De Jommeke-jaren van (9): Kristof Fagard
“We moeten de basis van Jommeke als team bewaken en stap voor stap meegroeien met nieuwe leesgewoontes."
tekst: Pieter Deschoolmeester
Vorige zomer communiceerde Standaard Uitgeverij het verrassende nieuws dat twee jonge, talentvolle tekenaars, namelijk Steve Van Bael en Kristof Fagard, het Jommeke-team zouden vervoegen. Op het eerste album van Steve Van Bael is het nog eventjes wachten, maar de sympathieke Limburger Kristof Fagard heeft intussen zijn Jommeke-debuut op de stripwereld losgelaten. Jommeke 329: Over Koetjes en Ezels bevat de twee korte verhalen De Snorhoeve en Drie Gekke Ezeltjes, geschreven door respectievelijk Kristof Berte en het duo Willy Linthout en Ann Smet. Kristof Fagard mocht zich over het tekenwerk ontfermen en wat hij heeft afgeleverd is wat ons betreft meer dan geslaagd te noemen. Fris en vernieuwend, maar toch helemaal vertrouwd. Echt een schot in de roos! Hoog tijd dus om hem aan de tand te voelen over de making-of van dit album. Uiteraard polsen we ook eens naar hoe Jommeke zijn jeugd heeft gekleurd en wat de held met het strooien dakje voor hem betekent.
In 2025 ben je bij Jommeke begonnen. Hoe ben je er binnengeraakt? Waren er naast Steve Van Bael nog andere kandidaten?
Fagard: “Of er ook andere kandidaten waren, weet ik niet. Ik had toen net het laatste album van Suske en Wiske Junior voor Charel Cambré helpen afwerken en de tekenaar waarmee Charel toen samenwerkte, kon er op dat moment niet aan verder werken. Omdat Charel zich in die periode ook ontfermde over de Kiekeboes was er voor mij een mogelijkheid om Suske en Wiske Junior verder te zetten, maar in een gesprek met Standaard Uitgeverij kreeg ik het voorstel om aan Jommeke mee te werken. En die kans heb ik gegrepen. Zo ben ik er eigenlijk ingerold.”
Over Koetjes en Ezels is je debuutalbum bij Jommeke. Je bent waarschijnlijk ontzettend benieuwd hoe het onthaald zal worden bij de lezers. Hoe trots ben je op dit album?
Fagard: “Trots is misschien een groot woord voor mijn eerste album aan zo’n gevestigde reeks. Ik ben voornamelijk dankbaar en tevreden dat ik met dit album het vertrouwen van de huidige tekenaars en de uitgeverij heb kunnen winnen. Ik ben ook ontzettend vereerd dat ik met mijn debuutalbum het feestjaar voor de zeventigste verjaardag van Jommeke heb mogen afronden. Als ik iemand al kan laten glimlachen bij het lezen, is dat voor mij geslaagd. Voor mij is niets zo waardevol als iemand die in een verhaal kan opgaan en daarbij even weg is van deze aardbol, verloren in een avontuur.”
Wat was de grootste uitdaging tijdens het maken van je eerste Jommeke-strip en hoe heb je die overwonnen?
Fagard: “Met de steun van de uitgeverij ben ik in dit avontuur gestapt. In deze unieke situatie moest ik eerst het vertrouwen winnen bij het bestaande Jommeke-team. Zo’n vertrouwen moet groeien en vraagt tijd om aan te tonen dat ik de stijl van Jommeke aanvoel zonder dat iemand mij stap voor stap begeleidt. Eens ik meer voeling kreeg met de manier waarop het team denkt in zowel beeld als ritme, viel alles beter op zijn plaats. Ik ben een tekenaar die ook de visie van de auteur gebruikt: hoe wordt het verhaal visueel benaderd, waar liggen de klemtonen, hoe gebruiken ze al dan niet de horizonlijn, hoe plaatsen ze de figuren in het kader, zowel bij dialoog als beweging? Dat zijn een hele hoop punten die je eigenlijk maar deels uit bestaande albums en tekeningen kan halen. Gedrukte albums doorlopen immers al een heel productieproces met revisies en tijdsdruk en ze reflecteren daardoor niet altijd de intentie van de tekenaar. Zo kan het vertrouwde ‘gevoel’ bij de lezer verloren gaan.”
Kon je dan niet terugvallen op de zogenaamde Jommeke-bijbel: een map samengesteld door Jef Nys met instructies in over hoe je de hoofd- en bijfiguren in allerlei poses, maar ook huizen, bomen, auto’s, enzovoort moet tekenen
Fagard: “Aanvankelijk heb ik me inderdaad gebaseerd op deze door de uitgeverij aangeboden map die grotendeels samengesteld is met tekeningen van Hugo De Sterk. Ja, dat is een sterke basis, maar het dekt niet alle nuances van de huidige stijl. Voor gebouwen, voertuigen en verhoudingen heb ik bijvoorbeeld nog aanvullende eigen referenties moeten opbouwen zodat alles aansluit bij de huidige stijl en visie die de strip ademt. Er waren namelijk niet echt modelsheets voorhanden van de gebouwen of voertuigen en vergeleken met de huidige stijl kwamen de interne verhoudingen van de figuren ook niet altijd meer overeen. Dat vroeg aardig wat opzoekingswerk van mezelf in de bestaande albums en zo ben ik zelfstandig, als zelf opgelegd huiswerk, gegevens beginnen te verzamelen.”
Modelsheet voor het personage meneer Centjens en hoe hij in het korte verhaal De Snorhoeve. is verwerkt. Vooraanzicht en de plattegrond van Gobelijns huis. En diverse personagestudies.
Dat dit noeste opzoekingswerk duidelijk vruchten heeft afgeworpen, heeft Philippe Delzenne mij een tijdje geleden met klem bevestigd. Hij apprecieert enorm jouw werklust, werkethiek en leergierigheid. Volgens hem heb je de figuren in een sneltempo goed onder de knie gekregen en zijn de verhoudingen, perspectieven en globale settings uitermate goed. Idem voor de opbouw van je decors. Hij is ook vol lof over het feit dat je nieuwe, originele en goede houdingen hebt aangebracht in de opbouw van de figuren. Ook over jouw schetsen is hij enthousiast want deze zijn zodanig uitgepuurd en afgewerkt dat het inkten een plezier is.
Fagard: “Dat doet deugd om te horen, de figuren nodigen ook uit om ermee te spelen. Het plezier moet voelbaar zijn in de tekeningen. Ik probeer voornamelijk om er zorgvuldig mee te werken en kijk uit naar waar ik moet bijschaven, om zo de Jommeke-huisstijl zelfstandig neer te zetten. Het gevoel dat ik aan hun verwachtingen kan voldoen, geeft vertrouwen en voldoening.”
Hoe is het trouwens om door Philippe Delzenne opgeleid te worden?
Fagard: “Leuk en constructief. Eigenlijk ben ik een autodidact en fladder ik al een hele periode tussen verschillende stijlen. Dit gaf me de kans om mijn opgedane kennis meteen toe te passen, zonder een al te grote inloopperiode. Normaal kiest een tekenaar zelf iemand die hij dan een opleiding geeft, maar de drukte en snelheid waarmee Jommeke gemaakt wordt, laat zo’n uitgebreide opleiding niet meer toe. Ik werd aan Philippe toegewezen. Hij volgt wel mijn werk nauwgezet op en stuurt zijn opmerkingen digitaal door. Daarnaast vraag ik hem ook regelmatig voorbeelden die ik dan overteken of inkt. Daarbij let ik op naar waar ik afwijk van zijn manier van werken en stuur daar dan op bij. Als de meester in ambacht die hij is, schaaft hij met andere woorden mijn ruwe kantjes bij.”
Een paar originelen op de lichtbak om over te tekenen.
Hoelang heb je aan Over Koetjes en Ezels getekend?
Fagard: “De uitgeverij heeft me op het einde van 2024 benaderd met de vraag of ik interesse had om aan de Jommeke-reeks mee te werken. Als zelfopgelegde oefening ben ik dan onmiddellijk begonnen met mijn eerste Jommeke-schetsen. In mei 2025 kreeg ik dan het voorstel om twee korte verhalen uit te werken en halfweg juni hebben ze mij het scenario aangeleverd dat ik een maand later ben beginnen uittekenen. Dit werd een krappe deadline omdat we dit album nog graag in dit feestjaar wilden publiceren. Ik heb deze kans meteen gegrepen en heb er alles aan gedaan om die deadline te halen en het vertrouwen van het team en de uitgeverij te winnen. Dat is allebei goed gelukt want op 20 oktober heb ik de laatste plaat afgewerkt.”
De twee korte verhalen in Over Koetjes en Ezels zijn geschreven door Kristof Berte en het duo Willy Linthout-Ann Smet. Hoe verliep die samenwerking?
Fagard: “Zeer vlot eigenlijk. Het scenario van Kristof Berte voor De Snorhoeve kreeg ik als eerste. Dat was trouwens ook Kristof zijn eerste verhaal dat hij destijds heef aangeleverd voor de reeks Jommeke. Het scenario van Willy Linthout en Ann Smet heb ik wat later, in de zomer van 2025, ontvangen. Ik moest tijdens het tekenen ook niet regelmatig met hen samenzitten. De scenario’s waren immers al klaar voor uitwerking. Directe communicatie was dus niet meer nodig. Voor dit project verliep alle communicatie eigenlijk via de uitgeverij en Phillipe Delzenne heeft dan ondanks zijn drukke agenda de nodige tijd vrijgemaakt om mijn werk, waar nodig, bij te sturen.”
Had je ook inspraak in het scenario?
Fagard: “Ik kreeg vrijheid over de continuïteit, de achtergrondsituaties en ook om de nevenfiguren wat aan te vullen zolang de plotlijnen of het verloop van het verhaal maar niet veranderden. Als ik in een scène iets aanpas of aanvul, doe ik dit altijd in functie van wat er gebeurt. Ik stel mezelf namelijk steeds de vraag of het iets tot de scène bijdraagt of eerder afleidt.”
Kreeg je storyboards van de scenarist in kwestie? Hoe moet ik me dat voorstellen?
Fagard: “Voor beide korte verhalen ontving ik van de uitgeverij inderdaad het storyboard en een uitgetypt scenario. Iets wat ik voor mijzelf altijd doe wanneer ik een storyboard krijg, is die pagina’s als een boekje afdrukken. Met die boekjes naast mij start ik dan met het decouperen van het album in thumbs, ook wel quarto’s genoemd. Dit helpt me heel goed bij het bepalen van de ‘flow’ en het leesritme.”
Instructies en uitgeschreven dialogen voor de tekenaar en storyboardvoorbeelden.
Ben je van plan om later ook zelf scenario’s te schrijven?
Fagard: “Ja, eigenlijk wel. Ik zou dat heel graag doen als daar in de reeks nog ruimte voor is. Bij het maken van een pagina denk ik altijd in structuur, ritme en anticipatie. Ik overweeg welke pose het best bij de gesproken dialoog kan passen. De gekozen acties moeten de scène duidelijk houden en kunnen versterken. Scenario-denken als dat zit al verweven in mijn manier van werken.”
Op pagina 43 in het korte verhaal Drie Gekke Ezeltjes zie ik in het publiek de scenaristen Willy Linthout en An Smet zitten. En in strook 23 van De Snorhoeve heb ik ook Philippe Delzenne en Gert Van Loock opgemerkt. Klopt dit? Zijn er nog cameo’s in dit album die ik niet gevonden heb?
Fagard: “Goed gezien. Dat klopt. Cameo’s die je niet gevonden hebt? Wel, je kan Kristof Berte ook zien terwijl hij een koe aan het melken is en ook Dieter Steenhaut houdt ergens in het verhaal een konijntje vast. Agnes Nys foefelde ik er trouwens ook nog in. Dat gaf me wat plezier tijdens het maken van de strip.”
Kristof heeft zijn scenarist Kristof Berte als koeienmelker en het duo Willy Linthout en Ann Smet in het circuspubliek verwerkt. Ook Philippe Delzenne, Gerd Van Loock, Agnes Nys en Dieter Steenhaut maken een cameo.
Wat opvalt, is dat dit album terug 48 pagina’s telt. Wil dat zeggen dat we binnenkort terug albums van 48 pagina’s mogen verwachten?
Fagard: “Nee, dat is niet de bedoeling. Dit album telt uitzonderlijk opnieuw 48 pagina’s omwille van de twee korte verhalen die elk 22 platen tellen. Het is volgens mij wel een mooie afsluiter voor dit feestjaar.”
Het is van School op Stelten (deel 282) geleden dat er nog eens een album met korte verhalen in de hoofdreeks is verschenen. Is er een reden waarom je net met korte verhalen en niet met een regulier verhaal gedebuteerd bent bij Jommeke? Zijn die korte verhalen misschien nog bedoeld voor een of ander thema- of spelletjesboek?
Fagard: “Nee, de korte verhalen zijn enkel voor dit album bedoeld. Ze hebben vooral de functie gehad om eens te toetsen hoe snel en of ik überhaupt in de (hedendaagse) Jommeke-stijl kon meedraaien. In dat opzicht heeft een kort verhaal namelijk minder risico en kon ik het huidige team en de uitgeverij gemakkelijker overtuigen. Naarmate het vertrouwen groeide, kreeg ik zelfs de kans om al enkele doe-boekjes en een AVI-boekje van covers te voorzien. Hiervan zijn er al twee verschenen.”
Coverontwerpen voor AVI- en spelletjesboeken en een hommagetekening van Kristof Fagard in het huldeboek Jommekes bij de Vleet, in 2010 verschenen bij Ballon Comics.
Je eerste tekening van Jommeke en co vinden we terug in het hommagealbum Jommekes bij de Vleet, maar dit is een eigen interpretatie in jouw stijl. Hoe moeilijk is het om de klare lijn van Jef Nys te imiteren? Wat vind je het moeilijkst aan Nys' tekenstijl?
Fagard: “Die hommagetekening is er een die ik in 2009 maakte ter gelegenheid van het overlijden van Jef Nys en die later in Jommekes bij de Vleet werd opgenomen. Mijn hele carrière is een gefladder tussen zowel de klare lijn als de Marcinelle-traditie (de Franco-Belgische komische stijl van reeksen uit het oude stripweekblad Robbedoes, nvdr). De moeilijkheid voor mij ligt hem in het vinden van het juiste minimalisme. De strip is uiteraard na de periode van Jef Nys verder geëvolueerd, zowel in onderlinge verhoudingen als in vertelstijl, maar toch is de geest van Jef Nys' visie bewaard gebleven.”
Wat zijn de grootste verschillen tussen de Jommeke-stijl en de tekenstijlen die je voordien hebt toegepast in de Kiekeboes, Heden Verse Vis, Amoras en andere?
Fagard: “Goh, puur technisch denk ik dan vooral aan de interne verhoudingen van de figuren en ook de mimiek van de Jommeke-figuren is anders. Het ligt hem eveneens in het doelpubliek. Je kan in een strip als Jommeke bijvoorbeeld geen kleine nuances aanbrengen zoals bij Amoras dan weer wel kan. De beweging, intenties en het verhaal moeten bij Jommeke in één oogopslag duidelijk zijn.”
Je werkt ook nog altijd als freelancer voor verschillende Belgische uitgeverijen. Lukt het goed om dit te combineren met je tekenwerk voor Jommeke?
Fagard: “Ik probeer projecten gescheiden te houden. Meestal werk je voor Jommeke aan alle fases van schets tot inktlijn mee en dan is er niet veel tijd over. Maar voor andere reeksen was het wel switchen van dag tot dag. Iets waar ik eerlijk gezegd niet direct een probleem mee heb.”
Door de komst van Steve Van Bael en jou worden de andere Jommeke-tekenaars wat ontlast. Is er eigenlijk afgesproken hoeveel albums per jaar je zal maken?
Fagard: “De beslissing wanneer verhalen verschijnen, ligt bij de uitgeverij. Iedere tekenaar zal op een vast ritme kunnen blijven werken.”
Kan je al een tip van de sluier oplichten van je volgende album waaraan je bezig bent? En wanneer mogen we dat verwachten?
Fagard: “We zijn dit eigenlijk nog aan het bekijken. Pas begin volgend jaar kan ik met een nieuw scenario van start. Ik moet dus helaas nog even op mijn tanden bijten.”
Een beetje extra kleur bij nevenpersonages en ver op de achtergrond een gesluierde vrouw.
Laten we even teruggaan naar Over Koetjes en Ezels. In Drie Gekke Ezeltjes nemen twee agenten Anatool gevangen. Het gaat over een vrouwelijke autochtone agente en een mannelijke allochtone agent. Bij mijn weten hebben we dit nog niet gezien in Jommeke. We zijn in dit verhaal ook getuige van een gemengd huwelijk in spe, namelijk dat van boer Snor met een zwarte dame. En op de openingsprent van Drie Gekke Ezeltjes zien we een gesluierde figuur rondlopen. Is dit doelbewust door de uitgeverij opgelegd om zo de diversiteit in onze steeds veranderende samenleving zo realistisch mogelijk weer te geven?
Fagard: “Een moeilijke vraag. Ik sta daar eigenlijk niet bewust bij stil. In ieder geval kreeg ik hiervoor alle vrijheid van de uitgeverij. Meestal teken ik de scène over zoals deze zich in mijn hoofd afspeelt en die is gebaseerd op de omgeving zoals ik die rondom mij waarneem. In het geval van die twee agenten nam inkleurster Sabine De Meyer haar vrijheid en kleurde ze die agent wat donkerder in. Dat was natuurlijk een leuke interpretatie van mijn lijn. De vriendin van boer Snor toonde zich aan mij als een uitbundig en guitig typetje, dus heb ik haar ook zo getekend. Op die scène waarin boer Snor zijn vriendin voorstelt, reageert Filiberke zoals iemand van zijn leeftijd. Hij durft hier misschien wel wat te hard van stapel lopen. We gaan moeten zien hoe hun relatie kan evolueren.” (lacht)
Maak je gebruik van digitale tekenprogramma’s of andere digitale hulpmiddelen bij het tekenen van Jommeke? Verkies je papier of digitaal?
Fagard: “Goh, de reeks heeft zijn charme omdat het nog op de klassieke manier wordt gemaakt. Ik denk dat veel van die charme verloren kan gaan door meteen digitaal te inkten. Momenteel werk ik op papier, wat voor mij de meest aangename manier is. Je hebt veel meer tactiele informatie, het krassen van de pen, de geur van de inkt, het gevoel van het papier,... Voor het potloodwerk gebruik ik wel digitale tools omdat dit gewoon vlotter werkt. Je kan sneller dingen wegsnijden of verleggen. En zo krijg ik natuurlijk thuis ook niet meer onder mijn voeten omdat de deuren vol potloodresten hangen.” (lacht)
Je hebt de hoofdfiguren al heel goed onder de knie. Ik zie eigenlijk nauwelijks een verschil met de albums van andere tekenaars en ik ben er zeker van dat de jongere lezers helemaal geen verschil zullen zien. Ook de decors zijn typisch Jommeke. Alles voelt heel vertrouwd aan. Missie geslaagd dus! Denk je er ook zo over? Of vind je zelf dat er nog verbeterpunten zijn waaraan je in de toekomst moet werken?
Fagard: “Dank je! Dat is al een heel groot compliment. Er zijn zeker nog punten van verbetering. Daar haal ik ook het plezier uit. Te mogen leren tekenen als Philippe en Gerd, is plezant.”
De openingspagina van De Snorhoeve met typische Jommeke-plattelandsdecors en achtergrondfiguren die afwijken van de Jommeke-stijl.
Mij is het wel opgevallen dat de vriendin van boer Snor, zijn zus en schoonbroer toch enigszins afwijken van de klassieke Jommeke-figuranten, waarmee ik helemaal niet wil zeggen dat het storend is. Maar het valt toch op en het is eventjes wennen. Ben je je daarvan ook bewust? En deel je mijn mening? Of sla ik de bal mis?
Fagard: “Ik heb inderdaad nog wat moeite met het vinden van de juiste stijl van de achtergrondfiguren. Dat klopt. Daar ben ik me ook bewust van. De zus van boer Snor baseerde ik op boer Snor zelf, maar ik heb haar neus wat kleiner en scherper gemaakt. Het inkten draagt volgens mij ook heel veel bij aan het karakter van de strip. Daar moet ik goed op toezien. Gelukkig stuurt Philippe me wat dat betreft geregeld bij.”
Een dikke pluim opnieuw voor de inkleuring. Dat is opnieuw heel mooi verzorgd. In hoeverre heb jij inspraak gehad in de inkleuring? De Snorhoeve is bovendien ingekleurd door LaGrafica terwijl Drie Gekke Ezeltjes door Sabine De Meyer is ingekleurd. Is daar een specifieke reden voor?
Fagard: “Bij dit album had ik niet veel inspraak over de kleur, maar de inkleuring is inderdaad zoals altijd fijntjes afgewerkt. Waarom er twee inkleursters aan dit album gewerkt hebben, ligt volgens mij aan hun agenda’s. Zowel LaGrafica als Sabine De Meyer werken namelijk ook nog voor andere reeksen. Waarschijnlijk zal de inkleuring van mijn tweede korte verhaal niet meer in de agenda van LaGrafica gepast hebben.”
Zat Jommeke in feite tussen de albums die jouw jeugd gekleurd hebben?
Fagard: “Als kind las ik voornamelijk de brave klassiekers, zoals Suske en Wiske en uiteraard ook Jommeke. Op de speelplaats en bij mijn neef was dat dan stiekem Urbanus. Ik vond het dan ook zeer leuk om eens op scenario van Willy en Ann te mogen werken. De meeste strips haalde ik echter voornamelijk uit de vele stripbladen van die tijd. Don Lawrence (Storm) en Bédu (Hugo) leerde ik bijvoorbeeld zo kennen.”
Welke strips staan er nu zoal in jouw boekenkast?
Fagard: “In mijn kast vind je voornamelijk technische boeken, maar ook de Vlaamse hoofdreeksen, waaronder de Kiekeboes natuurlijk. Ieder boek in mijn boekenkast zit vol met nota’s en post-its. Ik leer namelijk graag van strips en maak veel aantekeningen, wat me helpt herinneren wat ik zag. Naast de klassieke strips heb ik ook veel comics, manga en graphic novels. Fantasy en scifi kunnen me enorm bekoren, voornamelijk omwille van de manier waarop ze onze eigen maatschappij kunnen weerspiegelen. Ik volg eigenlijk niet meteen een enkele reeks. Wat me aanspreekt, neem ik op en bestudeer ik grondig. Ook tekenaars als Albert Uderzo (Asterix) en Juanjo Guarnido (Blacksad) fascineren me om verschillende redenen.”
Studiemateriaal uit de boekenkast van Kristof.
Wat was het eerste Jommeke-album dat je ooit gekocht of gelezen hebt
Fagard: “De Luchtzwemmers (deel 81). Dat was een uniek en fantastisch verhaal voor mij.”
Wat zijn je lievelingsalbums van Jommeke?
Fagard: “Op dit moment moet ik je een antwoord voor de recentere albums schuldig blijven, ik ben nog volop met mijn huiswerk bezig. (lacht) Strips.be is op dat gebied wel een zegen. Zo kan ik alle albums die ik niet heb op mijn gemakje doornemen. Er zijn heel wat albums waar ik nostalgisch op kan terugkijken en die met plakband aan elkaar hangen omdat ik ze zo vaak heb gelezen en herlezen. De Kaart van Wawa Wang (deel 98) bijvoorbeeld, met de ontvoering van een van de Miekes. Of De Stenen Aapjes (deel 83). Als kind vond ik dat een heel spannend verhaal. De Chinese Kast (deel 140) is ook een van mijn favorieten, net als De Luchtzwemmers (deel 81). De Grasmobiel (deel 65) is ook een album dat ik koester. Die Grasmobiel vond ik een geweldige uitvinding. Dit album is bovendien ook mooi vormgegeven.”
Fragment uit De Kaart van Wawa Wang (deel 98) en een jeugdfoto van de latere tekenaar Kristof (rechts op de foto) met twee van zijn broers in hun vliegende doos.
We zijn allebei geboren in 1981. Toen wij beiden Jommeke begonnen te lezen, hebben we telkens bewust de albums van Hugo De Sterk en Jan Ruysbergh weten verschijnen. Welke plaats nam Jommeke in tijdens jouw jeugdjaren?
Fagard: “Als kind imiteerde ik vooral Filiberke. Tijdens het spelen, liet ik me inspireren door zijn fantasie en creativiteit. Net als Filiberke stak ik vroeger nogal wat fratsen uit en ik had altijd wel iets in mijn gedachten om in elkaar te knutselen.”
Was het jou als kind ook al opgevallen dat Jommeke verschillende tekenaars had?
Fagard: “Ik bekeek strips inderdaad wel op die manier en merkte verschillen op, maar als kind had ik niet meteen door dat er zoveel verschillende tekenaars waren. Ik leerde pas uit boeken over strips maken dat dit in studioverband gebeurde door verschillende mensen met verschillende taken.”
Over studiowerk gesproken. Wat prefereer je: studiowerk of thuiswerk?
Fagard: “Ze hebben beide hun voor- en nadelen. Door thuiswerk kan ik natuurlijk meer aanwezig zijn bij mijn gezin en het bespaart me ook tijd die ik anders zou verliezen op de baan om van en naar een studio te rijden. Met studiowerk heb je daarentegen de mogelijkheid om samen te werken. Je draagt een werklast in groep en ik denk dat dit voor velen de werkdag aangenamer kan maken. Je hebt wat sociale contacten en je kan veel sneller van elkaar leren. Wat ik nu voornamelijk mis, is om wekelijks mijn werk via persoonlijk en fysiek contact te tonen. Dat was voor mij toch wel een harde noot om te kraken. Sinds de Coronaperiode lopen veel opdrachten namelijk louter via mail of sms en een videocall als alternatief vangt zoiets niet volledig op.”
Als ik het goed begrijp, heb je dan eigenlijk niet zo heel veel contact met de andere tekenaars.
Fagard: “Correct. Tot op heden had ik enkel met Phillipe contact. Voordat ik met Jommeke startte, heb ik Dieter ook wel al eens kort ontmoet, maar ik heb tot nu toe nog niet met hem kunnen samenwerken. Een heel leuk moment voor mezelf was toen ik bij Philippe thuis was om even de al getekende platen door te nemen. Dat was net na een evenement rondom Jommeke in Technopolis, waar hij via een verzamelaar een tekening van Jef Nys zelf had kunnen bemachtigen. De fierheid waarmee hij dat liet zien en de mooie herinnering aan Nys die hij toen deelde, zullen me nog heel lang bijblijven. Dat zijn kleine momenten waarbij je merkt hoeveel plezier hij nog steeds heeft om de verhalen voor Jommeke te maken. Een ander geslaagd moment voor mij was toen hij mijn interpretatie zag van de dansende ezeltjes in Drie Gekke Ezeltjes. Die reactie was puur en hij was heel enthousiast over de houdingen. Zodanig enthousiast zelfs dat hij me prompt in de ochtend een voorbeeld van de inkting doorstuurde die hij op mijn potloodlijn had aangebracht. Dat was een fijne werkdag!”
Dansende ezeltjes en de potloodversie van een halve pagina uit het korte verhaal Drie Gekke Ezeltjes.
Welke personages uit het Jommeke-universum vind je het boeiendst?
Fagard: “Dan denk ik onmiddellijk aan Gobelijn, Mic Mac Jampudding, Elodie van Stiepelteen met haar hond Fifi, enzovoort. Als kind las ik trouwens altijd StiepelSteen in plaats van StiepelTeen. (lacht) Ook Flip, met zijn gevatte commentaren, vind ik heel plezant. Er zijn er eigenlijk te veel om op te noemen. Ieder personage heeft zo zijn eigen manier van omgaan met de wereld waarin Jommeke zich afspeelt en dat vind ik geweldig.”
Welke personages teken je het liefst? Welke niet?
Fagard: “Ik ben niet een persoon die zich focust op wat hij niet graag tekent. Ik hou gewoon van tekenen en dan voornamelijk van dieren, maar dat had ik misschien beter niet laten vallen toen ze een kort verhaal kozen. (lacht) Toch heb ik me enorm geamuseerd met de dieren in Over Koetjes en Ezels. Filiberke en de Miekes teken ik ook heel graag. Jommeke ligt voorlopig nog wat moeilijker. Als ik zijn speciale kapsel teken, moet ik nog steeds goed nadenken over de vorm en het volume. De rest vloeit gelukkig al wat vlotter uit mijn pen.”
Zijn er favoriete nevenfiguren die je graag nog eens zou willen terugzien in een volgend album? Of albums waarop je graag een sequel zou maken?
Fagard: “Goeie vraag. Er valt nog zoveel te beleven met de figuren. Ik zou eigenlijk niet meteen een sequel kunnen kiezen. Maar op een verhaal met barones van Stiepelteen en consoorten zou ik zeker geen nee zeggen.”
De verhalen van Jommeke spelen zich af over de hele wereld, maar evengoed ook dichter bij huis in Zonnedorp. Zijn er specifieke settings die jouw voorkeur genieten?
Fagard: “Ik hou van scènewisselingen in verhalen. De scène aan de kust van Hugo De Sterk in De Mandoline van Caroline (deel 166) toont bijvoorbeeld een dijk vol beweging en toch een rust bij de figuren. Dat zijn fantastische beelden die me bijblijven. Het leuke aan Jommeke is dat ze, net zoals kinderen, ook op doodgewone plaatsen toch nog een vol avontuur kunnen beleven. Van mij mogen ze heel de wereld afreizen. Hoe meer scènes, hoe liever ik het teken. Toch hebben de 'dicht bij huis'-verhalen, waarin wij als tekenaar onze eigen ervaringen kwijt kunnen, ook hun charme natuurlijk.”
Jommeke op de dijk van Koksijde in De Mandoline van Caroline (deel 166).
Met Jef Nys heb je gemeen dat hij ook een enorme bewonderaar was van Walt Disney. Nys heeft zelfs nog gesolliciteerd bij Walt Disney, maar de Tweede Wereldoorlog brak uit en daardoor moest hij die ambitie laten varen. Heb je ooit gedroomd van een carrière bij Walt Disney Studios?
Fagard: “Goh, jazeker, maar niet alleen bij Disney hoor. Typisch voor de Amerikaanse stripmarkt is dat je meteen to the point moet komen, alles is in functie van het verhaal. In tegenstelling tot bijvoorbeeld werken van de Japanse animatiestudio Ghibli, om in hetzelfde medium te blijven. Daarin wordt tijd genomen voor het gevoel, de rust, of het visueel uitwerken van bijvoorbeeld eten of menigten die de scène ondersteunen. Ik dans heel graag met de lezer door met het leesritme te spelen.”
Veel van de oudere tekenaars die Jef Nys nog gekend hebben, vonden hem een warme en hartelijke man met wie het aangenaam praten en keuvelen was, niet alleen over Jommeke, maar over van alles en nog wat. Mocht Jef nog in leven zijn en je hebt de kans om hem te ontmoeten, waarover zou je dan graag met hem willen praten?
Fagard: “Dan zou ik zeker van hem willen horen hoe hij werkte en hoe zijn dagindeling eruitzag. Ik ben ook benieuwd naar zijn kleine gewoontes aan de tekentafel. Wat hem kon ontroeren, dat zou ik hem ook willen vragen. Was dat een brief van een lezer? Of een scène die ‘juist’ viel? Of de steun en aanmoedigingen van zijn familie?”
Ook na Jefs dood, nu al zestien jaar geleden, is Jommeke populair gebleven. Hoe verklaar je het succes van de reeks?
Fagard: “De strip is een icoon voor vriendschap, heldere humor en avontuur. De reeks heeft een goede voeling met het doelpubliek. In die zin is de strip een ‘veilige’ aankoop. De reeks vermijdt ook overdreven geweld en controversiële thema’s. Ook belangrijk: in de strip beleven de personages avonturen in een wereld zoals kinderen die ervaren. Die herkenbaarheid draagt zeker bij tot het succes, net als de eenvoud en helderheid. Voorlezende ouders hoeven de verhalen niet op voorhand te lezen om er de verborgen boodschappen uit te halen. Al bestaat de kans nog steeds dat ze er wel voor kiezen om het album eerst te lezen natuurlijk.” (lacht)
In inkt uitgewerkte stroken 71 en 72 en de ingekleurde stroken.
Laten we dit interview afronden met de klassieke vraag: hoe zie je de toekomst in voor Jommeke en strips in het algemeen?
Fagard: “Goh, dat is een moeilijkere vraag. (blaast) Voor mij heeft Jommeke een eenvoudige kern: de lezer krijgt een goed avontuur, een moment waarop hij even samen mee op avontuur kan gaan met Jommeke. Die basis moeten we als team bewaken en stap voor stap meegroeien met nieuwe leesgewoontes. Zo houden we de verhalen levend voor wie is opgegroeid met Jommeke én voor wie er vandaag voor het eerst mee op pad gaat. Dat gevoel blijft volgens mij het sterkst op papier. Digitaal zie ik niet meteen als een tegenpool, eerder als een etalage en ontmoetingsplek. Korte glimpjes die goesting kunnen wekken. Ik blijf wel geloven in het stripmedium, alleen moeten we ons bewust zijn van de verschuiving naar het digitale. Ik denk niet dat de papieren strip meteen zou verdwijnen, maar we gaan er wel rekening mee moeten houden dat we de sociale media niet kunnen mijden.”
Hartelijk dank voor dit boeiende interview. Succes nog met je verdere carrière bij Jommeke. We kijken alvast hard uit naar je volgende album.
Fagard: “Met heel veel plezier gedaan! Bedankt!”