Terug naar overzicht

Ever Meulen

“Ik wou Blake zijn! Ik had vroeger blond haar en ik kamde dat naar achteren. Niemand deed dat toen nog, maar zo was ik Blake."

9 november 2021 Plateninterviews
door Wouter Porteman — © foto's: Wouter Porteman
 

Ever Meulen is een gelukkige zeventiger die nog volop actief is. Onlangs gaf het luxemodemerk Louis Vuitton een magnifiek mooi reisdagboek uit in hun Travel Book-collectie. Voor deze collectie leveren gerenommeerde, internationale tekenaars een uniek reisboek. In honderdtwintig illustraties biedt Ever Meulen een fraaie blik van de Belgische hoofdstad. Sindsdien krijgt de tekenaar geen rust nu hij van overal ter wereld nieuwe voorstellen en verzoeken krijgt. Voor Stripspeciaalzaak.be nam hij uitgebreid de tijd zodat hij nog eens over strips kon babbelen aan de hand van pagina's uit diverse stripverhalen.

We staan voor een elegant rijhuis uit de jaren 1950, ergens in de Brusselse rand. Op de deurbel staat een prachtig vormgegeven letter E. Zijn handtekening. Yes! Lichtjes euforisch,  bellen we aan. “Is dat vandaag? Oei, ik moet binnen een half uur naar een andere afspraak. Maar kom binnen. Je klinkt precies West-Vlaams? Vanwaar ben je? Geboren in Ieper! Mo ven toh. Ik oik hé. Ik zin van Kuurne. Das nie verre, heé. Als kleine snotaap reed ik vaak met mijn fietske naar Dikkebus en die andere dorpjes rondom Ieper. Ik spreek hier nu van de jaren 1950, maar kom mar deure.”

Voorzichtig stappeen we binnen in het huis van Ever Meulen. De 75-jarige Eddy Vermeulen was en is nog steeds het grafische uithangbord van het weekblad Humo. Tot 3 december kan je in de Antwerpse Galerij Campo & Campo het beste van zijn vijftig jaar werk voor het weekblad bewonderen. Straffe kost waarin je zijn grafische evolutie ziet van Robert Crumb-adept over de Klare Lijn tot de unieke signatuur die hij vandaag heeft. Even verwonderlijk is zijn Brussels Travel Book voor Louis Vuitton. De toeristische dienst van Brussel mag Ever Meulen eeuwig dankbaar zijn voor zoveel schoonheid. Bovendien bulkt het van de cameo’s van klassieke striphelden. Alle ingrediënten voor een groot plateninterview zijn aanwezig.

We volgen Ever Meulen naar zijn atelier in de nok van het huis. Onderweg worden we lyrisch. Het hele huis is een grote ode aan de prachtige lijnen en interieurs van de atoomjaren. Waarom zijn we geen lifestylejournalist? Over elk hoekje, elk meubelstuk, elk detail is nagedacht. Er lijkt geen anomalie te bespeuren. Zijn favoriete steunkleur, machinegroen of Seafoam Green (Pantone 556C), is alom aanwezig. Het geeft het vintage-interieur een zalige rust en zorgt ervoor dat anders gekleurde voorwerpen en tekeningen extra geaccentueerd zijn. Het moet geweldig wonen zijn in dit bewoond museum.

Maar we zijn hier voor een keihard interview. Over strips. Over het belang van strips. Over zijn invloed. De toekomst. Enzovoort. Wat initieel bedoeld was als een strak geregisseerd gesprek — we hadden maar een halfuurtje — valt al na enkele minuten in het water. We geven ons dan al over aan Evers vertelritme en meanderen genietend mee op de warme tonen en gesmaakte anekdotes van onze gastheer. Het halfuurtje wordt al snel meer. De urgente afspraak wordt een paar uur opgeschoven. En ook die zal bijna niet gehaald worden. Na bijna twee uur moeten we abrupt het interview stoppen. Enkele platen zijn nog niet becommentarieerd. Een stijlvolle zucht ontsnapt de meester: “Allez, ik begon net op dreef te komen”.

Laten we beginnen bij het begin. Ever Meulen schenkt ons een glaasje spuitwater in. Uit een flesje met een groen etiket, of wat had je gedacht. We spreidden onze selectie uit over zijn tekentafel.

Robbedoes en Kwabbernoot 10: Het Masker der Stilte en de Super Quick (André Franquin + Maurice Rosy)

Ever: “De Quick-garage! Die bestaat dus echt. Dat is vandaag een Brico en een schoenenwinkel in de Vanderkinderestraat in Ukkel. Het gebouw valt vandaag nog nauwelijks op." (Lees ook dit artikel

 

In uw Louis Vuitton-reisboek hebt u Franquins tekening geactualiseerd. Er staan nu nog meer grapjes in dan in de originele tekening. Bent u de echte koning van die kleine subverhaaltjes?

Ever: (onverstoorbaar) "Zie je die GM? Voor Franquin was dit de afkorting van Genial Motors. Mijn tekening gaat inderdaad verder waar Franquin stopte. De Tarbot draait de garage in. De garagist die binnen ging met een blik olie, krijgt het ding nu naar zijn kop geworpen. De verliefde kerel steekt zijn hoofd uit het raam. Ik heb natuurlijk veel geleerd van die oude rakkers. Hergé, Jacobs, Franquin,... dat waren mijn voorbeelden. Ik was een echte Kuifje-man. Van het weekblad, hé! Ik verslond het. Mijn tante had een boekenwinkeltje. Voor we zelf een abonnement hadden, ging ik daar elke woensdagmorgen heen om Kuifje te lezen. Ons Volkske las ik thuis, want daar hadden we een abonnement van. Strips zelf hadden we thuis niet. Maar de hoofdonderwijzer van mijn school had een bibliotheek met daarin alle strips van Le Lombard. Niet van Robbedoes en co., want dat was niet educatief genoeg. Blake en Mortimer was voor hem wel heel deugdzaam. Kuifje vond hij goed gemaakt en educatief, want zoals De Zwarte Rotsen, gebaseerd op de werkelijkheid. Die gestuurde focus op het Le Lombard-fonds heeft zeker mijn beeld over strips gevormd. Franquin heb ik maar leren kennen via Ton en Tinneke. Ik ben pas veel later in contact gekomen met het stripblad Robbedoes. Niet erg. Het weekblad lag me minder. Franquin vond ik super. En Morris! Ja, Lucky Luke vond ik echt geestig. Ik heb nooit iets gehad met cowboys maar Morris was een geweldig goede tekenaar. Ik ben pas achteraf te weten gekomen dat ook hij van Kortrijk was. Ik heb altijd gedacht dat hij een Franstalige Brusselaar was. Veel later kwam ik hem tegen op een Nederlands festival en die man sprak geweun plat West-Vloams." (lacht)

Uw werk straalt vandaag volop de guitigheid uit die Franquin ook had. Neigt u vandaag meer naar zijn werk dan naar Hergé?

Ever: “Absoluut. Hergé was eigenlijk maar een saaie mens, hé. Stop! Ik druk me verkeerd uit. Hergé was meer gedisciplineerd, terwijl Franquin echt de artiest was. Wat een virtuoze tekenaar was dat! Hoe die man auto’s kon tekenen... Hij is een van de beste autotekenaars ooit geweest. Alles kon die man tekenen. Alles... Oorspronkelijk tekende hij ook nog de Starter-rubriek (waarin nieuwe wagens werden voorgesteld, nvdr) in Robbedoes. Later heeft Jidéhem die rubriek overgenomen. Franquin heeft eigenlijk veel te veel gewerkt. Wat een productie had die man. Eigenlijk werkten die grote namen van toen enorm veel. Kijk maar naar Willy Vandersteen. Hoeveel strips heeft die man niet gemaakt? Vandersteen was wel niet zo’n natuurtalent als Franquin. Hij had ook minder artistieke ambities. Ik vond hem altijd meer een verhalenverteller dan een volbloed tekenaar. Maar ook dat werkte! Doordat zijn tekeningen er soms wat 'mottig' uitzagen, versterkten ze net het scenario. De relatie tussen Vandersteen en Kuifje… dat is ook zo’n boeiend verhaal. Heel die kliek rond Hergé waren enorm gedisciplineerde mensen. Vandersteen was daar eigenlijk niet zo graag gezien omdat hij te slordig was."

 

De blauwe reeks (de Suske en Wiske-albums die Vandersteen voor het weekblad Kuifje maakte) is toch geen prutswerk?

Ever: “Dat was zeer zeker het betere werk."

 

Het Spaanse spook doemt ook op in uw Vuittontekening van de Grote Markt.

Ever: “Ik heb die strip als kind verslonden. Elke keer ik het Brusselse stadhuis zie, denk ik aan het verhaal Het Spaanse Spook. Die moest in het boek! Het spook en het stadhuis horen onlosmakelijk bij elkaar."

Suske en Wiske komen vaak terug in uw werk. Het boek Het Beste uit Humo opende met een maffe Ons Volkske-parodie. Geweldig toch!

Ever: “Ik ben daar vandaag een beetje verlegen over. Guy Mortier (de hoofdredacteur van Humo tussen 1969 en 2003, nvdr) vroeg me ooit om hierop een persiflage te maken. Een echte stuf-strip. Dat was toen hét modewoord hiervoor. In die tekening vind je wel een heel deel van mijn jeugdlectuur terug. Ik las geen Jules Verne, maar wel Suske en Wiske, Kuifje en Ons Volkske,... Dat was mijn jeugd, mijn hele inspiratie! De zottigheid die daarin zat, vind je zeker terug in de tekening. Ik zie dat je ook nog een Piet Peuk hebt meegebracht, maar die strip vind ik artistiek beneden mijn niveau. Guy kon daar nochtans heel hard om lachen. Ach, dat waren gewoon dwaze mopjes om de Humo vrolijk, studentikoos en rebels te houden. Met die insteek heeft hij wel een heel nieuw publiek voor het tijdschrift gewonnen."

 

Je kocht de Humo toen ook omwille van het grafische. U was het boegbeeld, maar er stond ook werk in van Joost Swarte, Kamagurka,...

Ever: “Ik publiceerde er voor het eerst in januari 1971. Daarvoor werkte ik enkele maanden voor Mimo, het Franstalige zusterblad van Humo. Maar de hoofdredacteur, Johan Anthierens, was geen fan van mijn werk. Hij zei me letterlijk dat hij niet hield van de manier waarop ik tekende. Op een dag ging ik bij Dupuis een verdieping hoger — of lager, dat weet ik niet meer — en stapte binnen bij Guy Mortier. Die riep onmiddellijk dat hij me nodig had. Hij gaf me al na enkele minuten een opdracht mee. De volgende dag gaf ik mijn werk af. Hij was heel enthousiast en ik mocht direct een nieuwe tekening maken. Ik was vertrokken. Ja, met Guy was het direct 'koekenbak'. Ik kon plots leven van mijn tekeningetjes. Ook al werd ik immens slecht betaald. (lacht) Oh ja, iedereen bij Humo werd toen slecht betaald, Guy ook. Gelukkig heeft hij zijn reputatie en succes wel kunnen verzilveren met de bijhorende vergoeding. Ook ik kreeg mettertijd een passend honorarium voor mijn werk. Dat is allemaal goedgekomen."

 

Ik heb de grafische split in Humo altijd intrigerend gevonden. Enerzijds vond je er de grote illustratoren, zoals Joost Swarte en u. Anderzijds waren er ook de impulstekeningen van Kamagurka. Maar beiden waren wel symbool van Humo. Wat vindt u daarvan?

Ever: “Kamagurka! Wat een talent. Op een dag stond er een snotaap van 14 of 15 jaar aan mijn voordeur. Dat gastje had zijn tekeningen mee en hij zei: “Eddddie aaaaje”. Ja, platter kan West-Vlaams niet gesproken worden. (giert het uit)Eddddie aaaaje, gie tjekent vor Tante Leny uit Holland. Kan je mijn tekeningetjes er eens tonen?” Ik doorbladerde zijn map en vond het allemaal heel plezant. Het was ondanks dat het wel heel snel getekend was, toen al opvallend goed. Ik dacht bij mezelf dat Mortier dat eens moest zien. Ik toonde hem wat tekeningen en Guy was er meteen voor gewonnen."

 

Hebt u Kama dan nog voorgesteld in Nederland?

Ever: “Nee. (lacht) Ik heb Kamagurka gezegd dat hij naar Mortier van de Humo moest gaan. Waarop Kamagurka zei: 'De Humo, wat is dat?' (lacht) We zijn er dan samen naartoe gereden. En de rest is geschiedenis. Joost Swarte, bij wie ik soms logeerde als ik in Amsterdam of Haarlem was, is er dan later nog bijgekomen. Plots hadden we daar een grafische bende die mee het tijdschrift kleur gaf. Ken je eigenlijk Tante Leny en de opvolger Tante Leny presenteert?"

 

Nee. Hier moet ik passen.

Ever: “Dat was een undergroundblaadje uit de jaren 1970 van tekenaar Ever Geradts. Zijn vrouw heette Leny Zwalve. Tante Leny dus. Onder meer Joost Swarte, Theo van den Boogaard, Mark Smeets en ikzelf publiceerden daarin. Het was zo alternatief dat we er niet voor betaald werden. Vriendendienstjes dus. Veel van wat niet in Humo raakte, publiceerde ik daarin. De rest werd opgevuld met strips van Crumb en co. Ik ging in die tijd speciaal naar Amsterdam om daar al die undergroundstrips te kopen. Hier vond je dat niet.

 

Ever staat op een stapt naar een impressionante boekenkast — de inhoud daarvan is een interview op zich waard — en haalt daar fluks enkele undergroundstrips uit. Voorzichtig opent hij het beduimeld krantenpapier en laat me kennis maken met nog nooit gezien werk van Robert Crumb, The Freak Brothers en co.

 

Even terug naar de Humo-tekenaars. Hebt u Jan Bosschaert er ook geïntroduceerd?

Ever: “Nee. Jan zat ook in Sint-Lucas, maar was van een jongere generatie. Ik heb hem nog gekend, maar hij zat toen pas in zijn eerste jaar. Jan Bosschaert was wel het grootste talent van zijn lichting. Er waren er nog goede bij, maar die maakten meer muziek dan iets anders. Als ze weer eens optraden, was ik daar wel stiekem jaloers op. Ik heb altijd zanger willen worden. Maar dat is een heel ander verhaal. (lacht) Jan was echt een goede tekenaar. Guy Mortier had ook daar behoefte aan als er eens iets meer realistisch getekend moest worden. Ikzelf kon op dat moment echt niet meer volgen. Ik werd steeds meer gevraagd in Nederland en heel veel in Frankrijk. Via via raakte mijn werk immers bekend in Parijs waardoor ik steeds meer voor de Franse markt mocht tekenen. Het stopte niet meer. Later kwam ik nog in contact met Maus-tekenaar Art Spiegelman waardoor ik ook in Raw publiceerde."

 

Jeroom is nu de grafische man van het weekblad.

Ever: “Ik heb nog een vijftiental jaar, een dag per week, lesgegeven aan Sint-Lucas in Gent. Jeroom was een van mijn leerlingen. Grafisch was hij niet het allergrootste talent, maar hij had wel een geweldig gevoel voor humor. Bovendien weet hij goed wat hij kan en niet kan. Hij verzamelde toen al oude tijdschriften waarmee hij via Photoshop aan de slag ging. Zijn databank was toen al indrukwekkend."

Beatrice (Joris Mertens)

Ever: “Wie is dit? Dit ken ik totaal niet. Joris Mertens, zegt u? Dit schrijf ik even op. Die naam is me onbekend."

 

Dit komt uit zijn vorig jaar verschenen debuutalbum Beatrice. Het won direct een pak prijzen. Het verhaal speelt zich af in een soort fictief Brussel. Ik heb deze plaat erin gestopt omwille van de warmte van de kleuren. U werkt de laatste tijd steeds meer met kleurpotloden.

Ever: “Dat klopt. Voor het Vuittonboek heb ik gekozen om te werken met kleurpotloden. Het is de eerste keer dat ik die gebruik voor iets wat gedrukt moet worden. Ik kies altijd het medium in functie van de druktechniek. Illustraties, boekomslagen, affiches,... alles wordt gedrukt. Vroeger was dat soms erbarmelijk. Als je een lijn tekende, moest je die inkten zodat die clean en 100% zwart zou zijn. Anders had je geen contrast genoeg in de reproductie. Al mijn tekeningen zijn in potlood getekend en daarna geïnkt. Zonde, hé? Gelukkig kunnen ze vandaag perfect potlood drukken zonder kwaliteitsverlies. Het ziet er soms beter uit dan in het echt. (lacht) De eerste Humo-covers in kleur waren een absolute ramp. Ik was altijd ongelukkig als ik het resultaat zag. Altijd! Als het origineel terugkwam van de drukkerij, legde ik beide naast elkaar. Ja, dan was het vaak slikken. Maar we hadden het over kleurpotloden. Potlood is echt mijn materiaal. Maar vraag me niet om vlakken in te kleuren met potloodjes. Dat is me een beetje te amateuristisch. (grijnst) Met kleurpotloodjes netjes binnen de lijntjes kleuren, komt allesbehalve serieus en professioneel over. Dat kan echt niet."

 

U werkte dus nooit direct in inkt?

Ever: "Nee. Mijn tekeningen maak ik tot op vandaag altijd met potlood. Ik ben lineair opgegroeid. Tijdens mijn jeugd werd ik verliefd op de Belgische stripverhalen. De klassiekers liggen hier voor me uitgestald. Je bent trouwens nog Jean Gratons Michel Vaillant vergeten! Ik tekende die allemaal na. In potlood. Ook als ik realistische tekeningen maakte, probeerde ik heel lineair te werken. En dan word je ouder en kom je in Sint-Lucas terecht. Daar moest je alles wat met strips te maken had, afzweren. Dat was toen beneden het artistieke niveau van de kunstopleiding. Gelukkig kwam ik er al snel in contact met werk van de Amerikaanse cartoonist Saul Steinberg. Die man had een totaal nieuwe grafiek die toch nog zeer lineair was. Zijn eerste boek heette All in Line (1945). Dat moet je echt eens opzoeken. Steinbergs manier van tekenen heeft een geweldige impact gehad op mijn manier van tekenen. Hij was mijn grote voorbeeld. Ook binnen de kunstschool gold hij als het voorbeeld van de moderne grafiek. Hij deed ook ontzettend veel experimentele dingen op papier. Dat boeide me enorm. Saul Steinberg heeft me geleerd om steeds verder te evolueren en je grafiek te vernieuwen. Je mag je nooit vervelen tijdens je werk!"

 

Uw stijl voor Humo evolueerde ook voortdurend. Is het daarom dat u voor Humo steeds meer collages begon te maken?

Ever: “Min of meer. Dat was natuurlijk in functie van het tijdschrift. Humo moest en moet het hebben van bekende mensen die goed scoren op televisie. Heel vaak kreeg ik een foto in mijn schoot geworpen waar iets mee moest gebeuren. Een collage ligt dan voor de hand. Guy Mortier wou altijd origineel uit de hoek komen. Hij had een hekel om gewoon een portret als cover te gebruiken. Er moest iets meer te zien zijn. De Humo was de Libelle niet. (lacht) Zo zocht ik meestal naar een wat banale foto waar ik dan iets grappigs aan toevoegde."

 

In Galerij Campo & Campo hangt een hele mooie collage van koning Boudewijn en koningin Fabiola.Ever: “Bijvoorbeeld. Het koningspaar poseerde netjes in hun kadertje en ik voegde er dan hun benen, de afwas en een stofzuiger aan toe. Dat doorsnee huiselijk tafereeltje contrasteerde mooi met de koninklijke uitstraling."

Was dat toen geen majesteitsschennis?

Ever: “Hm, even nadenken... Nee. Ik heb er alleszins niets van vernomen. Eenmaal heb ik premier Paul Vanden Boeynants een ooglapje gegeven. Zo eentje die de beruchte Israelische minister van Defensie Moshe Dajan droeg. Vanden Boeynants heeft daar toen sympathiek op gereageerd. Hij vond dat best geestig. De meeste mensen vonden mijn grapjes best oké. Dat hoorde ook bij de ambiance van de Humo van toen. Guy Mortier en de eerste lichting journalisten als Piet Piryns, Herman De Coninck, Guido Van Meir, Daan Delannoy,... Dat was een stevige bende. Zeg maar een 'zottekot'. Ach, het was zo geestig om daar te zijn. Dat swingde daar... Dat waren allemaal oud-studentjes van de KULeuven die elke week met volle ambiance een tijdschrift maakten. Ik kwam daar bij als iemand die kon tekenen. Guy had mij nodig en ik vulde hen prima aan. (mijmert) Die studentikoze ambiance was voor mij zeer, zeer belangrijk. Guy liet mensen vrij, maar inspireerde ook enorm. Soms stuurde hij me naar huis met de opdracht: 'zoek iets’, maar even vaak overlaadde hij me met talloze opties."

 

U zat dan met een deadline. Waarschijnlijk leverde u dan uw werk in een paar uur voor die verstreek...

Ever: “Zeg gerust een paar minuten." (lacht)

 

Guy had dan geen keuze om uw werk aan te nemen. Dat vertrouwen moet enorm geweest zijn.

Ever: “Ja, maar de communicatie was ook heel goed. Guy is ook snel een echte vriend geworden. Ik kwam vaak bij hem thuis, toen nog in Dilbeek, om de covers te bespreken. Die waren heel belangrijk voor Guy, want in tegenstelling tot Knack moest Humo het vooral hebben van de losse verkoop in de krantenwinkels. In het weekend kwamen we dan samen en zochten we naar ideeën. Dat was allemaal heel amateuristisch. We zaten dan in de zetel of op de chauffage en dan maar brainstormen. Je zal het altijd zien. Bij Guy thuis lagen ook nooit de foto’s die we uiteindelijk zouden gebruiken. (lacht) Maar al bij al lukte die creatieve fase wel goed. Er was een soort spirit waardoor we snel op één lijn zaten. En dan begon ik te tekenen. Bij een collage tekende ik eerst de extra’s en de maandagmorgen voegden ze er dan snel de juiste foto aan toe. Dan werd dit eventjes gepresenteerd aan Guy om dan met een koerier naar Dupuis Marcinelle bij Charleroi gereden te worden. Tegen maandagmiddag moest de cover binnen zijn om dan in de namiddag gedrukt te worden. Het was altijd deadlinestress. Altijd! In mijn boek Honderd Humocovers staan een heleboel van die tekeningen."

Robbedoes (Yves Chaland)

Ever: “Chaland! Yves Chaland. Het is moeilijk om daarnaast te kijken. Yves Chaland was zo’n talentvolle tekenaar. Die had het gewoon. Die had het. Helaas is hij veel te vroeg overleden in een auto-ongeluk. Hij kon een van de allergrootste striptekenaars geworden zijn. Hij was verzot op Brussel, de Belgische strip en specifiek op alles wat bij Dupuis verscheen. Hij kon die klassiekers ook brengen op zijn manier. Dat was toen zeer vernieuwend! Chaland stimuleerde mij. Meer nog, hij inspireerde me volop. Hij toonde grafische dingen die ik ook al weer wat vergeten was. Was ik zelf ambitieuzer geweest om strips te maken en verhalen te vertellen, dan zou ik ongetwijfeld heel dicht aanleunen bij het werk van Yves Chaland. Maar ik sloeg toen een ander pad in. Ik wou meer en meer tekenaar zijn, los van het verhaaltje."

 

Hebt u daar vandaag spijt van?

Ever: “Oh, nee! Zeker niet! Ik weet wat striptekenaars moeten presteren in moeilijke omstandigheden. Ik heb altijd tekeningen gemaakt tegen een deadline. Tegen onmogelijke deadlines. (lacht) Maar strips tekenen is een totaal andere discipline die nog veel meer moeilijkheden meebrengt die moeten overwonnen worden. Ik heb geen spijt van mijn keuze. Ik was ook totaal geen verhalenverteller."

 

Chaland is toch ook meer een tekenaar dan een scenarist?

Ever: “Die verhalen waren inderdaad niet zo goed, maar hij compenseerde dit ruimschoots met zijn tekeningen. Hij was veel jonger dan ik, maar we kwamen echt goed overeen. Hij is hier nog een paar keer op bezoek geweest, samen met Serge Clerc en Ted Benoît. Die nieuwe Parijse garde was oprecht geïnteresseerd in wat toen gebeurde met de Belgische strip door Joost, mezelf en nog een paar anderen. Voor die jonge gasten was ik de grote meneer. (lacht) De link met Chaland blijft ook vandaag nog overeind. Ik was vorige maand eregast op Les Rencontres Chaland in het Franse Nérac, een fijne stad ergens onder Bordeaux. Ik heb er een mooie overzichtstentoonstelling gekregen. Een gedeelte van mijn werk is nu op tournee in Frankrijk en in Antwerpen."

 

Hoort uw werk niet stilaan thuis in een museum?

Ever: “Ik droom daar eigenlijk van. Euh... Ik heb daar eigenlijk nog nooit over gedroomd. (lacht) Ik dagdroom daar dus van." (stilte)

In het Vuittonboek pakt u uit met de stripmuren van De Kat en Clifton. Heeft men u al gevraagd voor een stripmuur?

Ever: “Maar die heb ik al. Ergens op de zijgevel van een speelpleintje in de Molenstraat van Sint-Joost-Ten-Node."

 

Ow... Sorry.

Ever: “Niet erg. Hij staat ook niet op de lijst van de officiële Brusselse stripmuren in Brussel, en is dus is hij inderdaad niet zo bekend. Zij werken met een lijstje van striptekenaars die gevraagd werden om een tekening voor een muur te maken. Ik hoorde daar als illustrator niet bij. Maar de gemeente Schaarbeek vroeg een goede twintig jaar geleden, aan mij om een blinde muur aan te kleden. Ik denk dat de tekening nog steeds mooi zichtbaar is."

Blake en Mortimer: De Laatste Farao (François Schuiten + Jaco van Dormael en Thomas Gunzig)

In uw Vuittonboek zien we veel cameo’s van stripfiguren. Robbedoes, Kuifje, Nero,... maar ook Mortimer die met een parachute boven de basiliek van Koekelberg zweeft. U verwijst expliciet naar De Laatste Farao van Schuiten. Ik wist niet dat u nog de stripactualiteit volgde.

Ever: “François is de laatste tijd een beetje een vriend geworden. Ik heb dan zijn strip gekocht en heel graag gelezen. Ik was zelfs enthousiast. De samenwerking met Laurent Durieux voor de inkleuring was echt een meerwaarde. Die broers maken technisch straffe dingen."

 

Uw werk is iets typisch Belgisch. Er zit iets surrealistisch in en altijd met een kwinkslag.

Ever: “Het is inderdaad iets heel anders dan het werk van François Schuiten. Ik ben zo serieus niet. (lacht) Ik was vroeger niet zo’n fan van zijn werk, maar die waardering is er wel met de jaren gekomen. Die waardering is trouwens wederzijds. We kennen elkaar ook steeds beter. Ik zag hem en de broers Durieux gisteravond nog op de vernissage van zijn nieuwe expo in galerij Champaka. Schuiten is enorm populair. In de Brusselse bourgeoisie is hij echt wel een grote meneer. Hij is God voor hen. Die hele Brusselse scene heeft mijn Vuittonboek echt omhelsd. Iedereen wil me de laatste tijd spreken. Ik zei het gisteravond nog tegen mijn vrouw. Ik word nu toch echt door iedereen graag gezien."

 

Was Schuiten niet boos op u? Hij mocht ook een Travel Book tekenen, maar zijn twee favoriete steden zijn al gepasseerd. Brecht Evens heeft Parijs in beeld gebracht en u Brussel.

Ever: “Hij heeft nu een verzonnen stad op Mars getekend. Het is wat vreemd. Het zijn allemaal fictieve tekeningen op een planeet waar niets gebeurt. Het idee is wel goed, maar het is voor mij allemaal wat te bizar."

 

In veel tekeningen in uw boek gebruikt u lege tekstballonnen. Wat was daar de bedoeling van?

Ever: “Er staan honderdtwintig tekeningen over Brussel in. Brussel is de hoofdstad van het Europese stripverhaal. De link naar die unieke positie van de stad moest er absoluut in. Vandaar die tekstballonnen die in elke tekening opduiken. Er is nog een running gag in het boek. Heb je die gezien?"

 

Euh... de vliegtuigen?

Ever: “Ja! Op bijna elke prent heb ik een vliegtuig getekend. We wonen niet zo ver van de luchthaven van Zaventem. Het is hier heel rustig, wat residentieel wonen. Maar afhankelijk van de wind krijgen we wel veel vliegtuigen over ons dak. Niet dat ik er enorm veel last van heb, maar dat nachtelijk vliegtuiglawaai is wel vervelend. Weet je... ik hou enorm van vliegtuigen. Ze zijn zo leuk om te tekenen. Alleen jammer dat ze zoveel lawaai maken."

 

De Travel Books zijn echte hebbedingetjes. Nicolas de Crécy trok ervoor naar Mexico. Jiro Taniguchi tekende Venetië. Lorenzo Mattotti koos Vietnam. Waarom hebt u eigenlijk Brussel als thema gekozen voor een reisboek?

Ever: “Ik mocht kiezen wat ik wou. Ik moest alleen een boek maken over een grote stad. Dat mocht Tokio, Sao Paulo, of zomaar een plaats in Zuid-Amerika zijn. Ik was volledig vrij. Ik mocht ook naar die stad reizen om er mijn tekeningen te maken. Maar ik reis niet graag. (lacht) Ik ben een thuiszitter. Honderdtwintig tekeningen maken over een stad, je kan dat snel doen door enkele weken efkens een schetsje te maken en die dan thuis wat definitiever uit te werken. De meeste van die boeken zijn zo gemaakt. Dat is ook normaal, want het budget laat niet veel meer toe. Maar voor mij blijft die aanpak een oppervlakkige interpretatie van een stad. Ik had echt de ambitie om iets te doen over Brussel. Sinds de jaren 1960 woon ik hier. Ooit aangespoeld als West-Vlaamse student leerde ik er mijn vrouw, die van Anderlecht is, kennen. Ik ben hier gebleven. Ik blijf Brussel zeer interessant, exotisch en steeds verrassend vinden. Honderdtwintig tekeningen is niet niks, maar ik ken het hier. Er waren zoveel plaatsen die ik altijd al eens wou tekenen, en nu — mede door corona — viel alles netjes samen. Elke zondagochtend reed ik met mijn zestig jaar oude Chevrolet Corvair door een rustig Brussel. Mijn vrouw maakte foto’s van de gebouwen en ik schetste er een merkwaardig hoekje of invalshoek. Het was een heel toffe opdracht. Brussel is een complexe stad met heel veel verschillende architectuurstijlen. Sommige plekken smeken om er een compositie van te maken."

 

Als je het boek doorbladert, krijg je echt zin om op reis te gaan in Brussel. Ik ken de Brusselse binnenstad best goed, maar u hebt er enkele plaatsen getekend die ik absoluut in levenden lijve wil zien.Ever: “Dat doet me plezier."

Ik ga straks eens rijden naar het huis van Robbedoes. Ik heb altijd gedacht dat dit een verzinsel was van Franquin.

Ever: (lacht) “Dat is ook niet echt! Iedereen trapt daarin. Ik kan me wel voorstellen waar dat huis zou gelegen zijn. Ik heb het gesitueerd waar Franquin woonde, aan de zuidkant van Elsene. Het huisje kijkt uit op een typische Brusselse betonnen hoogbouwblok. Maar ook die bestaat niet! Aan de linkerkant komt het Atomium piepen en aan rechterkant zie je een stukje van de Grote Markt en het Justitiepaleis. Dat zicht kan dus niet. (lacht) Het is allemaal niet juist. Het bestaat allemaal wel ergens, want het hoort bij de stad. Maar ook dit grapje is Brussel. Het is even authentiek als de andere prenten."

 

Uw Atomium is bijna een levend personage. Het wringt zich overal tussen.

Ever: (lacht) "Die bollen staan ook nooit juist. Het zijn er ook nooit negen. Tekenen is voor mij een spel. Honderdtwintig tekeningen zijn honderdtwintig variaties waarbij je met alle bestaande elementen kan spelen. Ook al heb je een hoofdthema zoals het Jubelpark, dan nog begin ik met de omgevingselementen te spelen. Ik ken ook de voor- en achterkant van al die gebouwen. En als je het even niet weet, zoek ik het op in mijn documentatie. En als ik het echt niet meer weet, vind je alles online. Ik hou ervan om zo te werken."

Blake en Mortimer: Het Geheim van de Zwaardvis (Edgar P. Jacobs)

Ever: “Als ik dat hier zie... Dat is zo mooi. Het Geheim van de Zwaardvis heb ik als kind verslonden. Dat heeft zoveel indruk op me gemaakt. De wereld was toen ook een beetje anders. In de jaren 1950 was de oorlog nog heel actueel in het wereldbeeld. Je had enerzijds de gruwelverhalen, maar anderzijds werd er ook steeds meer bekend over de Duitse techniek en hun experimenten op het gebied van raketten. Wernher von Braun en zo. Dat interesseerde veel jonge mensen en ikzelf mateloos. Edgar P. Jacobs wist perfect dat gevoel van toen vast te leggen. Kijk! Zie hier hoe gracieus de Zwaardvis onder water vaart om dan straks in volle kracht boven te komen. Dat was toen en is vandaag nog altijd indrukwekkend. De Zwaardvis is zo’n fantastisch verhaal bomvol techniek. Dan heb je nog Olrik! Ach... Wat een personage! En Blake! Blake! De held! (mijmert) Ik had het niet voor Mortimer. Die professor was me te slim. Ik wou Blake zijn! Ik had vroeger blond haar en ik kamde dat naar achteren. Niemand deed dat toen nog, maar zo was ik Blake. Van zodra het lukte, liet ik ook een snorretje staan. Ik wou echt Blake zijn. En ik was al bleek van vel. (bulderlach) Ik ben altijd een bleekscheet geweest."

 

De originele pagina wordt momenteel tentoongesteld in de boeiende expo 75 jaar Blake en Mortimer in het Brusselse Stripmuseum. Als je de echte inkleuring vergelijkt met dit drukwerk, dan is het even slikken.

Ever: “Dat drukwerk van toen, hé... Jacobs was echt een specialist van kleuren. Als kleine jongen was ik niet zo geïnteresseerd in kleur, maar Jacobs verraste me in Het Geheim van de Zwaardvis met een geweldige zonsondergang in mauve en oranje. Ik zou nooit denken aan die kleuren. Je kon in alles merken dat Jacobs academisch klassiek geschoold was. Hij wist welke kleuren sfeer brengen en bij elkaar horen. Kijk ook eens hoe hij de Zwaardvis draait en keert op die pagina. Je merkt duidelijk dat Jacobs een schaalmodel heeft gemaakt en het hier volop heeft gebruikt. Technisch is dit fantastisch. Maar de grootste kracht van die pagina is zijn vertelkunst. Die is zeer suggestief! Kijk eens naar dat middelste prentje hoe de Zwaardvis naar die sluis toe vaart. Je ziet het zo gebeuren. Prachtig. (neemt nogmaals de pagina vast) Jacobs was ook een perfectionist. Dat fascineerde me echt. Het was ook grafisch zo goed. Hij interpreteerde de pure realiteit in een zuivere, grafische stijl. Die composities zijn ook zo sterk. Een onderbelichte kant van het werk van Jacobs is zijn kracht van de zwarte vlakken. De dramatiek van een zwart vlak werkt enorm goed in tekeningen. Dat heb ik allemaal van hem geleerd. Hergé gebruikt dit niet zo vaak. Vergelijk dit eens met die tekening van Kuifje die hier ligt. Nauwelijks zwart, hé. Geef mij maar Jacobs."

 

De curator van de expo zei me bij de opening van de expo dat het middelste prentje van de Zwaardvis die naar de sluis vaart, een eerbetoon is aan Jacobs’ verleden als operazanger. Hij zag er een metafoor in van een zanger die de scène opstapt, in de volle spotlights.

Ever: “Oei. Dat is een beetje ver gezocht. Ik moet echt naar die expo. Ik ben er nog niet geraakt, maar het staat op mijn agenda."

 

De pagina is ook verticaal gespiegeld. Als je de pagina verticaal in twee plooit, zijn de prenten elkaar spiegelbeeld.

Ever: “Juist. Nu zie ik het."

 

Doet u soms ook zo’n spielereien?

Ever: “Natuurlijk. Tekenen is een spel. Maar voor Jacobs was het waarschijnlijk een serieuzer spel dan wat ik doe. Het waren ook andere tijden en andere onderwerpen. Dit was een heel ernstig verhaal in de nadagen van de oorlog. (pakt nogmaals de pagina vast) Ik kan het niet genoeg herhalen. Dit was echt technisch zo goed gedaan! Kijk eens naar die onderwatertekening met de twee sluizen en de vissen. Dat is allemaal zo juist. Ik stond daar met zo’n grote ogen naar te kijken. Dit was perfect gedocumenteerd! En ook nog eens geweldig getekend. Alles bij Jacobs is ook elegantie. In het onderste prentje houdt die soldaat zijn verrekijker heel elegant vast. En kijk eens naar die hand van Olrik. Klasse in het heetst van de strijd."

 

Hij was ooit illustrator van modeboeken. Vandaar zou de snit van de broeken die zijn helden dragen, steeds onberispelijk zijn.

Ever: “Dat klopt. Aan zo’n dingen kan je zien dat hij geen amateur was. Hij was een van de weinige striptekenaars die in het vak zat toen hij strips begon te maken. Willy Vandersteen en Hergé waren eerder doe-het-zelvers. Ook de Roba’s en de Peyo’s waren autodidacten. Maar Jacobs stak boven iedereen uit. Het leek me ook gewoon een fijne man te zijn. Ik kan me voorstellen dat, ondanks de ernst van een album als De Zwaardvis, Jacobs een echte bon-vivant en bourgondiër was. Hij zong in de opera — ik zing ook graag. Ik lijk er fysiek helemaal niet op, maar toch stel ik me graag voor dat ik er mentaal wel op lijk. (lacht) Wat ik persoonlijk ook heel tof vind, is dat Hergé en Jacobs hier in de buurt woonden toen ze hun beste strips maakten. Jacobs woonde wat verder op een appartementje toen hij er zijn Het Mysterie van de Grote Piramide tekende. Later is hij dan verhuisd naar Waals-Brabant."

 

Hebt u hen ooit ontmoet?

Ever: “Nee. Ik ben hier pas komen wonen in 1967. Zij hebben hier gewerkt net na de oorlog. Hergé heb ik wel twee keer ontmoet. Eén keer was dit samen met Joost Swarte in zijn bureau op de Louisalaan. Ik was niet zo verslingerd om op bezoek te gaan bij bekende mensen en zeker niet bij mijn grote voorbeelden. Ik zag hun werk graag, maar al die anekdotes interesseren me voor geen moer. Als ik wil weten hoe ze het doen, teken ik liever hun werk na. Zo leer je het meest. Alles wat ik vandaag teken, heb ik ooit nagetekend. Auto’s tekende ik bijvoorbeeld na vanuit de Kuifje- en Robbedoes-tijdschriften. De Starter-rubriek van Robbedoes was bekend, maar ook in Kuifje stond iets soortgelijks. Ik ben altijd gek geweest op wagens. In de jaren 1950 was dat een fenomeen dat jonge mensen enorm aansprak. Vandaag is net het omgekeerde aan de gang."

 

De wagens waren toen ook veel mooier dan nu. Ik ken niet veel van wagens maar ik bezocht onlangs de expo van Mahy in Gent...

Ever: “Heb je die gezien?! Die was geweldig, hé? Het was een kleine selectie van wagens, maar zo perfect gepresenteerd. Ik heb er eindelijk mijn eerste Delaunays gezien. Zo mooi! Die belichting was ook af. Hoe ze bijvoorbeeld het ongelofelijke silhouet van de Tatra naar voor hebben gebracht. Die vin op de wagen kwam zo mooi uit. Knap hoor!"

De Tatra, de beruchte SS-killer!

Ever: “Die anekdote kende ik al, want ik weet wel het een en ander van auto’s. De Duitsers waren Tsjechoslowakije binnengevallen. In Praag was de Tatra toen dé wagen. Dat was een luchtgekoelde V8. Maar doordat die heel sterke motor achterin zat, was de wegligging niet bijster goed. Je moest weten hoe je daarmee moest rijden. Die Duitse SS-officieren wisten dat niet en gaven graag plankgas. Ze vlogen dan uit de bocht en velen zijn verongelukt. De legende wil dat er meer Duitse SS-officieren zijn gestorven door Tatra’s dan in de oorlog zelf." (lacht)

 

Terug naar de strips. Uw Humo-cover met de vliegende vleugel is een van de mooiste stukken op de Campo-expo. Dit is toch overduidelijk gebaseerd op Olriks Rode Vleugel?

Ever: “Ja en nee. Dit is ook een echt vliegtuig, de Northrop B-35. Jacobs heeft niet alles uitgevonden. Hij heeft ‘m alleen rood geschilderd. Ik vond dat een van de strafste vliegtuigen ooit. Mijn versie is nog de versie met propellers. Later hebben ze er nog een straaljager van gemaakt."

Deze cover is zo’n technisch perfecte tekening en u relativeert die onmiddellijk door er de hoofdjes van Buck Danny en co. bij te plaatsen.

Ever: (lacht) "Buck Danny was een van de boegbeelden van Robbedoes. En Humo was een onderdeel van Dupuis. Dus het was logisch dat ik Buck Danny op de cover plaatste. Ik heb de tekening gemaakt naar aanleiding van een nieuwe Humo-serie over experimentele vliegtuigen. Je weet wel, die speciale stratosfeervliegtuigen waar Buck Danny het al over had met zijn X-15-album. De cover is gebaseerd op het boek The Right Stuff van Tom Wolfe dat Humo ooit voorpubliceerde. Een paar jaar later is de film uitgekomen."

 

Om het helemaal te relativeren, hangt u er nog een rood tankwagentje aan.

Ever: (lacht) "Toch een mooi verhaaltje, hé? Het vliegtuig is pas opgestegen en de tankwagen hangt er nog aan. Dit was vooraf helemaal niet gepland. Kijk, je maakt eerst de compositie. Je weet waar het Humo-logo en de hoofdtekst, 'de ware broederschap', moet komen. Dat staat al snel vast. En hier links had ik nog een gaatje. Ideaal voor dit grapje. Zo was alles goed gevuld."

 

Zo’n cover kan je toch niet in weekend voor elkaar krijgen?

Ever: “Dit is een van de weinige covers waarbij ik de deadline niet gehaald heb. Dit kan je niet op twee dagen, maar ik heb aan deze echt voortdurend gewerkt. Dag én nacht. Hard doorwerken. Ik kon dat toen. Ik werkte ook graag ’s nachts. Het is dan ook rustiger en ik kan me zo beter concentreren. Omdat ik me zo amuseerde met het tekenen, was ik ook niet moe. Dat was echt een mooie opdracht. Als kind wou ik striptekenaar worden, maar toen ik afstudeerde aan Sint-Lucas lag mijn focus op het illustratiewerk. Ik wou geen verhalen meer tekenen, maar wel een tekening maken die een verhaal vertelde. Een goede cover of een poster maken, was mijn grafische uitdaging die ik met plezier aanging. Bij Humo kon ik gelukkig worden door te doen wat ik het liefste deed, en dat was tekenen. Ik mag echt niet te veel klagen."

 

Tekende u liever posters dan de TTT-rubriekjes? (De TTT-rubriek uit 1961 was een van de populairste Humo-rubrieken en verzamelde alle muzieknieuws. TTT stond voor Tieners Toppers Treffers.)

Ever: “Nee. De TTT-hoofdingen waren een zeer leuke bezigheid. Ik had daar een absolute vrijheid om te mogen tekenen wat ik wou, op voorwaarde dat er drie letters T in voorkwamen. Het waren vaak echte zoekprentjes waarbij de lezers extra lang stilstonden. Als graficus vond ik dat geweldig. Dat heb ik zeer graag gedaan. Een cover is altijd wel ergens een compromis tussen het artistieke en het commerciële."

De Avonturen van Kuifje: De Zonnetempel (Hergé)

In uw werk komt Kuifje prominent naar voren. Er staat altijd wel ergens een personage op met een kuif. En als u een hond tekent, is het altijd een spierwitte ruwharige Foxterriër. Dat is me iets te veel toeval.

Ever: (lacht) "Je overdrijft wat. Zoals veel kinderen, wou ik vroeger Kuifje zijn. Dat was mijn jeugdheld. Kuifje prikkelde de fantasie. Je speelde die verhalen ook na. Ik was niet zo ondernemend als Kuifje, maar ik voelde me er wel heel nauw bij betrokken. Ik ben wat gechoqueerd als mensen weinig voelen voor Kuifje. Voor mij is Kuifje het begin van alles."

 

Ik heb deze Kuifje-pagina ertussen gestopt omdat de eerste prent een voorbeeld is van de gulden snede. Als je er een Fibonacci-krul op legt, waarbij je start met de vallende Haddock en Kuifje, dan eindigt de spiraal op de lege troon.

Ever: “Is dat zo? Het zou wel kunnen. Ik let daar helemaal niet op. Dat zijn te slimme dingen voor mij. Ik wil nogmaals nadruk leggen op de manier waarop ik werk. Die is veel speelser. Impulsiever. Het leven is niet zo ernstig. Je moet er iets van maken en dat kan perfect door ook wat plezier te maken. Plezier maken hoort ook bij mijn karakter. Mijn vader was echt een plezante mens. Mijn broer zaliger was dat ook. Ik was meer een stille jongen. Ik leek meer op mijn moeder. Ook fysiek. Ik was een bleekscheet die hetzelfde witte, schriele pinnekeshaar van zijn moeder had. Mijn vader en broer waren donkerder van huid en hadden stevig zwart bekhaar (golvend haar, nvdr). We waren precies Blake en Olrik. Toen ik Mortimer leerde kennen, herkende ik daar mijn broer in. Fysiek en qua humor. Ik ben zeker weer wat aan het afwijken, hé?" (lacht)

In uw Vuittonboek is Kuifje overal. Neem nu de havenpagina die zo weggelopen lijkt uit De Krab met De Gulden Scharen.

Ever: “Zoals ik al een paar keer zei, ben ik steeds op zoek naar vrolijkheid in een tekening. Zie je hoe de schouw van de Karaboudjan zich neerlegt om onder de brug te komen? En Zonnebloems haaienduikboot in het kanaal? Op veel prenten heb ik ook een berg getekend met daarop een huisje. Dat is mijn eerbetoon aan Pieter Breughel en het Pajottenland dat Brussel omringt. Dat moet toch kunnen?! Het moet allemaal niet zo ernstig zijn."

 

En we hebben onze kop boven het interview! Dank u wel!

 

Brussels is het drieëntwintigste Travel Book van Louis Vuitton en is geïllustreerd door Ever Meulen. Het hardcoverboek telt 168 pagina's en kost 45 euro.

Tot 3 december kan je in de Antwerpse galerie Campo & Campo terecht voor Humo 4 Ever, een uitgebreide overzichtsexpo met originelen die Ever Meulen de afgelopen vijftig jaar voor het weekblad Humo maakte. Klik hier voor alle praktische info.