Interview met Bessy- en Bakelandt-scenarist Daniël Jansens uit 1977

30 mei 2026 Flashback

De op 28 oktober 1942 in Leuven geboren Daniël Jansens was zowat de eerste professionele stripscenarist in Vlaanderen. Hij schreef voor Hec Leemans en Jean-Pol met wie hij respectievelijk Bakelandt en Kramikske creëerde, voor Berck (Lombok) en Sirius (Simon de Danser), terwijl andere verhalen werden getekend door diverse tekenaars voor publicaties in onder meer Kuifje en Eppo. Zijn omvangrijkste werk blijven de 289 verhalen die hij tussen 1967 en 1973 voor Bessy heeft geschreven. Ze werden getekend door Karel Verschuere, Willy Vandersteen, Eugeen Goossens, Jeff Broeckx, Patrick van Lierde en Frans Anthonis met inktwerk door Jacky Pals, Ron van Riet, Ann Van de Velde en Walter Laureysens

In 1977 blikte Jansens in een openhartig, scherp en kritisch interview met Humo terug op zijn Bessy-productie. "Grafisch gezien was Bessy beneden alle peil. (...) In zo’n snel tempo kun je gewoon niet goed presteren. Ook mijn scenario’s waren niet altijd 100% goed." Hij had toen al een hartaanval gekregen en diende het rustiger aan te doen om verder te leven met hartproblemen. Maar dat lag niet in zijn natuur, getuige ook de felle uitspraken in onderstaand interview van Leo de Haes in Humo nummer 1945 van 13 december 1977: "Ik ben er zeker van dat Hitler ook een groot liefhebber van Bessy zou geweest zijn" of: "Artistiek stelt Studio Vandersteen niks voor." Zijn voorspelling dat hij jonger zou sterven dan René Goscinny is uitgekomen. Hij overleed op 9 februari 1980 en werd nauwelijks 37 jaar.

België mag dan nooit een Dostojevski of een Shakespeare voortgebracht hebben, op stripgebied zijn we reuzen: Guust Flater, Kuifje, Nero, Suske en Wiske, Lucky Luke en noem maar op. Maar ook in dit hoekje van de “marginale creativiteit” — zoals scenarist Daniël Jansens de stripwereld noemt — vreet de besmettelijke vertrustingsziekte alle zin voor kwaliteit weg. Studio Vandersteen is daar jammer genoeg een pijnlijke illustratie van. Daar worden geen strips meer getekend maar uitgebracht: hoe meer hoe liever. Daniël Jansens, zelf geestelijke vader van de op communautaire problemen geschoeide strip Bakelandt heeft er jaren gewerkt. En gezond is anders.

 

Jansens: “Ik ben heel toevallig in contact met Willy Vandersteen gekomen. Ik had literaire ambities en op een zeker ogenblik hoor ik dat Vandersteen een scenarioschrijver voor zijn Bessy-verhalen zocht. Ik wist in die tijd nauwelijks wat een scenarioschrijver was. Maar goed, ik solliciteer, ik moet een proefscenario schrijven, en dat viel mee. Ik ben dan in januari 1967 begonnen met Bessy en ik heb dat zo’n zes jaar volgehouden. Ik heb het gepresteerd om zomaar eventjes 289 Bessy-verhalen te verzinnen. Je begrijpt dat ik daar helemaal gek van werd. Elke week moest ik een volledig verhaal van 28 bladzijden klaarstomen. In het begin vond ik dat prachtig, want ik was gek op westernverhalen. Ik deed het ook erg professioneel: ik vlooide al mijn westerndocumentatie na, en ik geloof niet dat er iemand in België is, op Morris na misschien, die zo’n grote westernbibliotheek bezit als ik. Ik heb zelfs boeken in het Tsjechisch. In wezen was ik dus een geluksvogel, ik kon mijn eigen interesse enigszins botvieren, maar anderzijds was er het hoge tempo. Ik werkte eigenlijk aan de lopende band, zodat ik weinig tijd had om me in iets te verdiepen. Bovendien was ik naast die mammoetproduktie nog bezig met eigen creaties, zoals bijvoorbeeld Lombok en Gurdieff, een strip over een magiër met een prehistorische knecht, samen met Robbedoes-tekenaar Berck, maar die strip is nooit geworden wat hij had kunnen zijn.”

 

HUMO: Was dat niet frustrerend: elke week een nieuw Bessy-scenario? Dat kan toch nooit goed geweest zijn.

Jansens: “Grafisch gezien was Bessy beneden alle peil, zeker als je artistieke normen hanteert, maar of het ook frustrerend voor de tekenaars is, weet ik niet. Misschien willen ze ook niet anders. Dat is trouwens niet de schuld van die jongens. In zo’n snel tempo kun je gewoon niet goed presteren. Ook mijn scenario’s waren niet altijd 100% goed. De magere kant was dat er op de vier of vijf verhalen één goed had kunnen worden, als het optimaal getekend was.”

 

HUMO: Het schijnt zelfs dat oude Bessy-prentjes in nieuwe albums worden geplaatst, dat er voorgetekende grimmige, vrolijke of slechte smoelen in de studio hangen die steeds weer opnieuw gebruikt worden, dat elke hond in een Vandersteen-album een Bessy is maar met een ander kopie erop geplakt. Een doorgedreven vorm van recyclage dus.

Jansens: “Dat gebeurt overal waar tegen industrieel tempo strips geproduceerd worden. Dat vergoelijkt natuurlijk niets, maar ja, Standaard Uitgeverij, die de boeken van Willy Vandersteen uitgeeft, heeft op zeker moment een contract gekregen met een Duitse uitgeverij en die vroeg iedere week een Bessy-verhaal. Kwaliteit interesseerde ze geen bal, wel kwantiteit. Er werkte dus een team van zo’n vijf à zes tekenaars en één scenarist aan een wekelijkse Bessy. Die grap duurt nog steeds verder, want Bessy verkoopt als de pest. In plaats van een fulltimescenarist werken er nu twee losse scenaristen mee, zodat nog elke week een Bessy-verhaal in Duitsland op de markt komt.”

Eerste deel van de Duitse Bessy uit 1965.

 

HUMO: Wat zien die Duitsers in Bessy?

Jansens: “Geen flauw idee. Ik geloof dat de Duitse kinderziel enorm geroerd wordt door de doorbrave Schotse collie en ze vallen natuurlijk ook voor die afgestofte, propere stijl van de Bessy-verhalen. Ik heb daar rare dingen meegemaakt. De Duitsers hadden bijvoorbeeld iets tegen te veel zwart, tegen teveel schaduwpartijen in de tekening. Dat vonden ze niet geschikt voor kinderen. Na een tijd eisten ze zelfs dat er in Bessy geen soldaten meer zouden voorkomen. Uitgerekend de Duitsers wilden geen uniformen zien! Dat beperkte de mogelijkheden van Bessy enorm. Het grote cliché van het westernverhaal, een bestorming van een fort door 'stoute' indianen, werd daardoor onmogelijk gemaakt. Het ging zelfs zover dat er geen indianen meer in Bessy mochten optreden. Dat vonden ze dan weer racistisch. De Duitsers verzonnen zodanig rare dingen dat je je afvraagt hoe dat mogelijk is. Toen ben ik naar Willy Vandersteen gestapt en ik heb gezegd: wat moet ik nu beginnen? Moet ik Andy al bloempjes plukkend met Bessy aan zijn zij door de wei laten lopen? Toen zijn de Duitsers een beetje bijgedraaid. Trouwens, de Duitsers weten niet wat een goed stripverhaal is, ze hebben helemaal geen striptraditie zoals België of Frankrijk. Ze beschouwen een stripalbum als een doorsnee consumptieartikel en hoe meer het over westerns gaat hoe liever. Daar hebben ze nog enige voeling mee, dankzij Karl May. Hitler bijvoorbeeld verslond Karl May-boeken. Ik ben er zeker van dat Hitler ook een groot liefhebber van Bessy zou geweest zijn.”

 

HUMO: Ook geen fan om mee uit te pakken.

Jansens: “Ach, voor mij was het broodwerk. Artistiek stelt Studio Vandersteen niks voor. Dat is noppes, nihil, drie keer niks, zeker als je het vergelijkt met studio Hergé of met Morris. Anderzijds sta ik er erg dubbelzinnig tegenover. Voor mij persoonlijk is het een leerschool geweest. Ik heb er scenario’s leren schrijven. Het is voor mij zo wel een stageperiode geweest, voor ik begon met het opzetten van eigen producties. Ik durf te zeggen dat als ik evenveel tijd als Morris of Hergé of René Goscinny aan een scenario mag besteden, dat ik dan een even goed Bessy-verhaal zou kunnen afleveren als een Asterix, een Lucky Luke of Kuifje, of om in het genre te blijven als een Jerry Spring.”

Schetsen van Andy en Bessy. Willy Vandersteen had zelf ook een collie die naar de naam Bessy luisterde. Ze diende vaak als model voor de stripversie.

 

HUMO: Bij Studio Vandersteen is het dus meer geldklopperij dan de artisticiteit van het product wat telt?

Jansens: “Geldklopperij is een groot woord, maar het komt er wel op neer. De klant is koning bij Vandersteen. Vraagt de Duitse klant elke week een Bessy, dan krijgt hij die zonder meer. Persoonlijk vind ik Vandersteen een groot mijnheer, in een bepaald opzicht is hij zelfs geniaal en zijn vroegere Suske en Wiskes zijn daar bewijzen voor, maar anderzijds vindt hij dat een stripverhaal niets met kunst te maken heeft, en dat is jammer. Het tragische is dat sinds hij met Studio Vandersteen begonnen is, de kwaliteit van zijn producten finaal omlaag gedonderd is. Ik zeg dat niet met plezier, want uiteindelijk heb ik meer dan zes jaar in de studio gewerkt. Kijk eens, het is een kwestie van optie. De Hergé-situatie is de ideale werksfeer, dat is de droom van elke striptekenaar: om de vijf jaar een nieuw stripverhaal met een knap in elkaar gestoken plot, grafisch mooi verzorgd, onverbeterlijk ingekleurd en met een verkoop in meer dan twintig landen. Studio Vandersteen werkt precies omgekeerd: zo veel en zo vlug mogelijk.”

 

HUMO: En Marc Sleen? De Nero-albums halen ook niet meer het niveau van weleer.

Jansens: “Ik ken Marc Sleen niet, maar als je het mij vraagt, dan is die man het kotsbeu om stripverhalen te tekenen. Dat is mijn persoonlijke indruk. Ik geloof dat hij liever op safari gaat.

Foto 1: Een foto van de Bessy-ploeg uit 1975, na Daniël Jansens bijdrages: Jacques Bakker, Ann Van De Velde, Patrick van Lierde, Hugo Reynaerts, Lucienne van Deun, Ronald Van Riet, Robert Wuyts, Willy Vandersteen, Jeff Broeckx, Walter Laureysens, Jackie Pals, Jan Moens en Eugeen Goossens. Foto 2: Willy Vandersteen met een deel van zijn productie.

 

HUMO: Intussen is stripscenario’s verzinnen voor u uw leven, maar u hebt er al wel een hartinfarct aan overgehouden.”

Jansens: “Dat hartinfarct had niets met mijn werk bij Vandersteen te maken. Veel meer met mijn eigen producties en professionele problemen. Ik hou er trouwens rekening mee dat ik jonger zal sterven dan Goscinny. Een scenarist is een professionele gunfighter: hij staat voortdurend onder spanning. Het is creativiteit op bevel, alsof de SS in je rug staat. Als scenarist ben ik gedoemd om dag na dag creatief te zijn. Tot het volgende hartinfarct. Een scenarist is nu eenmaal geen Louis Couperus, die zich maar af en toe de 'pennenstok”' ter hand hoefde te nemen. Ik mis ook alle zelfrelativering: ik neem mijn zaken veel te veel au sérieux. Ik kan me bijvoorbeeld enorm opwinden als mijn tekenaar, Hector Leemans, eens een minder geïnspireerde dag heeft gehad, ook al mag ik blij zijn dat ik met zo’n tekentalent samenwerk voor mijn eigen strip Bakelandt. En dat is zo met alles. Ik leef onder een verschrikkelijke stress. Je moet trouwens knokken om er te komen, want je krijgt nauwelijks kansen in dat vak. Als er één positief element aan Studio Vandersteen is, dan is dat het feit dat Vandersteen tenminste aan een tiental mensen de kans geeft om in het vak aan de slag te blijven, om als striptekenaar of scenarist je boterham te verdienen. Kijk, de stripsituatie in Vlaanderen is desastreus. Waarom? In heel België zijn er maar twee stripbladen: Spirou en Tintin. Toevallig worden die door twee Franstalige uitgeverijen uitgegeven, die er meteen een Vlaamse vertaling van brengen: Robbedoes en Kuifje. Wil je dus als Vlaming aan de slag, dan moet je in het Frans beginnen. Niet dat ik daar bezwaren tegen heb, maar het vergt toch meer tijd. Ik geloof dat er een enorm grote behoefte bestaat aan een echt Nederlandstalig stripblad, waar jonge talenten terecht kunnen. Ik maak me daar geen illusies over, hoor, de eerste vijf jaar zie ik dat nog niet verschijnen.”

 

HUMO: Kranten publiceren toch ook strips?

Jansens: “De meeste kranten plaatsen hoofdzakelijk 'reprints', vertalingen van buitenlandse strips, en verder zitten de kranten al zo goed als vol. Bij De Standaard moet je niet komen aankloppen met een strip, die hebben Marc Sleen al en Vandersteen. Het is dus één grote ellende voor debutanten. Ik heb nog veel geluk: ik heb in Het Laatste Nieuws de strip Bakelandt lopen. Weet je dat ik een soort witte bizon ben? Ik ben de enige professionele fulltime stripscenarioschrijver — ik zeg niet: tekenaar-scenarioschrijver — in heel België. Ze moesten me eigenlijk in een museum zetten.”

Foto 1: Daniël Jansens als Viking voor een wenskaart. Foto 2: Jansens en Berck in 1969 op een Franstalige aankon diging van hun eerste Lombok-verhaal Lombok en de Goudbaron in Le Soir Jeunesse. Foto 3: Met Jean-Pol creëerde Jansens de komische reeks Kramikske die in 1970 in De Volksmacht startte.

 

HUMO: Die Bakelandt-strip heeft u onlangs de Stripgids-prijs 1977 opgeleverd.

Jansens: “En daarmee is die strip enigszins uit de anonimiteit gehaald, ja. Ik sla die prijs hoog aan, omdat Stripgids geen commerciële maatstaven aanlegt, maar alleen naar kwaliteit kijkt. Bakelandt is in heel wat opzichten een vernieuwing in de Vlaamse stripwereld, tenminste in het enge kader van de klassieke realistische strip. Ik heb het nu niet over avantgardistische toestanden als Kamagurka — bah! — of Ever Meulen. Grafisch is het een nieuwigheid omdat de tekenaar, Hector Leemans, in geen enkel opzicht een epigoon is van Willy Vandersteen. Hij is origineel, zeker wat zijn stijl betreft. Wat het scenario betreft, is het alweer een poging tot vernieuwing. Ik geloof dat ik de Vlaamse strip veel volwassener gemaakt heb. De Fransen zijn begonnen met strips voor volwassenen, maar wat waren dan strips voor blote tieten, maar ik heb de dialoog anders gemaakt, ik tracht te prenten zo filmisch mogelijk te maken, ik documenteer me. Zo heb ik voor het nieuwe Bakelandt-verhaal, De Hel van de Moeren, een wetenschappelijk boek over de Teuten gelezen, dat waren vroeger een soort marktkramers die bijvoorbeeld afgeknipte haren van jonge meisjes gingen opkopen om er later pruiken van te maken enzovoort. Ik heb zelfs horen zeggen dat de directeur van de C&A een afstammeling is van zo’n familie Teuten. Ik bedoel maar: ik stop daar heel veel werk en documentatie in.”

Afbeelding 1: Vroege personagestudies voor Bakelandt uit 1975. Ze kregen allemaal een ander uiterlijk. De vrouw met de zwarte haren was gebaseerd op de historische Zwarte Belle, maar een schets van een roodharig nevenpersonage deed Jansens beslissen om van haar een hoofdpersonage te maken: Rooie Zita. Afbeelding 2: Aankondigingsstrook van 18 oktober 1975 voor het eerste Bakelandt-verhaal De Bloedwet dat op 20 oktober 1975 van start gaat in Het Laatste Nieuws en De Nieuwe Gazet. Afbeelding 3 en 4: DEe orospronkelijke cover van Bakelandt 1: De Bloedwet uit 1978 bij Uitgeverij J. Hoste en voor de ingekleurde heruitgave in 1993 bij Standaard Uitgeverij. Afbeelding 5: Een kort Bakelandt-verhaaltje uit 1977 door Hec Leemans en Daniël Jansens. Leemans verstuurt het als nieuwjaarskaart.

 

HUMO: U beweert dat Bakelandt een vernieuwing is in de stripwereld, maar op mij komt die strip over als bijzonder ouderwets. Een Eric de Noorman-achtig stoer jongensverhaal, of een aftreksel van De Rode Ridder.

Jansens:De Rode Ridder is dan ook het meest geëmancipeerde stripverhaal van Studio Vandersteen. Je vindt daar inderdaad al lekkere dametjes die links en rechts een blote dij laten zien, maar mijn Rooie Zita is toch nog gedurfder. Het lezerspubliek valt er voor op de knieën. En als u zegt dat Bakelandt ouderwets overkomt, dan is dat bewust gedaan. Ik zie het namelijk als een negentiende-eeuws feuilleton. Bakelandt is immers historisch gezien een struikrover van derde categorie, een meeloper, maar omdat hij door een verblijf in het Franse leger  een mondvol soldatenfrans kende, werd hij tijdens een rechtszaak in 1803 in Brugge door de bendeleider aangezien. In mijn strip ga ik nog veel verder: aangezien de klassieke strip een held nodig heeft, heb ik van Bakelandt een romantische rebel gemaakt die het opneemt tegen de Franse bezetter in Vlaanderen. Ik moet wel toegeven dat het thema als dusdanig niet nieuw is. Het is het eeuwige onderwerp: de goeden tegen de slechten. Maar dan wil niet zeggen dat ik binnen de klassieke strip niet naar nieuwe mogelijkheden zoek. Zo las ik onlangs in de krant dat er in Londen drieduizend vossen wonen, in krotten en villawijken. Daar zit een prachtig album in: een stad bedreigd door vossen onder leiding van bijvoorbeeld een toverheks. Magie en geheime krachten worden bij ons nog veel te weinig in stripverhalen gebruikt.”