Terug naar overzicht

Gerrit De Jager

“Tot je vijfentwintigste sta je overal voor open en neem je nog alles in je op. Maar dan ga je ‘smaak’ ontwikkelen en word je een beetje cynisch."

13 juli 2021 Interviews
door Mario Stabel

 

Gerrit De Jager wist met zijn De Familie Doorzon jarenlang een flinke vinger aan de pols van de Nederlandse samenleving te houden. Door zijn sterke observaties en rake beschouwingen hadden we altijd de indruk dat we via zijn strips meer over onze noorderburen leerden dan van de gemiddelde NOS-uitzending. Maar dan werd het hier verdacht stil rond de Amsterdamse stripmaker. Soms botsten we via een of ander sociaal medium nog eens plompverloren op een verdwaalde cartoon van zijn hand, maar daar bleef het dan weer even bij. Maar nu is er dan eindelijk Songlife, een verzameling mijmeringen van en met een jonge de Jager met muziek als een vette rode draad. Tijd dus voor een interview! Dringend!

Het laatste album van De Familie Doorzon dateert alweer van 2008 en in België leek je daarom zowat van de radar verdwenen. Waar heb je je de voorbije tien jaar mee bezig gehouden?

De Jager: “Nou, ik maak nog steeds cartoons met John in de hoofdrol voor het Algemeen Dagblad. Dat is eigenlijk een spin-off van De Familie Doorzon. Die staat er nu al heel lang in. En sinds 2000 maak ik ook de gagreeks Zusje voor het tijdschrift Margriet. Die dingen zijn altijd wel door blijven lopen. Maar op albumvlak is het inderdaad redelijk rustig geweest. In 2013 had je nog wel Door Zonder Familie, maar ik weet niet of dat in België veel gedaan heeft?”

 

Toch wel, hoor. Je hebt in Vlaanderen zeker een hoop fans die je werk zijn blijven volgen. Dat mag je niet onderschatten.

De Jager: “Nee, dat onderschat ik ook zeker niet. Ook toen mijn laatste boek Songlife uitkwam, werd ik meteen benaderd door de Belgische media. Ik ben bij Bent Van Looij uitgenodigd, in zijn programma Culture Club.

Door zonder Familie werd ook heel goed ontvangen, maar het is natuurlijk iets anders dan een reeks als De Familie Doorzon of Roel en zijn Beestenboel. Zo’n graphic novel maak je ook niet elk jaar. Ik was niet echt op zoek naar een onderwerp, maar ik had wel het idee dat de tekenstijl die ik gaandeweg ontwikkeld had, zich daar goed toe leende. Ik noem dat zelf mijn liveversie van het tekenen: ik teken zoals je een liveplaat opneemt: alles zonder schetsen meteen op papier gezet! En eigenlijk zelfs zonder scenario. In Songlife heb ik dat dan nog verder uitgepuurd door er het Zwartkijken-element van Franquin aan toe te voegen.”

 

Je koos nu inderdaad al twee boeken lang voor zwart-wit. Waarom?

De Jager: “Ik ontdekte al tekenend dat ik met zulke silhouetten veel meer expressie in mijn tekeningen kon leggen. Je kunt zo een stuk meer uitbeelden. Ik dacht altijd dat Franquin het zichzelf heel moeilijk had gemaakt, maar eigenlijk is het gemakkelijker dan gewoon tekenen. In zo’n silhouet suggereer je vanalles, je hoeft niet elk detail van een lichaam, arm of hand minutieus uit te werken.”

 

Normaal doet je dochter de inkleuring, die zette je nu wel even buitenspel!

De Jager: “Ja, maar ze heeft nu op een andere manier een grote bijdrage geleverd aan het boek door met mij in dialoog te gaan over wat ik dacht dat belangrijke muziek was. Ze heeft gelukkig nog niet om royalty’s gevraagd...” (lacht)

 

Je laatste twee albums lijken me eerder een contemplatief terugkijken op wat ooit geweest is. Heeft dat met de leeftijd te maken?

De Jager: “Dat klopt wel wat je daar zegt. Ik ben altijd in mijn strips wel uitgegaan van wat ik zelf meemaak, maar naarmate je ouder wordt, maak je gewoon veel minder mee.” (lacht)

 

Dat ken ik jammer genoeg...

De Jager: “Ik heb achttien jaar geleden een dochter gekregen en daar heb ik met veel plezier erg veel tijd ingestoken. Ik vond dat een fantastische periode trouwens, maar het was wel een stuk minder hectisch.

Daar komt nog bij dat ik die anekdotes uit beide boeken al eindeloos verteld had tegen familie en vrienden. En ik denk dat mijn vrouw ernaar snakte dat ik ze nu eindelijk eens een keertje op papier kwakte. Nu kan ik dus elke keer verwijzen naar het boek, tenminste als mijn vrouw in de buurt is. Want als mijn vrouw NIET in de buurt is, dan maak ik van elke gelegenheid gebruik om het allemaal nog eens heel smakelijk te vertellen en er de nodige overdrijvingen aan toe te voegen...” (lacht)

In 2008 verscheen het voorlopig laatste gagalbum van De Familie Doorzon bij Standaard Uitgeverij. In 2013 publiceerde Oog & Blik | De Bezige Bij een eenmalige integrale in zwart-wit met een ruime selectie gags uit de eerste vier albums. Tegelijk kwam Door zonder Familie uit bij dezelfde uitgeverijen waarin Gerrit de Jager terugblikt op de jaren toen hij voornoemde albums maakte in samenwerking met Wim Stevenhagen.

 

 

Je koos voor muziek als rode draad. Zou je een dergelijk boek ook hebben kunnen maken met pakweg boeken, strips of films op de achtergrond?

De Jager: “Nou, ik denk wel dat ik een boek zou kunnen maken over de invloed van strips op mijn leven. Hoe ben ik striptekenaar geworden en welke invloeden heb ik meegenomen? Ik ben er met het maken van dit boek trouwens achter gekomen dat muziek en strips maar echt bij je binnenkomen tot je vijfentwintigste.”

 

Daar wil ik dadelijk nog even over doorbomen, maar eerst wil ik het over die invloeden hebben. Je noemde net Franquin al.

De Jager: “Nou, ik had mazzel dat ik een oudere broer had. Die heeft me niet alleen heel wat muziek leren kennen, maar dankzij hem kwam ik ook al snel met strips in contact. Het eerste wat ik me echt kan herinneren en wat een ongelooflijke invloed op me had, was Buck Danny!”

 

(Kijkt schaapachtig in de webcam...) Dat had ik nou niet echt verwacht...

De Jager: “Nee, hè! Buck Danny kwam echt keihard bij me binnen. Dat vond ik echt geweldig en ik heb er nog steeds een zwak voor. Ik zag net op Instagram de cover van een nieuwe Buck Danny, weliswaar in een nieuw jasje en met andere auteurs, maar dan gaan nog altijd even de haartjes bij mij overeind staan. Buck Danny! Uderzo heeft op een gegeven moment met Tanguy en Laverdure iets vergelijkbaars gemaakt. Ook heel goed! Dat vond ik veel beter getekend trouwens, bij Buck Danny hebben ze eigenlijk allemaal hetzelfde hoofd. Nu, die interesse voor luchtvaartstrips heeft ook een persoonlijke reden. Mijn vader werkte namelijk bij de KLM, onze nationale trots, en wij hadden dus thuis heel veel met vliegtuigen te maken. Wij vlogen ook al heel jong, gewoon omdat het goedkoop was. Ik ging als vijftienjarige al met vriendjes naar Schiphol, dan stapten we op een vliegtuig en zaten we ineens in München of zoiets en kwamen we niet meer terug. (lacht) Die vliegtuigen zaten dus echt wel in mijn bloed!”

 

Toch heb ik zo’n donkerbruin vermoeden dat je nog wel ergens anders je voorbeelden haalde.

De Jager: “Wel, vanaf begin jaren 1960 verscheen in Nederland het tijdschrift Pep. Dat was nou echt een verzameling van álles wat geweldig was op stripgebied. Daar stond niet alleen Asterix in, maar ook Kuifje en Mickey. Het leek wel een samensmelting van Disney en Kuifje! Bij Pep gebeurde heel erg veel en ook de Nederlandse tekenaars kregen daar een platform.

Tegelijk kocht mijn broer ook alle pockets van Peanuts. Ver-slon-den heb ik die!!! Ik kende die boeken echt van voor naar achter! Als je nu aan mij vraagt op welke pagina Snoopy kijkt wat er op de wieldoppen van een autootje staat, dan blader ik direct door naar de juiste pagina. Schulz had echt een grote impact op mij, net zoals ik de albums van Kuifje en Asterix echt honderden keren heb gelezen. Laatst lag er bij iemand Cokes in Voorraad op de leestafel. Dan ben ik dat gewoon weer beginnen lezen. Dat is zo ongelooflijk. Je weet gewoon precies hoe het in elkaar zit en toch... Het is net of je Sgt. Pepper weer opzet. Die magie die het ooit bij je teweeg heeft gebracht, komt elke keer weer terug als je het leest. De laatste keer dat ik dat gevoel heb gehad — ik was toen zelf al druk aan het werk met mijn eigen stripcarrière — was met Calvin & Hobbes.”

 

Dat heb je ooit nog vertaald, dacht ik?

De Jager: “Ja, en uitgegeven zelfs. Omdat niemand dat in Nederland wou doen. Ik woonde toen in New York en ik zat bij hetzelfde agentschap als Bill Watterson. Ik zag die strips daar en ik dacht: ‘Dit neem ik mee naar Nederland en dan slaat iedereen steil achterover!’ Nee hoor, uitgevers zeiden: ‘Amerikaanse strips, dat verkoopt niet. En zó geweldig ziet het er nu ook weer niet uit.’ Dan ben ik het uit woede zelf maar beginnen uitgeven.”

Begin jaren 1990 verschenen diverse vakantiealbums van De Familie Doorzon met daarin ook andere strips, waaronder strookjes van Casper en Hobbes. Het was de allereerste Nederlandstalige publicatie, op initiatief van en vertaald door Gerrit de Jager. In 1991 verscheen een eerste Nederlandstalig album bij Big Balloon.

 

 

Zit er bij de recentere strips dan niks meer dat je kan bekoren?

De Jager: “Zo af en toe zie ik op Instagram nog iets voorbijkomen dat ik denk: ‘Dat ziet er goed uit!’ Maar dat is het kloterige aan die sociale media, dat gaat allemaal zo snel en dan zit je alweer bij het volgende ding op je tijdlijn en dan vind je het gewoon niet meer terug.”

 

Dat ken ik! Door een stomme blunder van mezelf heb ik vorige week nog alle recente muziek gewist in mijn bibliotheek van Apple Music. Maar na wat initieel gevloek dacht ik al snel: ‘Woah, zo’n ramp is dat nu ook weer niet!’ Waarschijnlijk zou ik 90% van die muziek toch nooit meer spelen.

De Jager: “Dat is ook wat ik daarstraks al aanhaalde. Ik stond er eerst zelf niet bij stil, maar ik ben ervan overtuigd geraakt dat dingen heel hard bij je binnenkomen tot pakweg je vijfentwintigste. Boeken, muziek strips, films... en dan heb ik het alleen nog maar over culturele dingen en nog niet wat bijvoorbeeld een verliefdheid met je kan doen!

Tot dan sta je overal voor open en neem je nog alles in je op. Maar dan ga je ‘smaak’ ontwikkelen en word je een beetje cynisch. Als ik nu een nieuwe strip zie, denk ik al gauw: ‘Dat lijkt daarop of dat hebben ze daar van... En dat scenario is eigenlijk weer Romeo en Julia of dit is écht wel weer The Postman Always Rings Twice...’ Daarom wil ik ook zo graag verhalen over mezelf vertellen, niet omdat ik mezelf of mijn leven zo fantastisch vind, maar wel omdat dat scenario nu eenmaal nog niet gekend is.”

 

Als ik dat zo hoor, lijkt er inderdaad nog wel een album in te zitten waarin Gerrit De Jager het over zijn stripverleden heeft.

De Jager: “Ik had het er gisteren nog met mijn tennislerares over. Ik zou ook wel een album kunnen maken over tennisles nemen. Daar kun je ook wel 120 pagina’s over volschrijven. Ik heb net toevallig een vergadering gehad met een man die recyclebare tennisballen heeft uitgevonden: heel revolutionair! Ik ga nu voor hem stripjes maken die je trouwens al op Instagram kunt terugvinden: Renewaball heet het. Ik ga er dan ook van uit dat ik over elk onderwerp dat me interesseert wel zo’n boek zou kunnen maken. Maar ik moet er wél direct bijzeggen dat niets voor mij zo belangrijk is als strips en muziek.”

 

Je noemt Songlife geen verzameling van greatest hits, maar wel een soundtrack van je leven. Nu, ik kan me voorstellen... het boek is gedrukt, het ligt voor je en je denkt: ‘Damn, dat nummer had er echt nog bij gemoeten!’

De Jager: “Oh god, ja, dat heb ik nu al. Oh, man... En het is vooral heel stom. We hebben het net over de impact gehad van die dingen tot je vijfentwintigste. Daardoor heb ik die nummers van later eigenlijk wat stiefmoederlijk behandeld. En zo ben ik één song gewoon he-le-maal vergeten. En dat is echt pijnlijk, want het had er echt wel in gemoeten: het ging namelijk over mijn vrouw. (groen lachje) Ik kwam haar tegen op mijn achtentwintigste. Nou, ik kan je vertellen: zij maakte nog wel een heel grote indruk op mij! Ik heb met Liefde en Geluk zelfs een jaar lang een strip gemaakt over hoe ik haar probeerde te veroveren. Ze was aanvankelijk niet zo happig op mij. Ik had al een huwelijk achter de rug en wat aangerommeld na mijn scheiding. En ik was het zat, ik had geen zin meer in gedoe met vrouwen. Ik had toen net besloten dat ik helemaal alleen verder zou gaan en echt zou leven voor mijn werk. En toen moest ik van mijn uitgever gaan signeren op een oersaaie gelegenheid, namelijk Vers voor de Pers, een groots opgezet evenement waar uitgevers hun nieuw werk presenteren. Ik wilde gewoon niet en het was dan ook nog op zo’n druilerige dinsdagavond. En daar was zij... Dan ging het toch nog gebeuren...

En er is dus een nummer van Greg Allman, Out of Left Field, dat mijn situatie perfect samenvatte. Het is eigenlijk een term uit het honkbal, dat er ineens vanuit het buitenveld een bal aan komt zeilen die alles bepaalt. En dat gebeurde: totaal niet verwacht... Maar dat zit niet in het album dus... Zonde...”

Misschien maak je het met dit interview nog een klein beetje goed? Nu, ik kan me voorstellen dat iemand zoals jij — die werkelijk doordrenkt is van muziek — ook al nagedacht heeft over de liedjes die bij zijn begrafenis moeten gespeeld worden.

De Jager: “Hallo! Ja, zeker... Ik vind het ook altijd wel griezelig om daaraan te denken, maar je verheugt je je er al bijna op, hè? (grijnst) Je ligt daar en dan horen de mensen dat fantaaaastisch nummer voorbij komen...

Wel, één nummer, dat weet ik heel erg zeker. Het is Your Long Journey van Robert Plant en Alison Krauss. Ze hebben een plaat gemaakt, Raising Sand — moet je zeker eens opzoeken op je Apple Music — en dat is het laatste nummer van de plaat. Ook al ben je nu ver boven de vijfentwintig, Mario... dan ga je huilen!”

 

Ik krijg altijd kouwe rillingen bij Hurt, in die versie van Johnny Cash.

De Jager: “Dat is er ook zo een. Maar dit is een nummer, waaw... ik krijg zelfs kippenvel als ik het jou vertel! Echt een ijzingwekkend mooi nummer.”

Is Songlife eigenlijk nog een verre uitloper van Strips in Stereo uit 2006? Toen combineerde je ook al muziek en strips.

De Jager: “Eigenlijk wel, ja. De combinatie van beide zaken heeft me altijd al gefascineerd. In de popmuziek zie je heel veel stripelementen terugkomen in het grafisch werk en zo. Er zijn ook wel redelijk wat nummers geschreven over striphelden. Ik ontdekte gaandeweg dat iedere muzikant eigenlijk tekenaar wilde worden en andersom. Het is een soort symbiose. Wat ook zeker een rol speelde, is dat in de jaren 1950 en 1960 popmuziek en strips verdorven cultuur waren: die muziek stelde niks voor in vergelijking met Mozart en zo... En van strips werd je een luie lezer. Zo bleven die dan ook onlosmakelijk met elkaar verbonden: the low culture, zal ik maar zeggen.”

 

Vorig jaar stond er dan plots in de StripGlossy een groot interview...

De Jager: “Oh god, nu komt het. Je gaat het vragen, hè?”

 

Ik móet het vragen! Komt er nu een nieuwe Doorzon?

De Jager: “Er kómt een Doorzon-album! Het zal in de zomer van 2022 verschijnen, ook bij Concerto Books trouwens. We hebben voor die datum gekozen omdat er dan een overzichtstentoonstelling van mijn werk zal lopen in het Allard Pierson Museum van de Universiteit van Amsterdam. Die hebben namelijk mijn archief overgenomen. Bovendien is het dan ook veertig jaar geleden dat het eerste album van Doorzon verkozen werd tot strip van het jaar.”

 

Zou het opnieuw een langlopend project kunnen worden of blijft het bij dat ene jubileumalbum?

De Jager: “Ik heb in de loop der tijd enkele Doorzon-albums gemaakt die een doorlopend verhaal vormen, Emile's Relatieboot bijvoorbeeld. Ook dit album zal een lang verhaal vormen, natuurlijk wel met wat grappige cliffhangers. En dan kijken we wel weer verder hoe het bevalt. Ik heb dit verhaal nu helemaal in mijn hoofd, dus dat is geen probleem. Ik vond het ook wel weer tijd voor De Familie Doorzon. Net als in de jaren 1980 is er ook nu weer ongelooflijk veel bullshit in de maatschappij. Maar eerlijk gezegd aarzel ik wel een beetje. Ik weet namelijk niet of ik er nu nog mee wegkom. Vroeger werd ik ook wel eens bedreigd naar aanleiding van een slecht gevallen grap, maar de bedreigingen van tegenwoordig zijn niet meer erg om te lachen. Als ik er niet meer zo keihard in kan gaan als in mijn beginjaren, omdat ik zo mijn eigen leven verpest, dan ga ik het gewoon niet doen.”

In het in 2020 verschenen StripGlossy nummer 18 maakt De Familie Doorzon zijn rentree. Eernaast een plaatje uit het comebackverhaal waaraan Gerrit De Jager momenteel werkt.

 

 

Misschien is het nu ook wel tijd voor een integrale Doorzon?

De Jager: “Zo’n integrale zou inderdaad wel mooi zijn, zeker in combinatie met die overzichtstentoonstelling. Maar ik heb niet de puf om dat zelf op touw te zetten en tot dusver heeft er zich nog geen uitgever gemeld.”

 

Veel van de uitspraken van John zijn ondertussen gemeengoed geworden. Nederland is al lang niet meer het gidsland dat het ooit was en ook hier hebben jullie die ruk naar rechts meegemaakt. Kan Doorzon nog even grensverleggend en reactionair zijn als het ooit was?

De Jager: “Nee, dat realiseer ik me wel. Het is net zo sneu als dat pakweg The Damned in de Paradiso zou optreden en dat je naar een aantal zestigers in leren jasjes zit te kijken die proberen om revolutionair punk te zijn.

Door die twee graphic novels werd ik wel weer op het spoor gezet van: ‘Kom, we gaan nog eens gewoon — om in muziektermen te blijven — een drieakkoordenstrip maken: back to basic en niet op effect tekenen.’ De personages zaten ook nog wel in mijn vingers: in die cartoon over John passeerden ze allemaal nog wel eens de revue. Ik tekende Doorzon altijd met een dikke pen en het was geleidelijk een soort van mainstream rock geworden. Heel vervelend, vond ik zelf achteraf. Ik wil nu terug naar een eenvoudig bandje — bas, drum, gitaar — zoals Doorzon in het begin was. Het moet gewoon een lekker getekend album worden met hele goeie grappen. Laat mij dat nou gewoon doen en dan zien we wel verder. Ik zit nu aan een ritme van eens in de zeven jaar een boek en misschien komt er nog wel eens in de zeven jaar een Doorzon. Ik ga er in elk geval niet meer elk jaar eentje maken.”

 

Heb je je personages eigenlijk laten verouderen voor dit nieuw verhaal?

De Jager: “Dat wilde ik dus doen, tot grote ergernis van mijn vrouw. Zij vond het stom, maar ik wilde het per se op die manier doen. Maar toen kwam corona. Dus nu zijn ze weer gewoon terug in de jaren 1980. Alles is weer bij het oude en iedereen woont weer thuis... door corona.

De titel van het album kan ik je trouwens al verklappen: Het is De Familie Doorzon Reset geworden. Er zijn natuurlijk wel een paar nieuwe elementen in gekomen, maar ik begin eigenlijk gewoon opnieuw. Ik zat vandaag nog te denken of ik de buurvrouw er op de een of andere manier nog terug in kan verwerken. Maar die is dood, dus ik zou niet weten hoe... Misschien als robot? Je hebt tegenwoordig toch van die levensechte robots? Van die poppen die alles kunnen? De buurman zou misschien zijn eerste vrouw zo hebben laten namaken. Ik ben er trouwens van overtuigd dat er al een aantal hele goeie robots onder ons zijn: Ronaldo bijvoorbeeld, da’s toch absoluut een robot?! Ariana Grande, Taylor Swift, dat zijn toch robots? Denk je niet?

En misschien, nu ik erover denk, zo’n robotpop die doet het misschien wél met pa Doorzon.”

 

Ik zou het hem gunnen, echt!

De Jager: “Alhoewel, ik denk dat zelfs dát hem niet lukt…”

 

Hij was ook niet zo sterk met technologie natuurlijk.

De Jager: “Da’s het punt, dat moet je ook nog kunnen…”

Enkele John-cartoons uit het Algemeen Dagblad.

 

Ik heb je ooit de vraag gesteld hoeveel van Gerrit De Jager er in John Doorzon zit.  Je noemde hem toen je rechtse kant. Gaat die stelling nog altijd op?

De Jager: (denkt na) “Dat was toen wel zeker zo, maar hij is ook wel een beetje geëvolueerd. Het is nu echt wel weer een ongelooflijke lul waar ik een hekel aan heb. Er zit dus niet echt veel meer van mezelf in. Hij is echt wel een zielig Trump-mannetje en maakt zich nu — als klimaatscepticus — toch druk over de stijging van de zeespiegel. Want hij denkt nog altijd dat de aarde plat is en dat het water zich begint op te hopen. Ik duw hem nu dus wel een beetje van me af.”

 

Toen ik nog eens grasduinde in je albums, kon ik niet anders dan constateren dat je een heel aantal heikele thema’s al vroeg op de korrel nam. Ik denk nu aan de pietendiscussie, de genderfluïditeit, racisme, het politieke landschap... Had je toen een directe lijn met Greet Hofmans of madame Soleil?

De Jager: “Nee, ik zag het gewoon, Mario! (lacht) Het is wel grappig. In de Volkskrant, onze grote linkse krant, stond naar aanleiding van de zwartepietendiscussie nog een artikel waarin geschreven werd dat ik in de jaren 1980 die thema’s al behandelde en dat ik — ik citeer — 'mijn tijd ver vooruit was.' Nou, dat heb ik uitgeknipt en op de ijskast gehangen. Als er dan thuis wat gedoe was met mijn vrouw of dochter, dan zei ik steeds: ‘Wel jongens, jullie begrijpen mij NOG niet, want (wijzend naar de ijskast) deze jongen is zijn tijd ver vooruit!’ (lacht) Nee serieus, ik verbaas me er zelf eigenlijk ook ongelooflijk over. Ik had al een LGBTQ+’er in mijn strip in de jaren 1980! Maar waar is dat bij mij toen vandaan gekomen? Het was echt niet zo dat ik zo’n ruig leven leed, hoor! Ik woonde in het begin nog gewoon met een gezinnetje in een doorzonwoning en mijn leven was saai maal twintig. Daarna ben ik getrouwd met een accountant en heb ik ook gewoon een doorsnee leven geleid. Ik begrijp het niet... Het komt ergens vandaan. Soms kom ik een cartoon van vijftien jaar geleden tegen en dan denk ik: ‘Dat is nog steeds actueel!’. De tijden lijken mij dus helemaal niet zo veranderd. Het blijft altijd maar hetzelfde gezeik.”

 

Zijn dit thema’s die je nu nog zou behandelen?

De Jager: “Tuurlijk, dat kom ook allemaal weer in de nieuwe Doorzon, zeker de dingen waar ik me echt kapot aan erger. In de jaren 1980 brak ik een lans over het feit dat die twee Surinaamse jongens nooit Zwarte Piet zouden moeten spelen, hoe graag pa Doorzon het ook wou. Nu is de discussie weer ongelooflijk doorgeslagen, dus nu ga ik daar weer op een andere manier tegenin. Een ander voorbeeld: we hebben hier in Nederland nu ook een non-binaire schrijver/schrijfster die nogal wat potten breekt: Marieke Lucas Rijneveld. En wat zie je gebeuren? Nu moet elke uitgever zijn eigen non-binaire auteur hebben! Het is gewoon niet te geloven! Ik kan me daar zo, zo, zooo over opwinden! Ik was pas nog aan het eten met mijn vroegere uitgever — het kon eindelijk weer — en toen hadden we het over dit thema en dat er heel veel aandacht was voor diversiteit: kleur, black lives matter en noem maar op. En toen zei zijn vrouw: ‘Nou daar gaan we weer! En gewone vrouwen? Hebben we het daar nog eens een keertje over?’ Dat wordt waarschijnlijk ook nog een thema in mijn boek. Die types die een heel klein deel van de maatschappij uitmaken, maar waar wel alle aandacht naartoe gaat. En de gewone man — of zeker de gewone vrouw — is weer de klos.”

De Familie Doorzon was al een en al diversiteit toen het nog niet moest. Cover van De Familie Doorzon 16: Door en Door Doorzon uit 1992.

 

 

Ik mis bij dergelijke discussies vaak de nuance. En vaak vinden ze ook dat je resoluut een kant moet kiezen.

De Jager: “Dat is ook wel het succes geweest van De Familie Doorzon, denk ik. Ik nam namelijk nooit een standpunt in voor of tegen. Ik had helemaal geen standpunt! Mijn standpunt was gewoon datgene wat de beste grap opleverde. En dat was soms heel rechts en soms heel links. Ik heb altijd de lulkoek en de bullshit proberen bloot te leggen, zowel bij rechts als bij links. Ik heb echt een hekel aan zulke zaken. Als ik de krant opensla en ik zou dan een lang artikel met een tweeëntwintigjarige non-binaire figuur moeten lezen die een vuistdikke roman heeft geschreven, terwijl ik weet dat die alleen maar de kans heeft gekregen om dat boek te schrijven omdat die zich non-binair noemt! (windt zich op) Hoeveel Marokkaanse schrijvers hebben kutboeken kunnen schrijven hier in Nederland, gewoon omdat ze Marokkaan zijn? Waardeloze boeken! Op een enkele uitzondering na, was er nooit eens iemand die zei: ‘Jongens, waarom is dit boek verschenen? We weten toch allemaal waarom dit boek is uitgegeven?...’”

 

Is de politieke correctheid wat doorgeslagen?

De Jager: “Ja, maar dat was in de jaren 1980 ook al zo. Het is gewoon te gek voor woorden gewoon. Je kan gewoon niks meer zeggen. Ik heb een dochter in huis — wij noemen haar Wokey — en ik durf gewoon niet meer in discussie te gaan.”

 

Zijn er dingen waar je nooit cartoons over zou maken?

De Jager: “Ik heb daar een vast antwoord op, ook al heb ik dat misschien nog nooit in het openbaar gezegd. Ik vind dat je overal, echt overal grappen over moet kunnen maken, maar als je ze maakt over echt heel erge dingen — ik noem nu de holocaust of kanker bij kinderen — dan kan dat alleen maar als die grap zo on-weer-staan-baar leuk is dat iedereen, maar dan ook iedereen, onwillekeurig in de lach schiet. En dat is natuurlijk gewoon... te moeilijk. Kijk maar naar Charlie Hebdo. Die grappen zijn gewoon niet zo leuk: echt strontvervelend en alléén maar kwetsend.”

 

Heb je ooit het gevoel gehad dat je te ver gegaan bent met een van je grappen?

De Jager: “Daar heb ik nou eens een heel recent goed verhaal over! Er stond pas in de krant dat er meer ongevallen gebeurden bij de overschakeling naar het zomeruur. Ik maakte daar dan een cartoon over: pa Doorzon had zijn auto rond een lantaarnpaal gekruld en dan zegt zijn schoonzoon Arie: ‘Welke mongool gaat dat klokje nu tijdens het rijden ’n uur vooruitzetten?’ Toen kwam er een boze brief van een vader die zei dat hij een dochter had met het syndroom van Down en dat hij dit dus wel heel erg kwetsend vond. Nou, 'mongool' is spreektaal; dat zeggen wij in Amsterdam als iemand iets stoms uitvreet. Ik moest dan van de hoofdredactie een excuusbrief schrijven waarin ik uitlegde dat het voor mij gewoon een scheldwoord was en ik het zeker niet associeerde met het syndroom van Down. Maar ik bood dus uitgebreid mijn excuses aan, de man aanvaardde die ook en ik dacht dat hiermee de kous af was. Maar wat schetste mijn verbazing?! Twee weken later kreeg ik een brief van diezelfde meneer waarin hij me meldde dat hij als genoegdoening de originele tekening wel wou hebben! Toen heeft mijn hoofdredacteur gevraagd wat dan zijn bedoeling was. Ging hij het in de woonkamer hangen? Dat is toch schokkend! Ik had er dus heel even spijt van, maar achteraf vond ik dit een geweldig verhaal...”

Het is opvallend hoe hard je stijl in de loop van de jaren versimpeld is. Samen met Hanco Kolk, Peter de Wit en vele anderen hebben jullie je eigen polderversie van de Klare Lijn ontwikkeld.

De Jager: (ligt dubbel) “EEN POLDERVERSIE VAN DE KLARE LIJN?! Ik moet dit interview met onmiddellijke ingang beëindigen! (lacht) Nee, zet dat alstublieft als titel erboven! Het is wel waar, het klopt ergens wel. Ik heb altijd met mijn neusje omhoog beweerd dat ik een adept was van de Hollandse stijl: Mondriaan, Dick Bruna, De Stijl, Rietveld,... maar deze accepteer ik ook.”

 

Je lijkt mij iemand die nog steeds voor handwerk kiest in plaats van voor het tekentablet.

De Jager: “Het worden eigenlijk een soort van halffabricaten zo langzamerhand. Bij alles wat je tekent, denk je: ‘Oh, dat maak ik straks wel goed met de computer!’ Een lijntje dat te ver uitsteekt, dat haal je weg of je vult nog ergens wat aan. Om nog eens even de vergelijking te maken met de muziek... Je kent de band The Traveling Wilburys?”

 

Die ken ik, ja!

De Jager: “Weet je hoe die aan hun naam gekomen zijn? Als die toppers Roy Orbison, George Harrison, Tom Petty, Jeff Lynne en Bob Dylan samen speelden, hing er wel wat magie in de lucht. Maar dan maakte Dylan natuurlijk weer een fout. Die is niet zo goed... En dan zeiden ze: 'Don’t worry, Bob! We will bury it in the mix.’ En zo voel ik me ook een beetje: een Traveling Wilbury. Een kuttekening maken we wel weer goed met de computer. Ik word er ook steeds handiger in.”

 

En dan gaat je dochter ermee verder?

De Jager: “Die doet dan de inkleuring, ja. Die is daar een stuk beter en sneller in dan ik. Ze kan niet tekenen, maar ze heeft wel een goed gevoel voor vormgeving. Dus dat laat ik graag aan haar over.”

 

Een nieuwe Doorzon: check! En daar zij we reuzeblij om. Maar een van de collega’s van Stripspeciaalzaak.be hunkerde ook naar een nieuwe Roel en zijn Beestenboel. Hoe sta je daar tegenover?

De Jager: “Het punt is dat Roel echt wel een beregoed uitgangspunt heeft: een jongetje dat weg moet van de boerderij omdat de stad oprukt en dan stiekem zijn beesten meeneemt. En als ze dan de deur uitgaan, doen ze gewoon kleren aan. Ik heb ooit weleens gedacht om er een kinderboek van te maken.”

 

Dat zou nog een leuke insteek zijn!

De Jager: “En nu we het er zo over hebben... Ik ben er al eens aan begonnen en toen wou ik zo’n hybride collage maken met geschreven tekst, wat illustraties en af en toe een strip ter afwisseling. Toen kwam ik er niet uit... Maar misschien heb ik er nu met deze Songlife als voorbeeld wel de juiste vorm voor gevonden. In plaats van een tennisboek en een strip, is het misschien wel een goed idee om het oerverhaal van Roel nog eens te vertellen in die Songlife-stijl. Daar zou ik nou zin in hebben als volgend project, weet je dat? Die nieuwe Doorzon, dat loopt wel, dat heb ik al ingepland a rato van één pagina per week, alsof ik voor een blad werk. Daarnaast heb ik nog wel wat betalende klussen lopen, want aan zo’n boek als Songlife verdien je natuurlijk niks. Maar als ik dat allemaal achter de rug heb, ga ik misschien wel eens denken aan een project rond Roel, alleen maar om aan de mensen te laten zien: ‘Kijk, wat een leuk thema!’”

De stripreeks Roel en zijn Beestenboel verscheen oorspronkelijk in de jaren 1980 in het Nederlandse jeugdblad Jippo. Bij Het Spectrum verschenen toen vier albums tussen 1981 en 1984. De reeks maakte een overstap naar het Belgische weekblad Robbedoes en de Franstalige versie Spirou. Tussen 1987 en 1995 publiceerde Dupuis tien albums (deel 0 tot 9), ook in het Frans. De reeks liep eveneens in het Nederlandse Sjors en Sjimmie Stripblad. Big Balloon gaf in 1996 deel 10 uit, het laatste album.

 

 

Zie je momenteel in het Nederlandse stripwereldje mensen die van jou de fakkel kunnen overnemen?

De Jager: “Er zijn wel een paar verschrikkelijk goeie tekenaars natuurlijk. Aimée de Jongh vind ik echt buiten categorie, maar ze raakt natuurlijk wel andere thema’s aan dan ik. En iemand als Floor de Goede vind ik zo’n goeie tekenaar, zo expressief. Die heeft echt een mooie tussenvorm ontwikkeld tussen cartoonesk en realistisch. Hij heeft natuurlijk al weleens een graphic novel gemaakt (Dansen op de Vulkaan uit 2013, nvdr), maar van hem zou ik wel eens een lang stripverhaal willen zien, gewoon met vier stroken op een pagina. Als ik ooit eens een goed scenario zou hebben dat ik zelf niet zie zitten om te tekenen of eentje dat een meer realistische benadering vraagt, dan zou ik wel bij hem aankloppen, denk ik.”

 

Ik vind zijn stripgedichten ook heel leuk, die hij samen met Edward van de Vendel maakt.

De Jager: “Ja, die zijn fantastisch. Ik ken hem ook al een tijdje: Hij kwam hier al als dertienjarige over de vloer.”

 

Heb je nog contact met de rest van de Amsterdamse scene? Met René Windig en Eddie De Jong bijvoorbeeld?

De Jager: “Windig ben ik pas nog tegenkomen bij de alternatieve boeklancering van Songlife. Die ging door corona in afgeslankte vorm door bij Concerto. Dat is niet alleen een boekhandel, maar ook een platenwinkel. We zouden het beperken tot de uitgever, de directeur, de vormgever en ik, maar toen kwam Windig gewoon binnengewandeld. Die had er ergens iets van horen waaien. Toen hebben we even gebabbeld en afgesproken dat we de draad terug zouden opnemen. We waren mekaar wat uit het oog verloren, ook al voor corona trouwens. Maar dat was altijd een van die collega’s waar ik een heel vanzelfsprekende band mee had, net als met Hanco Kolk en Peter de Wit. Wist je trouwens dat die ervoor gezorgd hebben dat ik Songlife heb kunnen maken?”

 

Nee, vertel!

De Jager: “Ik was er al wel even mee bezig, maar ik had nog geen uitgever. Op een gegeven moment stonden Hanco en Peter op een vrijdagmiddag bij mij voor de deur en zeiden: ‘Jij komt nooit naar buiten! Jij móet met ons mee!’ Ik probeerde me eruit te lullen door te zeggen dat ik nog een cartoon moest maken, maar toen bleven ze gewoon naast me zitten tot de cartoon klaar was. Ook lekker! (lacht) Ze troonden me dan mee naar een stripwinkel waar de Harold Foster Award uitgereikt werd. En daar was Hansje Joustra, die ik van tevoren nauwelijks kende! Die ging toen net voor Concerto Books aan de slag en vroeg me of ik niet iets had voor hem. En zo ging de bal aan het rollen... Zonder Hanco en Peter was er dus misschien nooit een Songlife gekomen... Zou zomaar kunnen!

(denkt na) Nou, dat van die polderversie van de Klare Lijn is echt wel hard aangekomen, hoor. Zie je wel dat dingen nog steeds hard kunnen binnenkomen... Gods kolere...”

 

Ik bedoelde het echt wel als een compliment, hoor.

De Jager: “Nou, als je een woord laat beginnen met polder, dan wordt het eventuele compliment al volledig doorgeschroefd!”

 

Ik zal die opmerking dan wel uit het interview laten.

De Jager: “Nee, dat mag je zeker niet doen. Ik vind het namelijk superleuk. Eigenlijk is het echt wel treffend omschreven, hoor. Als je die stijlen bij elkaar zet, dan is het ook allemaal heel Hollands. Het feit dat ikzelf ben beginnen tekenen, heb dúrven tekenen, kwam door de Hollandse school, vooral door Peter De Smet (die van De Generaal, nvdr) met name. Uderzo, Franquin en Hergé waren voor mij onhaalbaar met mijn techniek als jongeling. Maar dat Hollandse tekenen, dat POLDERtekenen, (grijnst) dat lukte me wel.”

 

Je hebt er ons in elk geval al heel wat leuke uren mee bezorgd! Hartelijk dank voor dit interview!

(Gerrits persoonlijke beschouwingen over Nederlandse en Belgische bieren zijn op simpel verzoek bij de interviewer te verkrijgen.  En ja hoor, Heineken en kattenpis kunnen ook bij een sympathieke noorderbuur in één zinsnede gebruikt worden...)

 

Volg Gerrit De Jager op Instagram of bezoek zijn website.

Songlife verscheen in mei 2021 bij Concerto Books. Het hardcoveralbum telt 144 pagina's en kost 26,99 euro. Hieronder vind je een fragment.