Régis Loisel

“Ik heb de neiging te overdrijven.”

13 februari 2026 Interviews
tekst: Koen Driessens

 

Met Het Laatste Huis net voor het Bos maakt Régis Loisel (Op Zoek naar de Tijdvogel, Peter Pan, Magasin Général, De Grote Dode, Een Godverdomse Klootzak,...) zijn “grand retour au dessin". Zo’n one-shot is goed voor één keer, zegt hij, “er is meer werk aan een losstaand verhaal dan aan een reeks”. 

 

Vier jaar heeft Régis Loisel eraan gewerkt, “niet dat ik lui ben, maar ik werd voortdurend onderbroken door scenariowerk voor de Tijdvogel en de Klootzak”, vertelt de Franse tekenaar-scenarist vanuit Loches, in de omgeving van Tours. “Anders had ik er de helft minder tijd voor nodig gehad. Anderzijds is het ook wel goed geweest dat ik wat afstand kon nemen af en toe. Dan keek ik er weer fris naar, kon ik het gedane werk nog eens herbekijken en eventueel overdoen.”

“Aan iets herbeginnen doe ik wel vaker. Het is een enorm voordeel dat ik vandaag heb, dat ik de tijd mag nemen om dat te doen. Toen ik in mijn beginjaren voor tijdschriften werkte (van Pilote tot Métal Hurlant, red.), kon dat natuurlijk niet. Toen zat ik elke week met deadlines en had ik niet de luxe om nog eens iets te herwerken. Nochtans, het was Jean Giraud die me aanmoedigde om voor albumuitgaves nog dingen te herdoen.”

Het was Jean-Blaise Djian (met wie hij de scenario’s van De Grote Dode schreef) die Loisel de weg wees naar Het Laatste Huis. “Blaise stuurt me — of beter gezegd: mijn vrouw, zijn nicht — voortdurend scenario’s. Zijn idee van een lelijkerd die zichzelf mooi vindt in de spiegel en naar zijn ouderlijk huis terugkeert, waar zijn moeder een tovenares is die zijn vader (een militair met scheve schaatsen, red.) uit nijd heeft veranderd in een (levende) stenen buste leek me wel wat. De rest van het verhaal was meer een detective en dat is niet echt mijn universum. Ik zei hem: je scenario is niet echt iets voor mij, maar als basis kan ik het wel gebruiken. Mag ik er zaken aan toevoegen? Want ik heb ook wel wat ideeën. Al wat na de aankomst van Pierrot in het huis gebeurt (veel seks, veel bloed, maar op een grappige manier, red.), is dan weer helemaal mijn universum: bizar, donker, sfeervol.”

“Wat me vooral raakte in Djians opzet, was het beeld van dat huis aan de rand van het bos. Dat is een beeld waar ik al lange tijd mee wilde spelen, omdat het zo’n sterke sfeer heeft. Zoals in een oude Franse film van Jean Cocteau, La Belle et la Bête, een macabere sprookjessfeer. Het idee van een afgelegen plek aan het einde van de wereld, waar alles kan gebeuren. Het einde van de beschaving, waarna de chaos toeslaat. Un monde farfelu.”

Een rare wereld met ook rare personages. Zoals het hoofdpersonage Pierrot, die verliefd is op een etalagepop in een lingeriewinkel. Maar hij is ook een postbode — die zich thuis voor zijn ouders voordoet als advocaat — die de tijd neemt voor een babbel en een borrel. “Niet dat ik daarmee een commentaar wil geven op onze tijd, waarin postbodes opgejaagd worden door hun strikte werkschema. Weet je, het zijn in Frankrijk zelfs officieel geen facteurs meer, maar préposés au poste of ‘postbegeleiders’. Net zoals je niet meer ‘poetsvrouw’ mag zeggen, maar ‘technisch hygiënisch assistent’ of zoiets. Pierrot is gewoon een tijdloze postbode zoals die past in de wereld die ik wilde oproepen. Dat het verhaal in de jaren stillekes speelt, zie je ook aan de auto’s, de agenten op de fiets... Het onderste vakje van de tweede pagina — waar Pierrot door een straat in de stad loopt — dát is de sfeer die ik wilde aanhouden. De tijdloze kant van de dingen boeit me, de moderne niet. Ik zou geen verhaal kunnen tekenen dat in onze tijd speelt. Dat zou me snel vervelen.”

Ook de andere personages zijn — zelfs fysiek — behoorlijk overdreven, zoals de enorme moeder-tovenares en haar ijzervreter die elkaar haten, of de monstertjes in de tuin, mislukte probeersels van de moeder om bedienden te creëren. “Ik ben geen realist, ik heb nogal de neiging om te overdrijven, ja. Ook in gevoelens en geweld. Dat zag je al in het universum van mijn Peter Pan, dat ook veel gewelddadiger is dan het klassieke verhaal. Waar dat vandaan komt, vraag ik me niet af. Verder gaat alles goed met me, dank je. (lacht) Ik wil gewoon niet doen wat iedereen doet. Ik zeg niet dat dat beter is, maar het is gewoon mijn stijl.” 

Ook typisch Loisel is dat hij vanuit een sfeer en een basisidee vertrekt en geen uitgewerkte plot gebruikt wanneer hij aan een album begint. “Ik voeg graag au fur et à mesure dingen toe, naargelang ze opduiken, heel spontaan. ‘O ja, dat is nog een goed idee. O ja, dat is leuk.’ Zeker in overleg met een coscenarist. Maar ik blijf wel het basisidee volgen.”

Bij zo’n losse aanpak past ook zijn losse stijl, nog vrijer en ongeremder dan in zijn vorige werk. Niet dat het slordig lijkt. Juist niet. Hoe Loisel in zijn pen bijvoorbeeld voor- en achtergrond oproept, getuigt van meesterschap. “Om vrij te kunnen tekenen moet je wat jaren op de teller hebben. Ik heb genoeg getekend in mijn leven om dat te kunnen doen. Al ben ik zeker niet de beste tekenaar. Er is veel dat ik niet zou kunnen tekenen. Er zijn er die veel beter zijn. Mijn kwaliteit, vind ik zelf, zit in het ritme. Daar red ik me behoorlijk. Alleszins is mijn werk toch heel herkenbaar.”

Intussen heeft Loisel meer geschreven dan getekend: aan De Grote Dode, de prequelcyclus van Op Zoek naar de Tijdvogel, Een Godverdomse Klootzak… Zelfs in Magasin Général was het Jean-Louis Tripp die Loisels mise-en-scène inktte. Het is uitgezonderd zijn Mickey Mouse-verhaal Zombokoffie (2016) eigenlijk van de laatste Peter Pan (2004) geleden dat hij alleen instond voor tekst en tekeningen. “Ik heb geen voorkeur. Ik kan het schrijven en tekenen niet als gescheiden dingen zien als ik een verhaal vertel. Daarom hou ik ervan om met z’n tweeën te werken, om bijvoorbeeld van Tripp of Djian ook hun visie te horen. Met twee kun je meteen merken of iets werkt, of kun je iets nog beter maken met nog meer goede vondsten.”

“Overigens, ik ben altijd blijven schetsen en tekenen, en illustraties maken. Of ik bracht correcties aan op tekeningen of de setting als die in mijn ogen niet optimaal waren. Het is niet zo dat ik mijn scenario’s al uitteken. Ik stel wel de decoupage voor, maar uiteindelijk laat ik het aan de tekenaars over.”

Voor het allerlaatste album in Op Zoek naar de Tijdvogel, waarvan de huidige cyclus achtereenvolgens werd getekend door Lidwine (Dominique Legeard – in 2025 overleden), Mohamed Aouamri, Vincent Mallié (die ook De Grote Dode deed) en David Etien (De Vier van Baker Street, Rommelgem,...) en opnieuw Mallié, neemt Loisel de pen toch weer zelf ter hand. “Niet dat ik geen vertrouwen heb in die tekenaars voor dat afsluitende deel, maar ik heb altijd gezegd dat ik het laatste album zou doen. Om in schoonheid te eindigen. Samen met Serge Le Tendre heb ik in onze jeugd de reeks gelanceerd (in twee keer: een eerste versie in 1975 in het blad Imagine, en dan ‘voor echt’ in 1982 voor Dargaud, red.) en we maken ze af op onze oude dag (Loisel wordt dit jaar 75, red.). Jong begonnen, oud hernomen, het is wel geen cadeau… Ik zit nu op plaat 15, van de 80. Dus het zal nog wel even duren. Ik ben niet gehaast — mijn leeftijd laat me toe de lever le pied, wat gas terug te nemen. Het moet ook goed gedaan worden. Dat betekent: af en toe eens herbekijken, corrigeren... Ik ben de enige die beslist wanneer het af is. Als het klaar is, is het klaar.” Als het werk wat opschiet, zo denkt hij, kan dat 2027 zijn. “En anders is het 2028.”

Loisel is zeker niet iemand die dingen onafgewerkt laat. Naast de reeks Op Zoek naar de Tijdvogel sloot hij eerder al zijn voorgaande reeksen af: Peter Pan (in zes delen, 1990-2005), De Grote Dode (acht delen, 2007-2019), Een Godverdomse klootzak (in vier delen, 2019-2024) en ook Magasin Général (in negen delen, 2006-2014). Niet dat hij per se een afgerond œuvre wil nalaten en zijn pensioen plant. “Ik ben al met pensioen — officieel dan toch, maar zoals je weet stoppen stripmakers nooit. Nee, ik werk gewoon aan de ene na de andere reeks. Als een verhaal klaar is, begin ik aan het volgende.”

“Ook al vonden de lezers het jammer, zelfs Magasin Général was uitverteld. Althans, zo vind ik toch. Tripp uiteindelijk nog niet. En dus zette hij zich (na enkele autobiografische graphic novels over zijn seksuele ontwaken, zijn overleden broer en zijn vader, red.) solo aan een vervolg, al zullen dat eerder losse, parallelle verhalen zijn over bepaalde personages. Het eerste zou eind dit jaar uitkomen. Maar het is natuurlijk niet aan mij om daarover te vertellen.” 

“Of ik nog een reeks in me heb? Weet ik niet, verhalen wel. Wellicht geen one-shots meer, die zijn te vermoeiend. Ik ben er te lang mee bezig. Een reeks gaat tenminste vooruit. Lezers kijken er ook naar uit. Uitgevers verkiezen ook reeksen. Want als een one-shot niet werkt, zit je met de gebakken peren. Als er al eens een album in een reeks het minder doet, is dat minder erg. Maar ik klaag niet, ik verkoop goed. Voor jonge tekenaars is het echter niet gemakkelijk.”

Het Laatste Huis net voor het Bos verscheen op 12 februari bij Standaard Uitgeverij.  De kleureneditie van 168 pagina's in hardcover kost 35 euro. Een editie in zwart-wit met een extra dossier (interview, schetsen, making-of, coverprojecten,...) telt 184 pagina's en kost 39,99 euro.