Steven Dupré
“Aan een baksteen van 1000 bladzijden begin je niet zomaar, aan een strip wel.”
tekst en foto's: Koen Driessens
In het Frans is de stripreeks van de Vlaamse tekenaar Steven Dupré en de Brusselse scenarist Alcante (Didier Swysen) met een derde deel al halfweg, maar in het Nederlands verscheen nu pas het eerste album van De Pilaren van de Aarde, de verstripping van de (letterlijk) monumentale roman uit 1989 van Ken Follett rond de bouw van een kathedraal. Tussen de Kaamelotts door blijft tekenaar Steven Dupré dus nog een aantal jaren hangen in de middeleeuwen: “Die teken ik liever dan mannen in kostuum, kantoorgebouwen en chique auto’s.”
Kunnen we het maken? Nou en of! Zo zijn bouwmeester Tom Builder, zijn (stief)zoon en opvolger Jack en bouwheer prior Philip overtuigd een kathedraal te kunnen bouwen in het twaalfde-eeuwse, door een burgeroorlog verscheurde Engeland, ondanks de tegenkanting van hun bisschop en de lokale graaf-roofridder. In dit eerste deel maken we kennis met de protagonisten en het omvat al een vijfde van de in totaal ruim duizend pagina’s dikke roman.
Steven Dupré (58) is inmiddels al met het vierde van de zes geplande delen bezig. “We proberen elk deel te eindigen op een dramatisch moment in het boek. In het eerste album is dat de verovering van het kasteel van de vorige graaf. Deel 5 zal wat dikker worden, omdat het slot van deel 4 in het verhaal wat vroeger valt, maar beter geschikt was. We hebben de vrijheid wat met de bladzijden te schuiven. Scenarist Alcante heeft een plan gemaakt per boek, maar het is teamwork, dus ik heb ook wel wat inspraak. Zo hebben we van de openingspagina met de scheepsramp van de Engelse kroonprins, die aanvankelijk één bladzijde was, een spread gemaakt, omdat dat een indrukwekkender start was. Al moest ik dus de helft van die scène naderhand bijtekenen.”
Hoe kwam Alcante bij jou terecht?
Dupré: “We hadden eerder al samengewerkt, onder meer voor de reeksen Pandora Box, Interpol en Bolle. In die periode zat ik in between jobs. Kaamelott, waar ik sinds 2006 aan had gewerkt, lag even stil en ik postte maandenlang — uit frustratie — geweigerde projecten op Facebook, waaronder ook iets middeleeuws. Didier maakte de uitgever (Glénat) daarop attent. Ik heb, net als andere kandidaten, dan nog een proefplaat moeten maken — wel op voorwaarde dat die dan ook gebruikt zou worden. Volgens Didier was Glénat in twee seconden overtuigd. Ik werk goed samen met Didier, ook al zit hij in Brussel en ik in Spanje. Daar is internet voor.”
Drie vorige samenwerkingen tussen Steven Dupré en Alcante: Deel 3 (2005) van de achtdelige conceptreeks Pandora Box bij Dupuis, het enige album van Interpol (2010) bij Dupuis en drie delen van Bolle (2018-2021) naar de Canadese jeugdromans van Daniel Brouillette bij Kennes.
Hoe ben je in Spanje verzeild geraakt? Ook zoals Marc Legendre gestrand met een zeilboot?
Dupré: “Ik wou uit België weg. Het was me hier te druk: naast mijn werk zat ik in het bestuur van het Stripmuseum, was actief in het Stripgilde, ging signeren... Ik holde van vergadering naar beurs. Als ik ver zou wonen, zou ik makkelijker nee kunnen zeggen. Aanvankelijk wilde ik naar Belize, want daar spreken ze Engels en dan hoefde ik geen andere taal te leren. Maar mijn vrouw wou niet zo ver weg. Haar grootouders hadden een huisje in Marbella. Of we niet naar Spanje konden. Dat was wat dichterbij. Heb ik toch nog een andere taal moeten leren... Marc Legendre woont inderdaad op een uur van mij, Charel Cambré heeft er nu ook een vakantiehuis, Zidrou woont in Ronda... Zit ik toch weer tussen de striptekenaars, terwijl ik er van weg wou.” (lacht)
En je hebt ook Frans moeten leren, want je werkt nu voornamelijk voor de Franse markt.
Dupré: “Ja, als ik ergens spijt van heb, is dat ik in het middelbaar niet goed genoeg opgelet heb in de lessen Frans. (lacht) Maar Didier en ik communiceren tweetalig. En ik kan me best uit de slag trekken in het Frans. Dat leer je vanzelf door het te gebruiken. Zo heb ik ook Spaans geleerd. Nooit les gevolgd. Ik heb zelfs mijn middelbaar niet afgemaakt (op zijn Facebookpagina staat bij ‘Onderwijs’: ‘hahaha’, red.), zodat ik niet eens naar Sint-Lucas kon.”
Is werken voor de Franse markt nodig om te overleven als stripauteur?
Dupré: “Het is geen noodzaak, maar de kans is veel groter dat je een redelijk aantal albums verkoopt, of je moet zoals Charel enorm veel produceren. Maar dan moet je een soort studio oprichten, ik werk liever alleen. Sommige dingen zijn uit te besteden, maar ik wil de stress van het organiseren niet, noch mensen achter hun veren zitten. Dan ben ik de halve dag alleen daarmee bezig. En wat als ze een ander project aangeboden krijgen?”
Al in 2011 won je de Bronzen Adhemar. Heb je het gevoel sindsdien nog beter te zijn geworden?
Dupré: “Bij momenten wel, maar er is altijd die tijdsdruk. Mijn deadlines zijn ruim, maar De Pilaren vergt enorm veel werk. Ik moet nog steeds flink uit mijn pijp komen. Als ik drie dagen in België ben voor een event (we spraken Steven op het symposium ‘De toekomst van de strip’ in het Brusselse Stripmuseum, red.), moet ik drie zondagen opofferen om bij te blijven met mijn werk. Voor deel 4 heb ik meer dan een jaar tijd, en toch is dat niet relaxen: er zit een veldslag in en veel massascènes, nog meer dan in vorige delen. Ik moet er mij bij neerleggen, want zo’n kathedraal werd nu eenmaal gebouwd met duizenden arbeiders. Aan zo’n spread ben ik zeker twee weken bezig, en ik vertik het de computer te gebruiken. Het is gewoon ambetant met een scherm te werken. Zelfs al had de zoon van Didier, die architect is, een 3D-afbeelding van de kathedraal gemaakt, ik plak mijn tekenblad niet op het scherm. Scans opkuisen is nog zo’n vervelende computerklus.”
Gesproken als een ware meester van de oude stempel.
Dupré: “O ja, ik ben er zo eentje die gefascineerd is door een penseeltje dat ik nog niet ken. Artificiële intelligentie gebruik ik trouwens ook niet, principieel. Dat is iets waar niemand om heeft gevraagd en niemand beter van wordt, behalve enkele techmiljardairs en werkgevers die zoveel mogelijk werk door zo weinig mogelijk werknemers willen laten doen. Bovendien supermilieuonvriendelijk: Spanje, waar nog veel plaats is, wordt volgebouwd met datacenters, die het nu al schaarse water opslorpen.”
De inkleuring besteed je wel uit.
Dupré: “Ja, daarvoor heb ik niet genoeg kennis in thuis. Bij mij duurt dat te lang. Ik ken de trucjes niet en heb ook niet de tijd om die te leren. Dat kan ik dus heel gemakkelijk uit handen geven, al wil ik wel dat het goed gedaan wordt. Maar ik moei me er niet mee. Mijn ervaring is trouwers dat ook inkleurders hun job goed willen doen. En hoe minder je je moeit, hoe beter het resultaat. Zij willen ook eer van hun werk. Ik geef enkel een paar indicaties: hier is het nacht of zo. Of als in de roman staat welke kleur kledij het moet zijn: dat is dan wel belangrijk, want daaruit kon je afleiden hoe rijk iemand was.”
Gelukkig bevat het eerste album veel sneeuw...
Dupré: “Weinig in te kleuren, zou je denken. Nee hoor, sneeuw is niet wit. Een goede inkleurder moet je dat niet uitleggen. Bij sneeuwscènes gebruik je net veel meer zwart, want wit maakt contrasten groter.”
Auteur Ken Follett moest toestemming geven voor dit project. Het boek is ruim vijfendertig jaar oud. Heeft hij lang de boot afgehouden?
Dupré: “In de loop der jaren heeft hij veel voorstellen tot verstripping gekregen, maar ze altijd geweigerd. Het Follett Office doet niet anders dan het beheren van rechten en neemt dat zeer serieus. Didier liep al tien jaar rond met de droom het boek te bewerken en schreef Folletts vrouw aan. Hij kon haar overtuigen en zo dan ook Follett. Waarop de onderhandelingen met Glénat begonnen. Het Office droeg daarop de rechten over, maar slechts voor de Franse taal. Daarom heeft het nog eens zolang geduurd eer er vertalingen van de strip verschenen. Ze hadden blijkbaar niet door dat het altijd dezelfde strip was. (lacht) Bovendien wilden ze dat de buitenlandse uitgevers van de romans ook de strips zouden uitbrengen, maar dat is een totaal andere markt. In Nederland zitten die bij Meulenhoff, die Standaard Uitgeverij — dat meer thuis is in strips — heeft kunnen overnemen.”
Wat is de meerwaarde van een strip voor dit verhaal? Wat kun je hier dat een ander medium niet kan?
Dupré: “De roman is een baksteen van duizend bladzijden, daar begin je niet zomaar aan. Een strip gaat sneller en toch krijg je hetzelfde verhaal. Al duurt de productie hiervan ook zeven jaar! Sorry, ik kan niet rapper tekenen.” (lacht)
Stelde Follett bepaalde eisen?
Dupré: “De roman volgen, wat we vrij trouw doen. In tegenstelling tot enkele verfilmingen. Soms passen we iets aan, voor het vlotte verloop van het verhaal. Bijvoorbeeld de wraak op de dief van Toms varken hebben we eruit gelaten, omdat het niet essentieel is. Of de pater die dreigt met hel en verdoemenis als de burgers niet komen helpen bouwen, is toegevoegd om het wat vooruit te doen gaan. Maar verder houd ik mij aan de beschrijving van de personages in de roman: bijvoorbeeld Toms baard of Jacks rosse haar. Omdat Aliena, de dochter van de vorige graaf, en Jacks moeder Ellen wat te veel op elkaar lijken breng ik wel wat variatie in hun kapsel.”
Hoe zijn de reacties van wie de roman heeft gelezen?
Dupré: “Heel positief. Zelfs bij de hardcorefans. Op de Facebookpagina van Follett verheugen velen zich al op de vertalingen. Follett zelf is ook heel lovend. Bij de presentatie van zijn roman over Napoleon (De Wapens van het Licht) waren alle Europese uitgevers uitgenodigd in Londen en daar begon hij zelf over onze strip, nog vóór die was uitgebracht.”
Ook wat betreft de bouwwerken volg je in detail het boek, niet alleen de kathedraal, maar ook het kasteel van de graaf of het paleis van de bisschop.
Dupré: “Omdat wij wilden dat het klopt, anders zouden de romanlezers ontevreden zijn, want de strips zijn ook voor hen gemaakt. Ik moet die gebouwen ook niet nabouwen, zoals in een film, ik hoef ze maar te tekenen. Duizend zombies in Kaamelott kosten ook niets, hè, tenzij wel wat tekenwerk. Kaamelott gaat echter wel sneller vooruit dan honderd ridders te paard. Amai, zeggen lezers dan, maar die pagina's zijn even snel gelezen als een pagina met pratende kopjes. Toch is het sop de kool wel waard, want door dat soort pagina's springt mijn werk eruit. Anderen zouden een mistig slagveld tekenen.” (lacht)
Er zitten ook in het eerste album al heel wat indrukwekkende grote pagina's, zoals het luchtbeeld van de priorij, de al genoemde openingsscène op zee of het kathedralenbos...
Dupré: “In het boek vertelt Tom aan zijn kinderen over zijn droom een kathedraal te bouwen terwijl ze door een bos lopen. Didier had die droom wel in het scenario geschreven, maar had geen idee hoe dat in beeld te brengen. Waarop ik de bomen visueel liet overgaan in zuilen. Die overlay was geen sinecure. Eigenlijk heb ik daar twee pagina’s over elkaar gelegd. Dat had zo’n sterk effect dat de uitgever dat beeld ook wilde voor de cover. Kon ik het nog een keer overdoen…”
Heb je je verdiept in de romaanse en gotische bouwstijlen?
Dupré: “Ik? Research doen? Nee. Een paard is een paard. Voor de historische correctheid heeft Didier een prof geschiedenis van de universiteit van Namen onder de arm genomen, Nicolas Ruffini-Ronzani. Die zoekt het voor ons op, want we willen het wel juist hebben. Het zit soms in heel kleine, stomme dingen: had bijvoorbeeld een waterput een dak, en was die rond of vierkant? Droegen mensen toen sokken? Dat kasteel in Frankrijk dat ze aan het bouwen zijn met materialen en technieken uit die tijd (Guédelon, in Bourgondië, red.) levert ook veel info op. Zo weet ik dat in plaats van hoge stellingen te bouwen men gaten in de muren liet om die daaraan te maken. In een reeks als Kaamelott, die ook in de middeleeuwen speelt, kan ik me meer permitteren en gewoon mijn verbeelding gebruiken: een kasteel is een kasteel, het hoeft daar niet historisch correct te zijn, ik kan me daar een onnauwkeurigheid permitteren, zoals Vikings met hoorns op hun helmen. Die hadden ze dan weer niet in Midgard, hoewel het toch ook humoristisch bedoeld was.”
Van Midgard verschenen in 2011 en 2012 twee albums bij Casterman in zowel Nederlands als Frans. Coma was een ander soloproject dat in drie delen (2002-2004) verscheen bij Glénat. De Jommeke-hommage Jomme: Paradijseiland kwam in 2019 uit bij Ballon Comics. Kaamelott loopt sinds 2006 en leverde intussen tien delen op bij Casterman. Laurent Astier is er zelf de scenarist van naar zijn gelijknamige tv- en filmreeks.
Over het stopgezette Midgard gesproken: plan je ooit nog eigen projecten?
Dupré: “Dat heb ik opgegeven. Telkens weer stopte het na paar albums (ook het lot van Coma, red.). Daar wil ik mijn tijd niet meer in steken. Net zomin als in het pitchen van zulke ideeën. Vandaag geniet ik van het voordeel dat ik niet meer moet zoeken naar werk, het werk vindt mij. Ik kan zelfs een beetje cherrypicking doen, en werk voor grote uitgevers. Ik moet er per slot van leven, en ik leef liever comfortabel dan in armoede, die fase hebben we al gehad.” (lacht)
Je lijkt je wel te specialiseren in middeleeuwse strips?
Dupré: “Dat is toeval. Al teken ik liever zoiets dan mannen in kostuum, kantoorgebouwen en chique auto’s. Ik haal meer plezier in landschappen en dieren. Een beestje erin steken helpt altijd om een scène wat leven te geven. Ik ben ook zo iemand die de kak tekent in een paardenstal. (lacht) Ik heb inderdaad een beetje de reputatie van middeleeuwenspecialist, dat vind ik niet erg. Wat me wel wat stoort, is dat ik alleen nog adaptaties van romans maak de laatste jaren. Waarom zou ik dan nog moeite doen een eigen verhaal te bedenken? Terwijl de strip als medium een voortrekkersrol zou moeten nemen. Veel strips worden geadapteerd tot film: zo zou het moeten zijn in plaats van andersom. Midgard was trouwens oorspronkelijk opgezet als tekenfilmproject, maar dat was stilgevallen.”
Voel je jezelf meer scenarist dan tekenaar?
Dupré: “Ik ben — al zeg ik het zelf — geen slechte scenarist, maar wel een heel trage. Een verhaal heeft algauw een decennium nodig om te rijpen. Al kan het ook sneller: mijn Jommeke-adaptatie (Jomme: Paradijseiland, red.) schreef ik in een week en werden er volgens mij beter op. Als job zou het me echter niet lukken, want denkwerk, dat eraan voorafgaat, is geen echt (betaald) werk. Dialogen schrijven is ook niet gemakkelijk, want die mogen niet louter info overbrengen, want elk personage heeft zijn manier van spreken. Bij Kaamelott is het eenvoudiger, omdat Franse lezers er de tv-personages in herkennen. Die kennen Vlaamse lezers dan weer niet, wat een andere leeservaring geeft. Een kunstenaar voel ik me echter niet, eerder een vakman. Dit is wat ik doe en wat ik kan, ik zal me nooit als kunstenaar profileren. Wat ik maak, is een product waar mensen zich hopelijk mee amuseren. Beweren dat het meer is dan entertainment zou pretentieus zijn. Alsof een kunstenaar meer waard zou zijn dan caissière. Ieder zijn job, ik apprecieer een straatveger die zijn job goed doet ook. Ik kijk niet op naar kunstenaars. Ik heb vrienden-kunstenaars, maar dat zijn vrienden omdat ze aangename mensen zijn, niet omdat ze iets knaps kunnen. Dat is het leuke aan wonen in Spanje: niemand daar weet wat ik doe, ik heb nog nooit gepubliceerd in het Spaans. Een Spanjaard geeft er ook niets om wat je doet, in tegenstelling tot in België: hier wordt een deel van je identiteit gekoppeld aan wat je doet.”
Hoe ben je eigenlijk tot tekenen gekomen?
Dupré: “Als kind las ik graag en ik tekende graag, de ideale combinatie: het leek me leuk om onnozele dingen te verzinnen. Aanvankelijk met de bedoeling de mensen te laten lachen. Dat is wat verwaterd. Het is een leuk beroep als je al wat errond hangt kunt wegdenken. Het heeft me nooit tegengestaan, het was niet altijd gemakkelijk, maar ik was nog kei-jong. Het is een vak waarin je moet doorzetten om ergens een voet tussen de deur krijgen, zeker met een gezin. Als je wat ouder bent, neemt je het risico niet om dag en nacht te moeten werken voor een inkomen onder de armoedegrens, maar als je jong bent, denk je de hele wereld aan te kunnen.”
Wat wil je nog bereiken nu je ouder, wijzer en rijker bent?
Dupré: “Als deze reeks is afgerond, hoop ik wat meer regelmaat te krijgen in mijn werk, nog wat Kaamelotts en dingen te doen die ik plezant vind. Het zou wel prettig zijn om het wat kalmer aan te doen. Ik zou weleens gewoon in de zon willen zitten of met mijn honden gaan wandelen. Ik woon op een steenworp van de kust, maar als ik er één keer per jaar kom, is ’t al veel.”