruyt: (grijns)
Ik kom nog eens terug op het spanningsveld commercieel en artistiek. Bijna al je covers zijn identiek. Een personage dat je aankijkt, maar wel klein in beeld gebracht en omringd door heel veel randzaken. Ze vallen onmiddellijk op door hun eigenheid, maar ze — dat is puur mijn persoonlijk gevoel — pakten me niet direct. Met de cover van De Maanwandelaar heb je me wel helemaal gewonnen. Wat vind jij belangrijk aan een cover?
Spruyt: “Een cover hangt heel erg af van het moment. Ik had albums waar ik al van meet af aan de cover in mijn hoofd had. Bij anderen had ik al het manuscript ingediend en had ik nog altijd geen idee wat er op de cover moest komen. De Tamboer van Borodino was zo’n verschrikking. Welk beeld moest ik daar nu op plakken? Op dat moment begint een uitgever vaak voorstellen te maken. En dan begin je samen ruwe schetsen te maken die stilaan de juiste richting uitgaan. Soms komt het in een flits, maar bij De Tamboer kwam dit idee maar niet. Bij De Maanwandelaar is dat iets vlotter gegaan, met nadruk op 'iets'. Het basisidee had ik snel. Met een grote godin op de achtergrond, een straal die naar beneden kwam en een karavaan die richting die straal trekt. Dat stond al vast. Maar ik heb er verschillende gemaakt die meer en minder uitgezoomd waren. Alleen vond de uitgever die niet goed. Ik maakte dan nog enkele totaal andere voorstellen, maar ook die sloegen niet aan bij de uitgeverij. Ik bleef echter overtuigd van het oorspronkelijke idee en ben daar toch op blijven werken. Uiteindelijk heb ik nog wat verder uitgezoomd en wat kleuren aangepast. En plots was hij er! De uitgever was er ook direct voor gewonnen.”
Het is dan ook een hele sterke cover.
Spruyt: “Als je de juiste schets hebt, is het grote werk eigenlijk al klaar. Op een dag is zo’n cover dan helemaal afgewerkt. Een cover maken, doe ik eigenlijk altijd met de billen toe. Dat is zo’n belangrijk beeld. Een beeld dat voor altijd aan een boek gaat plakken! In je binnenwerk ben je veel vrijer. Je weet dat elk vakje maar een van de vele vakjes is.”
Los van een Dragon Dragon-cover, zet je altijd je personage heel klein op de cover. Zoglu, de tamboer, Bouvaert, SGF,... Ze kijken je wel aan, maar ze zijn altijd een klein onderdeeltje van een groter, overheersend decor.
Spruyt: “Dat heeft te maken met de thema's van die verhalen. Het zijn allemaal personages die zichzelf verliezen in een groter verhaal en er zelfs door onderdrukt worden. Bij Junker door de sociale druk, bij Bouvaert door zijn eigen belachelijke ambitie en in Papa Zuglu is Zoglu de speelbal van de structuur van mijn verhaal die hem altijd naar andere plaatsen stuurt. Mijn hoofdpersonages zijn geen standaardhelden met een sterke vrije wil die zelf hun lot bepalen. Ze worden vooral meegesleept door alles rond hen.”
Waarom heb je Bouvaert eigenlijk niet Rubens genoemd? Dat opende toch direct een heel nieuw lezerspubliek?
Spruyt: “Omdat het Rubens niet is. (lacht) Het begin en de gezinssituatie zijn zeker geïnspireerd op zijn leven. Het einde en de dood ook wel wat. Maar ja... Ach, ik heb het verhaal van Rubens gebruikt als een kapstok voor mijn eigen verhaal. Ik wilde vooral werken rond het thema van het paradoxaal encomium (een paradoxaal encomium of ironische lofrede is een lofrede of elegie op een persoon, zaak of eigenschap die juist helemaal niet lofwaardig is, red). Wat is echt waardevol en wat is banaal?”
Bijna elke strip die je maakt, wordt overladen met prijzen of nominaties. Even een lukrake selectie: De Bamburgers (Stripschappenning), SGF (Stripvos beste album, Knack Focus Stripstrijd), Junker (Willy Vandersteenprijs), Bouvaert (Prix Prince Alexandre de Belgique), De Tamboer van Borodino (Prix Wolinkski, nominatie Grand Prix de la Critique ACBD, officiële selectie van het stripfestival van Angoulême), De Ruiterlijke Confessies van Dragon Dragon deel 2 (Brusselse Atomiumprijs). Hoe belangrijk zijn die voor je?
Spruyt: “Prijzen zorgen voor publiciteit en dit is vooral voor Frankrijk heel belangrijk! Zonder de Franse markt zou ik al lang gestopt zijn met strips te maken. Het is wel een moeilijke markt. Persgewijs moet je er ergens binnenraken en prijzen helpen om je boek in de aandacht te brengen. Alleen is veel pers nog geen garantie voor een prima verkoop. Voor het Belgische Le Lombard is de Franse markt, naast de Waalse markt, essentieel. Ik kan niet klagen. Ik heb in Frankrijk meer aandacht en waardering dan in Vlaanderen. Op dat vlak zit het voorlopig nog wel goed, maar ik blijf hierin wel voorzichtig.”
Is je naam dan een voor- of nadeel?
Spruyt: “Dat is altijd een grappig onderdeel in elk interview. Zeker op de radio is het dan van 'Sproeit' of zoiets.”
Och, het klinkt nog altijd beter dan Zlatan Magazurski, je pseudoniem voor je allereerste stripjes in Zone 02!
Spruyt: “Dat is al heel lang geleden! En gelukkig maar.”