1 of 263
Uitgeverij Dupuis door de ogen van een Duitse pers- en censuurofficier (1940-1941)
Onderstaand artikel is geschreven door Sébastien Baudart (Liberas).
Werd tijdens de zomer van 1940 bij uitgeverij Dupuis de volledige gedrukte oplage van nummer 20 van het weekblad Spirou vernietigd? Dat is toch wat de Duitse pers- en censuurofficier Burckas op 12 augustus 1940 vanuit Charleroi aan de Propaganda-Staffel in Brussel liet weten.
Duitse rapporten
Bij gebrek aan archiefmateriaal moeten striphistorici zich vaak behelpen met wat tekenaars, uitgevers en andere betrokken figuren in interviews vertellen over hun carrières, hun collega’s, hun uitgevers en het striplandschap in het algemeen. Al zijn er gelukkig uitzonderingen, met als een van de recente geslaagde voorbeelden het werk van Jérôme Dupuis over de Lombard Collectie (Les Secrets de la Collection du Lombard, uitgegeven bij PLG), dat gebruik kon maken van onder andere archiefmateriaal van Raymond Leblanc (bewaard door de Association Raymond Leblanc), René Goscinny (Institut René Goscinny) en de drukkerijpoot van uitgeverij Casterman (Rijksarchief Doornik).
Het is altijd interessant wanneer bruikbaar archiefmateriaal opduikt, en dat gebeurt soms onverwachts. Bij het doornemen van archief van de Propaganda-Abteilung uit de collectie van CegeSoma (in het kader van een ander onderzoek naar de krant Het Laatste Nieuws tijdens de Tweede Wereldoorlog) botste ik op enkele doorslagen van rapporten die de Duitse militaire pers- en censuurofficier Burckas aan zijn oversten stuurde. Rapporten die toch wel een interessante blik werpen op de heropstart van Les Bonnes Soirées, De Haardvriend, Spirou en Robbedoes door uitgeverij Dupuis tijdens de zomer van 1940.
In het verlengde van de Duitse inval in België op 10 mei 1940 en de daaropvolgende bezetting van het land werd een militaire bezettingsadministratie uitgerold, met als voornaamste taken het gebied te besturen samen met de op post gebleven lokale autoriteiten, er de orde te bewaken en het in te schakelen voor de Duitse oorlogseconomie. Het controleren van de Belgische pers kwam in handen van de in Brussel gevestigde Propaganda-Staffel B (vanaf november 1940 Propaganda-Abteilung Belgien), met vertakkingen in andere Belgische steden. Vanaf eind mei kwamen kranten en tijdschriften geleidelijk aan weer van de persen, al dan niet uitgegeven door hun rechtmatige eigenaars, en met diverse gradaties van autonomie. Vele Belgen geloofden toen, tijdens de zomer van 1940, dat de oorlog verloren was. Bovendien gedroegen veel Duitse functionarissen, die niet allemaal nazi-aanhangers waren, zich in deze beginfase van de bezetting op een zeer correcte manier tegenover de Belgische verantwoordelijken die ze ontmoetten. Voor uitgevers was een heropstart van hun publicaties een kans om de band met hun publiek te herstellen en hun personeel opnieuw aan het werk te zetten.
De Burckas die de hoger vermelde rapporten schreef, was (zeker vanaf eind juni 1940, misschien iets vroeger) als pers- en censuurofficier verbonden aan Oberfeldkommandantur 520 in Charleroi en had onder andere als taak om in zijn werkingsgebied de uitgeverijen op te volgen, met als belangrijkste cases de kranten Journal de Charleroi en Gazette de Charleroi, en de in Marcinelle gevestigde uitgeverij Dupuis. Burckas, die het Frans machtig was, bemande op zijn eentje de dienst die uiteindelijk de Aussenstelle Charleroi van de Propaganda-Abteilung Belgien zou worden. Tot mei 1941 bleef de dienst op één persoon draaien, zodat, zo stelt een rapport uit mei 1941, "het werk zich dus moest beperken tot censuur en propagandistische opvolging van zaken waarbij een zo groot mogelijke invloed mogelijk was."
Uitgeverij J. Dupuis, Fils & Cie / J. Dupuis, Zonen & Co
Op het moment van de Duitse inval in België gaf de katholiek geïnspireerde en door Jean Dupuis (1875-1952) opgerichte uitgeverij-drukkerij J. Dupuis, Fils & Cie ook romans uit, maar ze was vooral actief met het uitgeven van Franstalige en Nederlandstalige weekbladen, met verspreiding over heel België en Noord-Frankrijk. Naast haar vestiging in Marcinelle had de uitgeverij voor haar Vlaamse uitgaven onder de naam J. Dupuis, Zonen & Co ook een adres in de Antwerpse Ommeganckstraat.
Zowel het op vrouwen gerichte romanweekblad Les Bonnes Soirées (april 1922), het algemeen-humoristische weekblad (met radioprogramma’s) Le Moustique (november 1924) als het recentere kinderweekblad Spirou (april 1938) hadden elk een Nederlandstalige tegenhanger: De Haardvriend (mei 1934), Humoradio (februari 1936) en Robbedoes (oktober 1938), die verschenen onder leiding van Jean Dupuis’ Nederlandse schoonzoon René Matthews (1906-1993). Ook zonen Paul (1907-1990) en Charles (1918-2002) Dupuis werden respectievelijk vanaf het einde van de jaren 1920 en het einde van de jaren 1930 nauw betrokken bij het bedrijf.
Advertentie naar aanleiding van de start van Spirou, gepubliceerd in Les Bonnes Soirées van 24 april 1938. Bron: gallica.bnf.fr / BnF.
Spirou en Robbedoes waren op dat moment duidelijk kinderweekbladen en geen stripweekbladen. In de nummers van 9 mei 1940 (nummer 19 voor Spirou, nummer 29/aflevering 81 in de afwijkende Robbedoes-nummering), de laatste die voor de Duitse bezetting in de handel kwamen, namen de strips bijvoorbeeld ‘slechts’ 9,5 op 20 pagina’s in voor Spirou en 7,5 op 16 pagina’s voor Robbedoes. Het opzet van de weekbladen was niet enkel ontspannend, maar ook opvoedend. In het voorwoord van het eerste nummer van Spirou in april 1938 benadrukte de uitgever de nood aan een geïllustreerd tijdschrift uit eigen land (als reactie tegen de vele geïmporteerde Franse tijdschriften), met een Belgische inhoud, om voor het Belgische publiek een echt educatief en patriottisch effect te kunnen hebben.
Toen de Duitse troepen Charleroi naderden, werden de persen bij Dupuis stilgelegd. Volgens de Burckas-rapporten had het bedrijf op dat moment circa honderdtachtig personeelsleden in dienst, al waren heel wat van hen gemobiliseerd. Jean Dupuis vluchtte naar Frankrijk, met het verlangen in het zuiden zijn activiteiten opnieuw op te starten, maar belandde uiteindelijk voor de hele duur van de oorlog in Engeland. Zonen Paul en Charles waren allebei gemobiliseerd, maar terwijl Charles na de Belgische capitulatie van 28 mei 1940 aan krijgsgevangenschap ontsnapte, kwam Paul pas in januari 1941 vrij na enkele maanden in Duitse Stalags. De net als Jean Dupuis en heel wat andere familieleden gevluchte René Matthews keerde in tegenstelling tot zijn schoonvader wel terug naar huis en nam in een eerste fase, samen met Charles Dupuis, het familiebedrijf feitelijk over. Ze werden daarin onder andere gesteund door ervaren personeelsleden, door de vrouwen van de familie Dupuis en door Spirou-hoofdredacteur Jean Doisy. Na zijn vrijlating kwam ook Paul Dupuis hen vervoegen.
Spirou nummer 19 en het Nederlandstalige equiavelnt Robbedoes nummer 29 van 9 mei 1940.
In zijn rapport van 20 juni 1940, gewijd aan de identificatie van kranten en tijdschriften in de omgeving van Charleroi, lijstte Burckas voor Dupuis de zes "volkstuemlichen Zeitschriften" (te vertalen als populaire tijdschriften of tijdschriften voor het grote publiek) van de uitgeverij op en maakte hij aan de hand van de oplagecijfers hun belang duidelijk: circa 102.000 wekelijkse exemplaren voor Le Moustique, 12.000 voor Humoradio, 110.000 voor Les Bonnes Soirées, 45.000 voor De Haardvriend, 39.000 voor Spirou en 13.000 voor Robbedoes. Voor de romans ("Abentuer, Kriminal, historisch") van de uitgeverij vermeldde Burckas oplages van circa 10.000 à 15.000 exemplaren per maand.
Afgaande op de rapporten die Burckas op 29 juni en 15 juli naar Brussel stuurde, diende Dupuis op 28 juni 1940 een schriftelijke aanvraag in om Les Bonnes Soirées en De Haardvriend opnieuw te laten verschijnen. "Gezien het onschuldige karakter van de productie en de belangstelling ervoor bij het grote publiek, alsmede de beschikbare papiervoorraad [voldoende voor een jaar] en het aantal medewerkers" [van de uitgeverij], adviseerde hij op het publicatieverzoek in te gaan. De Duitse bezetter probeerde toen immers zowel het gewone leven als de situatie van de Belgische pers zo veel mogelijk te normaliseren.
Fragment uit het Burckas-rapport van 29 juni 1940. Afschrift naar origineel bewaard in CegeSoma, "Overtuigingsstukken gevoegd bij de procesbundels betr. gevallen van collaboratie met de bezettende overheden. Deel 1." (Identificatie van de toegang: BE-A0547 / FICINV_2811), nrs. 607-648 (Propaganda Abteilung): nr. 613: briefwisseling van censuurofficier Burckas in Charleroi, 1940-1941. De ontbrekende regeleindes, op de doorslag ontstaan bij het typen het rapport, worden weergegeven zoals op het origineel.
Het ongedateerde antwoord uit Brussel kwam al aan op 3 juli: de heropstart van Dupuis werd goedgekeurd, maar met voorcensuur, wat inhield dat de publicaties vóór verschijnen moesten gecontroleerd en indien nodig gecensureerd worden. Burckas bevestigde de toepassing van de voorcensuur op 7 juli.
Les Bonnes Soirées en De Haardvriend — "volkomen neutrale" romantijdschriften "für junge Mädchen", zoals Burckas op 27 juli schreef — verschenen opnieuw vanaf begin juli 1940, met andere romans in de Franstalige en Vlaamse versie. Terwijl ze gelanceerd werden op respectievelijk 32.000 en 20.000 exemplaren, haalden ze in hun tweede week al 35.000 en 25.000 exemplaren, oplages die tegen half augustus verder opliepen tot 38.000 en 28.000.
Spirou en Robbedoes: spooknummer en heropstart
Na de situatieschets van 20 juni kwamen Spirou en Robbedoes pas opnieuw ter sprake in Burckas’ rapport van 17 juli, zonder bij naam genoemd te worden. De melding luidde dat Dupuis, "zoals eerder aangevraagd’" de publicatie van "der Kinderzeitschrift" wou "opnemen". Dupuis vroeg ook of het "misschien mogelijk zou zijn"’ om via de Propaganda-Staffel een brief naar Parijs te sturen en "eventueel uit Parijs de nodige afbeeldingen voor de kleurenillustraties door tussenkomst van de Staffel naar hier te brengen". Wat, voegde Burckas eraan toe, "natuurlijk alleen geldt zolang de postverbindingen met Frankrijk zijn onderbroken".
Maar de pers- en censuurofficier had ook nog een andere kwestie liggen. Hij liet aan Brussel meteen ook weten dat er nog een gedrukt nummer klaarlag van het "kindertijdschrift", namelijk nummer 20 van 16 mei 1940. Hij voegde het bij zijn rapport met de vraag om te beslissen of het al dan niet verspreid mocht worden. Na telefonisch contact met von Esebeck van de persafdeling van de Propaganda-Staffel in Brussel was er blijkbaar twijfel gerezen over een artikel op pagina 14 dat handelde over de "Jutland-Schlacht", de Slag bij Jutland of Skagerrakschlacht, bekend als de grootste zeeslag uit de Eerste Wereldoorlog. Op 31 mei en 1 juni 1916 kwam het op de Noordzee tot een confrontatie tussen de Duitse en de Britse vloot, waarbij beide kampen zware verliezen leden en elk de overwinning claimden. Het artikel paste in de reeks die de weekbladen op dat moment wekelijks brachten over burgerlijk en militair vliegwezen of marine. Zelf schatte Burckas in dat het waarschijnlijk wel goedgekeurd kon worden.
Fragment uit het Burckas-rapport van 17 juli 1940. Afschrift naar origineel bewaard in CegeSoma, "Overtuigingsstukken gevoegd bij de procesbundels betr. gevallen van collaboratie met de bezettende overheden. Deel 1.’" (Identificatie van de toegang: BE-A0547 / FICINV_2811), nrs. 607-648 (Propaganda Abteilung): nr. 613: briefwisseling van censuurofficier Burckas in Charleroi, 1940-1941.
Maar het liep anders. Uit Burckas’ rapport van 23 juli blijkt zonder verdere uitleg dat "Nr. v.20.5.40 der Zeitschrift Spirou enzustampfen ist", met andere woorden: het gedrukte nummer van Spirou moest vernietigd worden. In latere rapporten is te lezen hoe dit nummer gedrukt werd "voor de oorlog" (of alleszins voor Dupuis haar activiteiten stopzette) en inderdaad bedoeld was om op 16 mei 1940 te verschijnen. Het is onduidelijk of de Robbedoes voor 16 mei ook al gedrukt was. Alleszins: volgens Burckas werd de stock van Spirou nummer 20 ook werkelijk vernietigd: op 12 augustus stuurde hij de bevestiging over de "niet-verkoop en vernietiging" van het nummer naar zijn oversten in Brussel.
Fragment uit het Burckas-rapport van 12 augustus 1940. Afschrift naar origineel bewaard in CegeSoma, "Overtuigingsstukken gevoegd bij de procesbundels betr. gevallen van collaboratie met de bezettende overheden. Deel 1." (Identificatie van de toegang: BE-A0547 / FICINV_2811), nrs. 607-648 (Propaganda Abteilung): nr. 613: briefwisseling van censuurofficier Burckas in Charleroi, 1940-1941.
Van belang is dat de beslissing specifiek ging om het gedrukte nummer met het Jutland-artikel, en niet om Spirou en Robbedoes op zich, waarvoor de plannen gewoon doorgingen. Op 27 juli maakte Burckas al aan Brussel duidelijk dat aan een heropstart van de Kinderzeitschriften gewerkt werd, op 12 augustus kon hij een datum doorgeven: Spirou en Robbedoes zouden — ook weer met voorcensuur — opnieuw erschijnen op 22 augustus. De oplages zouden respectievelijk 28.000 en 10.000 exemplaren bedragen, ongeveer een kwart lager dan de vooroorlogse oplages van 39.000 en 13.000. Terwijl Robbedoes doornummerde (jaargang 2, nummer 30, aflevering 82), telde Spirou de weken zonder publicatie mee om uit te komen bij nummer 34.
In dit nummer van 22 augustus vonden de lezers de vertrouwde inhoud van hun weekblad terug op het gekende vooroorlogse formaat (28 op 40 centimeter), al was dat nu door de omstandigheden slechts op 8 pagina’s in plaats van de vooroorlogse 20 (Spirou) of 16 (Robbedoes) pagina’s. De prijs zakte dan weer van 1 naar 0,75 Belgische frank. In Robbedoes kondigde een "Belangrijk Bericht" op pagina 2 de terugkeer van het weekblad aan "tot groote vreugd van jong en oud", samen met het voornemen om opnieuw op 16 pagina’s te verschijnen van "zoodra al onze medewerkers weer teruggekeerd zullen zijn". In Spirou verscheen een uitgebreidere en speelsere tekst die de lezers onder andere ook opriep tot interactie (door het schrijven van brieven naar de redactie) en tot de heropleving van de Amis de Spirou et de Club Spirou Aviation. Ook hier klonk de intentie om de "vermagerde" Spirou te laten "verdikken", maar dat zou even duren, want "avec le rationnement actuel on ne s’engraisse pas bien vite" (met de huidige rantsoenering kom je niet snel aan).
Naast een vervolgroman en tekstuele rubrieken (die in Spirou en Robbedoes verschillend waren), publiceerde het nummer op circa 5,5 van zijn 8 pagina’s strips, met het vervolg van de eigen producties Les Aventures de Spirou / De Avonturen van Robbedoes (door Rob-Vel), Tif et Tondu / De Baard en de Kale (Fernand Dineur) en Le Grand Voyage de Slache / De Groote reis van Toone (Marcel Antoine), en van de aangekochte verhalen van Dick Tracy (via Trait d’Union Press), Marc Hercule Moderne / Marc, Moderne Hercules (Superman, via de Agence Française de Presse) en Ramenez-les Vivants! / Breng Ze Levend Terug! (laatste aflevering, via Opera Mundi). Enkele redenen zorgden al vanaf de oprichting van Spirou en Robbedoes voor de gewoonte om originele Belgische en Franse producties af te wisselen met Amerikaanse strips: een beperkt aanbod van lokale auteurs, het drukken van de kostprijs (Amerikaanse import was veel goedkoper dan eigen producties) en het aantrekken van lezers door de bekendheid van de Amerikaanse personages. Als de striplezer van de familie leverde Charles Dupuis suggesties voor de selectie.
Van dit eerste bezettingsnummer van Robbedoes bestaan er trouwens twee versies: de ene gedateerd op 16 mei 1940, de datum wanneer het nummer had moeten verschijnen, de andere met datum 22 augustus 1940, wanneer het nummer verscheen. Uit het feit dat het "Belangrijk Bericht" over de terugkeer van het weekblad ook in de exemplaren gedateerd op 16 mei aanwezig is (op pagina 2 en dus op de achterzijde van de cover die de datum bevat), kan men afleiden dat ook deze pas in augustus werden gedrukt. Waarschijnlijk vergat men in de drukkerij in eerste instantie het drukmateriaal van de al klaargemaakte cover van 16 mei aan te passen, en werd de fout tijdens het drukproces rechtgezet.
Spirou nummer 34 en Robbedoes nummer 30 van 22 augustus 1940 met een verschil in redactionele artikelen.
Burckas en de inhoud van Spirou en Robbedoes
In zijn rapport van 30 oktober — er waren ondertussen tien nummers verschenen — gaf Burckas een interessant overzicht van zijn bevindingen over Spirou, en bij uitbreiding Robbedoes. Hij stuurde een (verder niet gespecificeerd) fragment mee naar Brussel, dat volgens hem "overduidelijk anti-Duits" was en waartegen hij bij de uitgeverij bezwaar maakte. Meer dan een stevige waarschuwing zag hij er echter niet in, en al zeker geen aanleiding om Spirou en Robbedoes te verbieden.
Op termijn zou het volgens hem "echter onvermijdelijk zijn om deze jeugdbladen aan te passen om een directe invloed op de Belgische jeugd te kunnen uitoefenen, aangezien uitgeverij Dupuis enkel inspeelt op de primitieve instincten en het avontuurlijke karakter van kinderen, zonder enige waardevolle educatieve missie te vervullen". Dupuis reageerde ook niet op "suggesties ter verbetering" en dacht enkel aan het commerciële aspect, meldde Burckas eind november.
Het viel hem wel op dat zowel Spirou als Robbedoes ondertussen hogere oplages haalden dan vóór de oorlog: op 17 november 1940 ging het om respectievelijk 41.500 en 20.000 exemplaren (tegenover 39.000 en 13.000). En daar lag een groot potentieel. Burckas schreef dan ook dat het "niet raadzaam [leek] om de publicatie stop te zetten, maar eerder om ze te herstructureren om hun propagandistische waarde te benutten". "Misschien zou het verstandig zijn om een Duitse redacteur aan te stellen uit de kringen van de Hitlerjugend-tijdschriften", voegde hij eraan toen, want "de uitgeverij zelf zou waarschijnlijk niet in staat zijn om een dergelijke verandering door te voeren".
Eind oktober werden ze er bij Dupuis ook op gewezen dat ze in Duitsland en België naar vervanging moesten zoeken voor al het materiaal dat ze uit Parijs importeerden, en dat nieuwe contracten met Parijse leveranciers "nicht mehr in Frage kommen". De overgrote meerderheid van het materiaal voor Les Bonnes Soirées kwam uit Parijs, voor De Haardvriend werden wel romans bij Duitse uitgevers aangekocht, zoals Horn Verlag en Aufwärts-Verlag uit Berlijn. Voor Spirou en Robbedoes waren Parijse bedrijven, waaronder Opera Mundi en Trait d’Union Press, belangrijke leveranciers van materiaal uit Frankrijk en de Verenigde Staten, en daar zat soms wel iets tussen dat Burckas als anti-Duits opvatte. Hij gaf een maand later wel eerlijk toe dat het voor de tekeningen niet eenvoudig zou zijn in Duitsland alternatieven te vinden.
Fragment uit het Burckas-rapport van 30 oktober 1940. Afschrift naar origineel bewaard in CegeSoma, "Overtuigingsstukken gevoegd bij de procesbundels betr. gevallen van collaboratie met de bezettende overheden. Deel 1." (Identificatie van de toegang: BE-A0547 / FICINV_2811), nrs. 607-648 (Propaganda Abteilung): nr. 613: briefwisseling van censuurofficier Burckas in Charleroi, 1940-1941.
Deze maatregel tegen Parijse agentschappen moet gezien worden in de context van de ambitie van het Duitse bezettingsbestuur om België, en dan vooral Franstalig België, los te trekken uit de Franse culturele invloedssfeer. Franse culturele import werd bij voorkeur vervangen door lokale producten, of import uit Duitsland en de Germaanse invloedssfeer. Het was een vorm van subtiele beïnvloeding of zachte propaganda. De daaropvolgende maanden nam het aandeel Frans-Amerikaanse import in Spirou en Robbedoes geleidelijk aan af, om plaats te maken voor lokaal werk van Jijé, Joë Ceurvorst, Fernand Vanhamme, en later ook Sirius. Paradoxaal genoeg was het dus de Duitse bezetter die Spirou en Robbedoes (op het vlak van de strips dan toch) Belgischer liet worden dan ze ooit waren geweest.
Opvallend: de via Parijs aangeleverde Amerikaanse producties Dick Tracy (Chester Gould), Superman (Jerry Siegel en Joe Shuster) en Brick Bradford (William Ritt en Clarence Gray) verdwenen eind 1940/begin 1941, net als het eveneens via Parijs komende Bill l’Albatros / Bill de Albatros (Will Sparrow) van de in Oost-Frankrijk geboren Duitser Kurt Kaiser. Langs de andere kant ontsnapten de Amerikaanse reeksen Bob l’Aviateur / Vlieger Bob (Scorchy Smith) van Frank Robbins en Cavalier Rouge / De Roode Ruiter (Red Ryder) van Fred Harman aan de maatregel. Ze bleven aanwezig tot de stopzetting van de weekbladen in september 1943, wat betekent dat ze ook nog eens meer dan anderhalf jaar bleven lopen na de Duitse oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten van december 1941.
De verklaring is waarschijnlijk te zoeken bij de stijl van de verhalen, die ook een blijvend aandachtspunt bleef en mogelijk op termijn zelfs primeerde op de oorsprong. Ook daar lijken de Duitse wensen niet in tegenstelling met wat Dupuis met de lancering van Spirou en Robbedoes ambieerde. Het bezettingsbestuur was er namelijk vooral op uit een hogere morele standaard te stellen. Uit een centraal rapport over de werking van de Propaganda-Abteilung Belgien weten we dat er begin mei 1941 een bijeenkomst plaatsvond met de leidende figuren van de "Belgische kindertijdschriften". De reden: "Deze tijdschriftengroep imiteert nog grotendeels het slechte Amerikaanse voorbeeld en brengt in woord en beeld een lompe roversromantiek over, gebaseerd op moord- en sensatieverhalen, die erop gericht zijn de jeugd vroegtijdig te bederven." De aanwezigen werden daarom "aan de hand van voorbeelden vertrouwd gemaakt met de voorstelling van sagen en sprookjes" uit Duitse kindertijdschriften.
En verder?
In de geraadpleegde dossiers vermeldde Burckas na november 1940 geen inhoudelijke elementen meer over de Dupuis-publicaties. Wel oplagecijfers, die de verdere ontwikkeling van zowel Les Bonnes Soirées, De Haardvriend, Spirou als Robbedoes weergeven. Deze twee laatste bleven spectaculair groeien en verdubbelden tussen begin mei 1940 en mei 1941 hun oplage.
Het laatste gevonden rapport van de Aussenstelle Charleroi over Dupuis, gedateerd op 28 mei 1941, deelde dan weer aan Brussel mee welke keuze uitgeverij Dupuis maakte voor de door de Duitsers opgelegde papierrestricties. Deze moesten namelijk ook een impact hebben op het aantal pagina’s van Spirou en Robbedoes, die op dat moment wekelijks op 12 pagina’s verschenen. Dupuis kreeg de keuze tussen per kwartaal zes nummers van 4 pagina’s en zeven nummers van 8 pagina’s produceren, of Spirou doorlopend 8 pagina’s gunnen maar Robbedoes opheffen. De uitgever, die duidelijk de Vlaamse markt niet wou loslaten, stelde echter de creatieve oplossing voor om beide tijdschriften wekelijks op 6 pagina’s te drukken, wat Burckas als verantwoordelijke van de Aussenstelle aanvaardde omdat ze qua papierverbruik vergelijkbaar was met zijn eerste voorstel en tegelijk "een betere controlemogelijkheid [bood]". De overgang naar 6 pagina’s was maar tijdelijk, vanaf eind juli 1941 koos men voor een verkleining van het formaat van Robbedoes en Spirou naar 20 op 28 centimeter om op die manier op 12 pagina’s te kunnen drukken.
Zoals Christelle en Bertrand Pissavy-Yvernault en Didier Pasamonik het omschrijven in respectievelijk La Véritable Histoire de Spirou en Spirou dans la Tourmente de la Shoah, koos men tijdens de oorlogsjaren bij Dupuis voor een houding die neerkwam op een "kat-en-muisspel met de bezetter". Robbe Schroyens, die voor zijn masterproef geschiedenis aan de KU Leuven Verzet en Censuur in het stripmagazine Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog enkele aspecten van Robbedoes van nabij bestudeerde, spreekt van een "schaduwspel" waarin het blad balancerend manœuvreerde tussen controle en creativiteit, tussen overleven en subtiele tegenstand. Zo moest de uitgeverij zich wel schikken naar bepaalde maatregelen, maar weigerde ze in te gaan op Duitse voorstellen om zich in te kopen in de uitgeverij of een vertegenwoordiging te krijgen in de directie, én op de Duitse vraag om het propagandatijdschrift Signal te drukken. De communistisch gezinde Jean Doisy speelde een actieve rol in het verzet én voerde namens de uitgeverij onderhandelingen met de Propaganda-Abteilung. Le Moustique en Humoradio verscheen ondanks Duitse interesse tijdens de hele oorlog niet. Ondertussen groeiden Spirou en Robbedoes tegen de herfst van 1942 verder naar 152.000 en 44.000 wekelijkse exemplaren.
Met haar verordening van 24 mei 1943 "over het toelaten van dagbladen en tijdschriften" probeerde het bezettingsbestuur, dat ondertussen veel harder en repressiever was geworden dan in de eerste oorlogsmaanden, haar controle op de pers te vergroten en het aantal publicaties te verminderen. Kranten en tijdschriften die vanaf 1 augustus wilden blijven verschijnen moesten een nieuwe toelating aanvragen. Vooral dwarsliggers en publicaties zonder propagandistisch nut werden geviseerd. Spirou en Robbedoes kregen deze nieuwe toelating niet, maar wel even uitstel dankzij de constructieve werkrelatie tussen de Dupuisverantwoordelijken en Franz Kreft van de Propaganda-Abteilung. Op 2 september 1943 viel dan toch het doek en verschenen de laatste oorlogsnummers van beide weekbladen, al probeerde Dupuis het kat-en-muisspel nog even te rekken door het concept van Spirou en Robbedoes te laten voortleven in de als boeken gepresenteerde L'Espiègle au Grand Cœur / Jeugdalbum (september 1943) en Almanach Spirou 1944 / Robbedoes Almanak 1944 (december 1943).
De verordening van 24 mei 1943 in het Verordnungsblatt des Militärbefehlshabers in Belgien und Nordfrankreich […] van 26 mei 1943 (fragment). Bron gallica.bnf.fr / BnF.
L'Espiègle au Grand Cœur / Jeugdalbum (september 1943) en Almanach Spirou 1944 / Robbedoes Almanak 1944 (december 1943).
Aangezien de ambitie van dit artikel niet verder reikte dan een gecontextualiseerde voorstelling te geven van de Burckas-rapporten, stopt dit verhaal hier. Enkele, meer dan vijfentachtig jaar oude, velletjes doorslagpapier uit de typmachine van een Duitse pers- en censuurofficier konden nog wat extra inzichten toevoegen aan het werk dat de voorbije jaren al is verricht naar de oorlogsgeschiedenis van uitgeverij Dupuis. En door het verder combineren van archiefmateriaal, eerder onderzoek, getuigenissen en de publicaties van de uitgeverij valt er ook in de toekomst nog wel wat te ontdekken en te onderzoeken.
Noot 1: Het "spooknummer" 20 van Spirou bevindt zich niet in het geraadpleegde dossier, dat vooral bestaat uit de doorslagen van de uitgaande brieven van de Aussenstelle Charleroi aan de Propaganda-Staffel/Propaganda-Abteilung in Brussel, en enkele door Charleroi ontvangen brieven. Ook in de archieven van uitgeverij Dupuis is volgens Bertrand Pissavy-Yvernault tot nu toe geen spoor van het nummer te vinden. In zijn Dictionnaire Illustré de la Bande Dessinée Belge sous l'Occupation schrijft Frans Lambeau bij het lemma "Spirou" echter "Il se dit cependant que des exemplaires d’un n° 20 'fantôme' se dissimulent chez quelques collectionneurs" (Er wordt echter gezegd dat er bij enkele verzamelaars exemplaren van een ‘spooknummer’ 20 verborgen liggen)... Werd de oplage dan toch niet volledig vernietigd?
Noot 2: Voor de Hergé-kenners: de Burckas uit dit artikel is meer dan waarschijnlijk dezelfde Burckas tegenover wie Hergé in 1943 net iets te loslippig was over zijn eigen activiteiten en uitgeverij Casterman, zoals Pierre Assouline in zijn biografie aangeeft.
Bronnen
- CegeSoma, Overtuigingsstukken gevoegd bij de procesbundels betr. gevallen van collaboratie met de bezettende overheden. Deel 1. (Identificatie van de toegang: BE-A0547 / FICINV_2811), nrs. 607-648 (Propaganda Abteilung): nr. 613: briefwisseling van censuurofficier Burckas in Charleroi, 1940-1941. | CegeSoma, Propagandalage – und Tätigkeitsbericht vom 1.-15. Mai 1941 van de Propaganda-Abteilung Belgien, 16 mei 1941.
- Advertenties voor De Haardvriend, in: Volk en Staat, 1 en 2 juli 1940: 4.
- Robbedoes en Spirou, 1940-1943. Met dank aan de leden van de Facebookgroep Stripknip voor de hulp rond de dubbele datering van Robbedoes nummer 30 van 16 mei/22 augustus 1940.
- David Amram en Christelle Pissavy-Yvernault, eds., La Véritable Histoire des Éditions Dupuis (Marcinelle: Dupuis, 2024).
- Pierre Assouline, Hergé (Paris: Gallimard (Folio), 1996) 301, 758.
- Sébastien Baudart, HLN 1939-1945 | 5. Belgische kranten voor de Duitse bezetter, in: Liberas Stories. Zie de noten bij dit artikel voor meer bibliografische referenties over het bezettingsbestuur, de Propaganda-Staffel B/Propaganda-Abteilung Belgien, en de heropstart van de Belgische pers.
- Els De Bens, De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944) (Antwerpen: Nederlandsche boekhandel, 1973)
- François Deneyer, Joseph Gillain une Vie de Bohème (Bruxelles: Editions Musée Jijé, 2020).
- Frans Lambeau, Dictionnaire Illustré de la Bande Dessinée Belge sous l'Occupation (Bruxelles: André Versaille, 2013).
- Louis Fortemps, Propaganda-Abteilung Belgien, in: Belgium WWII.
- Sylvain Lesage, Publier la bande dessinée: les éditeurs franco-belges et l’album, 1950-1990 (Villeurbanne: Presses de l’Enssib, 2018).
- Thierry Martens, Le Journal de Spirou 1938-1988. Cinquante Ans d'Histoire(s) (Marcinelle: Dupuis, 1988).
- Didier Pasamonik, Dupuis, Charles, Joseph, Gérard, Ghislain, in: Nouvelle Biographie Nationale Tome 10 (Bruxelles: Académie royale de Belgique, 2010) 170-173.
- Didier Pasamonik (ed.), Spirou dans la Tourmente de la Shoah (Marcinelle/Paris: Dupuis/Mémorial de la Shoah, 2023).
- Bertrand Pissavy-Yvernault en Christelle Pissavy-Yvernault, La Véritable Histoire de Spirou 1937-1946 (Marcinelle: Dupuis, 2013).
- Robbe Schroyens, Horen, Zien en Zwijgen. Verzet en Censuur in het stripmagazine Robbedoes tijdens de Tweede Wereldoorlog (Masterscriptie geschiedenis KU Leuven, 2024-2025)
- bdoubliees.com.
1 of 263