De Jommeke-jaren van (7): Philippe Delzenne
“Ook vandaag lees en bekijk ik de hele reeks nog elke dag. Ik sta op en ga slapen met Jommeke."
tekst: Pieter Deschoolmeester — © portretfoto: Bas Bogaerts
Op een bewolkte dag ergens begin augustus ben ik onderweg naar Jommeke-medewerker Philippe Delzenne voor een uitgebreid interview over zijn Jommeke-jaren. Na een korte sanitaire stop aan het sportterrein van Gistel, waar een tijdje geleden het door hem getekende album Grootouderbal (deel 326, zie deze reportage) werd voorgesteld en het eerste officiële partijtje van het gelijknamige spel werd gespeeld, is het nog een paar minuutjes stappen naar zijn woning. Philippe ontvangt me in zijn ‘heiligdom’, zijn atelier op de eerste verdieping, een lichtrijke en gezellige ruimte waar zijn tekentafel, computer met bijhorende apparatuur en zijn stripkast staat. Op zijn tekentafel liggen originele pagina’s die hij aan het inkten is voor een album dat volgend jaar pas verschijnt. Op het scherm van zijn pc zie ik een gescande pagina van een kort verhaal getekend door de nieuwe tekenaar Kristof Fagard dat op 4 december uitkomt. Van een mooie eerste indruk gesproken!
Jommeke 328: Het Staatsgeheim, op scenario van Marc Legendre, verscheen op 2 oktober bij Standaard Uitgeverij. Een Boek over Phidel dateert van november 2024, uitgegeven door Bonte.
De innemende man die voor me zit, is al tientallen jaren begeesterd en gepassioneerd door Jommeke. Men had me daarvoor gewaarschuwd en het klopt helemaal. Philippe Delzenne ademt gewoon Jommeke. Zijn passie, gedrevenheid en enthousiasme voor het Jommeke-universum zijn bewonderenswaardig. Jommeke én natuurlijk ook Trace-Noël (zijn graphic novel waar hij al ruim tien jaar aan werkt en die bijna voltooid is) beheersen zijn leven. Dat wordt ook bevestigd in zijn biografische koffietafelboek Een Boek over Phidel dat eind vorig jaar is verschenen bij uitgeverij Bonte en dat een mooie inkijk geeft in de boeiende leefwereld van deze heel bijzondere man. Een absolute aanrader.
Vanwaar je passie voor de negende kunst? Werden er vroeger ten huize Delzenne veel strips gelezen?
Delzenne: “Eigenlijk niet, nee. Niet veel strips, maar vooral veel literatuur. Mijn vader, die doctor in de scheikunde was en als onderzoeker werkte bij Agfa-Gevaert, kreeg bijvoorbeeld als kind in het jaar 1939 Le Petit Larousse cadeau, een Franstalig encyclopedisch woordenboek, dat hij ook helemaal heeft verslonden. Dit om maar te zeggen welk soort boeken hij voornamelijk las. Ik was dus zeker niet in een stripbad gevallen, verre van, maar bij ons thuis lagen er toch wel enkele strips. Via mijn vader heb ik bijvoorbeeld Asterix leren kennen en mijn moeder had me op een gegeven moment ook geabonneerd op het weekblad Kuifje. De liefde voor strips heb ik dus niet echt van thuis meegekregen, maar wat ik wel van mijn vader geërfd heb, is zijn uitvinderstalent. Bij Agfa-Gevaert had hij namelijk enkele patenten op zijn naam staan voor ontwikkelingen van procedés voor fotografisch papier. Eigenlijk was hij als het ware een beetje een uitvinder. Dat uitvinden, dingen bedenken, zit dankzij hem ook in mij, maar het situeert zich in het tekenen en schrijven van zowel Jommekes als mijn eigen graphic novel Trace-Noël.”
In je stripkast zie ik inderdaad niet zo heel veel strips staan.
Delzenne: “Dat klopt. Mijn stripverzameling is zeer bescheiden. Ze dient voornamelijk als inspiratie: Kuifje, Franquin, Peyo, Toonder, de oudere Suske en Wiskes, Theodoor Cleysters van Le Gall, Casper en Hobbes en ik vergeet er nog wel wat... Ik verzamel vooral strips van Tardi, Larcenet — Blast is een must voor elke stripliefhebber — en ook van Loisel. Zijn reeks Magasin Général is fantastisch, net als Bravo’s Robbedoes - Hoop in Bange Dagen en vooral zijn Jules. Daarnaast heb ik nog een aantal graphic novels, maar dat is ook alles hoor. En uiteraard staan alle albums van Jommeke hier in mijn kast! Dat is handig, want als ik teken, grijp ik heel vaak terug naar deze albums.”
Hoe en wanneer is je carrière bij Jommeke eigenlijk begonnen?
Delzenne: “Dat moet in 1979 geweest zijn. Eigenlijk heel toevallig, hoor. Ik was toen kort aan het werk bij Frank Sels waar ik de decors van Zilverpijl tekende. In de Gazet van Antwerpen stond er een ‘wie kan dit beter’-advertentie waarop ik — misschien wat onbezonnen — ben ingegaan. Ik wist op dat moment zelfs niet voor welke tekenaar of studio het was, maar ik besloot de sprong te wagen. Ik heb dan enkele tekeningen opgestuurd en kreeg kort daarna bericht van Jef Nys dat ik naar zijn studio op Linkeroever mocht komen. Naar het schijnt waren er driehonderd reacties op de advertentie gekomen en uiteindelijk zijn er zes geselecteerd, waaronder mezelf!” (trots)
Waarschijnlijk heeft Nys dan extra tekenaars moeten aanwerven omdat vaste tekenaar Hugo De Sterk toen de studio (eventjes) verlaten had.
Delzenne: “Dat zou kunnen kloppen, maar toen ik er wat later mijn opleiding kreeg, was De Sterk intussen al terug.”
Hoe verliep die opleiding dan?
Delzenne: “We werden een drietal maanden — het kan ook zes geweest zijn, dat weet ik niet meer — in de studio getest. Dat was zeer intensief. We moesten daar met ons zessen constant figuurtjes, boompjes en andere dingen tekenen, telkens op een los blad. Het is zeker niet zo dat we oefenden op de pagina’s voor de dagelijkse krantenstrip waaraan de vaste medewerkers werkten. Jef tekende de figuren dan voor en vervolgens was het aan ons om ze te tekenen. We leerden ook andere dingen van hem, zoals bijvoorbeeld hoe we pennen moesten slijpen, enzovoort. Het was oefenen en oefenen, gommen en opnieuw beginnen, totdat we de stijl van Nys onder de knie of in onze vingers kregen. Die intensieve praktische opleiding was zeer leerrijk, het was de perfecte leerschool om bij Jommeke te beginnen.”
Uiteindelijk ben je als enige van die zes kandidaten overgebleven. Werd je tijdens de oefenperiode eigenlijk betaald.
Delzenne: “Het zal wel zijn. Anders zou Nys geen nieuwe medewerkers gevonden hebben, denk ik.” (lacht)
Weet je wat er van die andere kandidaten geworden is?
Delzenne: “Nee, eigenlijk niet. Ze zijn na onze opleiding alleszins niet aan de slag gegaan in de stripwereld.”
Toen je aangenomen was, bestond de studio op Linkeroever nog. Hoe was het om in studioverband te werken met Hugo De Sterk en Eric De Rop? En waaruit bestond je takenpakket?
Delzenne: “Dat is een speciale periode geweest. Het zal je misschien verbazen, maar wij zaten eigenlijk allemaal apart. Zowel Hugo De Sterk als Eric De Rop hadden elk hun eigen tekenkamer en ik zat helemaal alleen in de grote ruimte waar ik tot voor kort met vijf anderen mijn opleiding had gekregen. Jef Nys woonde in hetzelfde gebouw en kwam dan dagelijks met zijn schetsen in blauwe balpen op A4-formaat naar de studio. Hij gaf die aan Hugo die ze vervolgens in potlood uitschetste. Het was mijn taak om Hugo’s schetsen te inkten. Eric De Rop schetste voornamelijk de decors in potlood en zette deze dan zelf in inkt. Hij tekende toen ook wel figuren bij Jommeke hoor, maar ikzelf heb nooit zijn decors of figuren geïnkt. Nys kwam regelmatig langs en toonde me dikwijls voor hoe ik moest inkten. Dat was heel leerrijk. Maar ook van Hugo heb ik toen heel veel geleerd. Hugo was en is een zeer goede tekenaar. Ik stak enorm veel van hem op. Hoe hij zijn figuren op papier zette, was fenomenaal om te zien. De sfeer in de studio was ontzettend leuk. We konden veel lol trappen en toch werd het werk gedaan en dat was het belangrijkste. We hadden wel elk een ander werktempo. Hugo werkte vaste uren, meestal van 9 tot 17 uur, en ik nam dikwijls langere middagpauzes. Vaak ging ik dan ‘s middags op mijn gemak gaan eten in ‘t Stad — van Linkeroever te voet door de voetgangerstunnel en terug, ik was meestal een drietal uur weg — maar ik bleef dan gewoon veel langer werken ’s avonds.”
Wat was het eerste album waaraan je hebt meegewerkt?
Delzenne: “Melanie (deel 95). Van dat album, getekend en geschreven door Edwin Wouters, heb ik de medaillontekening, de tekening op de eerste pagina, zeg maar, in inkt gezet. Aan het volgende album, Paniek rond Odilon (deel 96), heb ik niet meegewerkt. Pas met De Valse Kameel (deel 97) ben ik effectief begonnen met de figuren van Hugo telkens in inkt te zetten. Dit heb ik een vijftal jaar gedaan.”
In 1984 heb je inderdaad studio Nys geruild voor studio Peyo. Waarom eigenlijk?
Delzenne: “Goh, interessante vraag. Ik vond dat het toen te eng aan het worden was. Je moet weten, ik zat daar eigenlijk nog alleen met Hugo, op dertien hoog in de studio. Eric was toen namelijk al naar Studio Vandersteen vertrokken. Ik was nog jong en wou openbreken uit die besloten wereld én de Smurfen boden mij die kans. Ik ben toen met mijn map vol tekeningen naar Ukkel gestapt, naar de woning van Peyo waar de poetshulp mij naar de studio wat verder doorverwees op Square des Héros. Daar ontmoette ik dan Thierry Culliford die mij wat later aan zijn vader Pierre (Peyo, red.) voorstelde. Mijn gok was geslaagd en ik kon starten bij studio Peyo. Ik leerde er ook Daniel Desorgher kennen die mij veel leerde wat het tekenen van De Smurfen betreft. En ik genoot uiteraard ook van de vele contacten met Peyo zelf over wiens schouder ik kon meevolgen en zien hoe hij zijn Smurfen op een blad liet leven. Wat ook meespeelde in mijn beslissing om over te stappen naar studio Peyo was de toenmalige intentie van Thierry om het maandblad Schtroumpf op te starten. Dat waren heerlijk boeiende tijden.”
Hoe reageerde Nys op je ontslag?
Delzenne: “Dat weet ik eigenlijk niet meer, maar hij kon me sowieso niet tegenhouden natuurlijk. Ik denk wel dat ik toen onmiddellijk Gerd Van Loock voorgedragen heb als mijn vervanger, om mijn vertrek zo wat minder zwaar te maken voor hem”.
Wat was het laatste album dat je geïnkt hebt voor je naar De Smurfen vertrok?
Delzenne: “Dat was De Schat van Angkor (deel 123). Ik weet het, ik heb ook gelezen in een van je vorige interviews dat Gerd zich herinnert dat dit album het allereerste is waarvoor hij de decors heeft getekend. Toch ben ik er zeker van dat die mooie tekening van Angkor Wat (strook 67-68) van mijn hand is en niet van Gerd. Ja, de decors in dit album zijn door mij gedaan. De figuren heeft Hugo getekend en ik heb die zelfs ook deels geïnkt, herinner ik me. Dat bevestigt nogmaals dat het vaak heel moeilijk is om te achterhalen wie welke bijdrage aan de reeks heeft geleverd. Zelfs de tekenaars weten het dikwijls niet meer.” (lacht)
Welke band had je met je leermeester Jef Nys?
Delzenne: “De band met Jef, en ook zijn vrouw Jo, was eigenlijk heel warm. Om de veertien dagen bracht ik mijn pagina's naar hem thuis, waarna hij zijn opmerkingen gaf. Steevast gevolgd door een aangename babbel over meer dan enkel het tekenwerk. Dat zijn voor mij toch heel mooie herinneringen. In de periode van de studio sprak ik hem wel nog aan met meneer Nys, maar toen ik later terugkwam, was het een hartelijk weerzien, zelfs redelijk familiair, en toen ben ik gewoon Jef tegen hem beginnen zeggen. Tja, wanneer spreek je iemand aan met meneer en wanneer met zijn voornaam? Tegen Marc Sleen of Marten Toonder zou ik wel meneer gezegd hebben, denk ik. Jef Nys was misschien wat volkser. Ik zei trouwens ook Peyo, zijn roepnaam dus, tegen Pierre Culliford en niet meneer Pierre of meneer Culliford toen ik aan De Smurfen werkte.”
Op een gegeven moment ben je inderdaad terug bij Jommeke beginnen werken. Weet je nog wanneer precies je tweede Jommeke-periode begonnen is?
Delzenne: “Niet precies, nee. Ik vermoed dat dit rond de vorige eeuwwisseling moet geweest zijn. Ik herinner me wel nog dat mijn vader toen telefoon kreeg van Nys...”
...Om te vragen of je wou terugkomen om oude albums waarover hij niet tevreden was of waarvan hij vond dat ze geactualiseerd moesten worden, te hertekenen? Klopt dit gerucht?
Delzenne: “Ja, het was Jef zelf die me dat gevraagd had. Dat klopt. En ik heb toegezegd. Het plan bij Peyo was eigenlijk om mijn enige geschreven Smurfen-scenario Alles Smurft Vanzelf ook zelf nog te tekenen, maar dat heb ik laten varen toen ik terug bij Jef begon. Pascal Garray heeft dit album getekend.”
De Smurfen 22: Alles Smurft Vanzelf, oorspronkelijk bij Le Lombard verschenen in 2002, is een van de albums waaraan Philippe Delzenne heeft meegewerkt. Hij schreef er zelfs het scenario voor.
Welke Jommeke-albums heb je dan zoal moeten hertekenen?
Delzenne: “Goh, dat waren er een aantal hoor. De Zingende Aap (deel 2), De Koningin van Onderland (deel 3), De Muzikale Bella (deel 5), De Zwarte Bomma (deel 7), De Ooievaar van Begonia (deel 8), Apen in Huis (deel 20), Het Wonderdrankje (deel 22), In Pimpeltjesland (deel 32), Neuzen bij de Vleet (deel 36), Anakwaboe (deel 40), De Fwietmachine (deel 51) en De Kuko-eieren (deel 59). Vaak heb ik albums moeten hertekenen waarvan ik de oorspronkelijke tekeningen eigenlijk veel beter vond, maar ik heb ze toch maar hertekend omdat Jef het wou. Dat hertekenen was natuurlijk een goede oefening voor mij om de stijl van Nys terug in mijn vingers te krijgen. Het was tenslotte een kleine vijftien jaar geleden dat ik nog Jommeke getekend had.”
Oorspronkelijke en hertekende stroken uit In Pimpeltjesland (deel 32) en De Fwietmachine (deel 51).
Toen je terugkwam, was de studio al een hele tijd om belastingtechnische redenen opgedoekt. Vond je dat jammer?
Delzenne: “Nee, helemaal niet. Voor De Smurfen werkte ik tenslotte ook al grotendeels thuis, want telkens die afstand afleggen, eerst naar Ukkel en later naar Genval en terug, was te zwaar en te vermoeiend geworden. Nee, thuiswerken was toen prima voor mij. In die tijd werd alles nog met de oude fax doorgestuurd. Tegenwoordig is het zo gemakkelijk geworden om connecties te maken via mail en andere platformen.”
Hoe is je takenpakket na je terugkomst dan verder geëvolueerd?
Delzenne: “De eerste jaren heb ik me louter beziggehouden met het hertekenen van oudere albums. Pas in 2004 ben ik voorzichtig naar Jef toegestapt en heb ik hem voorgesteld om zelf een verhaal te schrijven. Dat was Holeman (deel 214). Jef vond mijn scenario goed. Dat album heb ik wel niet zelf getekend. Het tekenwerk is, zoals je weet, van Gerd, maar zo ben ik er ingerold en is mijn carrière als Jommeke-scenarist in feite begonnen. In mijn eerste periode had ik trouwens ook al twee verhalen geschreven, namelijk De Viool van Varazdina (deel 110) en In de Greep van Mac Rum (deel 113), maar die scenario’s waren beperkt tot een korte algemene inhoud, geen lang uitgeschreven synopsis.”
Wat was het eerste album dat je volledig zelf hebt geschreven én getekend?
Delzenne: “De Komkommerprinses (deel 223). Dat dit album ook nog eens het vijftig miljoenste Jommeke-album was dat verkocht raakte, maakte het alleen maar nog specialer voor mij. Jef vond het belangrijk dat scenarist en tekenaar een en dezelfde persoon waren. Dat vond hij gemakkelijker, wat ook wel waar is natuurlijk.”
Holeman (deel 214) is het eerste album dat Philippe Delzenne heeft geschreven. De Komkommerprinses (deel 223) het eerste dat hij zelf schreef én tekende.
Moest Jef nog veel aan je tekeningen verbeteren?
Delzenne: “Hij heeft dit zeker gedaan, maar weliswaar zeer summier. Hier en daar een beentje hertekenen of een haarlijntje, zo van die kleine details, maar meer niet eigenlijk. Hij faxte dan zijn opmerkingen door. Dikwijls met een quotering erbij, zo kennen we hem, of met de opmerking ‘zéééér goed Fil(iberke)!’” (lacht)
Fax met opmerkingen van Jef Nys over een halve plaat uit Paradijseiland in Gevaar (deel 254).
In die zeventig jaar Jommeke zijn er al heel veel medewerkers de revue gepasseerd. Heb je nog veel contact met de oudere tekenaars en scenaristen?
Delzenne: “Gerd hoor of zie ik nog af en toe. Edwin Wouters, Jo (Nys’ weduwe, red.) en Eric De Rop ook soms nog (dit interview vond plaats vóór Erics overlijden op 1 oktober 2025, red.), maar minimaal. Van de andere medewerkers, zoals Hugo De Sterk, heb ik al lang niks meer gehoord.”
Deed je in het begin ook tekenwerk voor de vakantiealbums en de raadsel- en spelletjesboeken?
Delzenne: “Hoogstens een aantal covers, maar meer niet. De tekeningen in die oudere vakantiealbums waren dikwijls tekeningen uit de reguliere reeks die men gewoon recycleerde. Maar als er een tekening nodig was die nog niemand getekend had, heb ik die wel eens getekend, vooral dan voor de recentere nevenalbums, zoals bijvoorbeeld het Jommeke Dieren Recordboek. Daar heb ik inderdaad heel wat dieren van getekend. En ook veel van de tekeningen uit de AVI-leesboekjes zijn van mijn hand, dat klopt, en ik heb eveneens enkele Jommeke-puzzels ontworpen voor de Gezinsbond.”
Maak je gebruik van digitale tekenprogramma’s of andere digitale hulpmiddelen bij het tekenen van Jommeke?
Delzenne: “Nee, niet echt. Ik schets wel vaak figuren in Procreate op de iPad Pro wanneer ik ergens aan het wachten ben. Dat wel, maar ik print die dan vervolgens af en teken die gewoon met de lichtbak over op papier. Ik herinner me nog goed dat ik op het einde van Jef zijn leven naar hem toegegaan ben om hem mijn iPad te tonen. Dat was nog zo’n heel primitief ding. Toen de eerste iPad op de markt kwam, waren de tekenprogramma's helemaal niet zo performant als tegenwoordig. Jef had er toen niet te veel vertrouwen in, maar ik eigenlijk ook niet. (lacht) Uiteindelijk is het een handig hulpmiddel gebleken. Wat men nu kan op de iPad met de uiterst gevoelige tekenpen is gewoon verbluffend. Het benadert de finesses van een tekenpen op papier voor 100%. Maar persoonlijk blijf ik papier en inkt het aangenaamst vinden. Enkel zo krijg ik namelijk de correcte lijn en finesses in mijn tekeningen.”
Hoe komt een album van jou tot stand: van idee tot eindproduct? Wat is jouw werkwijze?
Delzenne: “Ik vertrek uiteraard altijd van een idee en dan begint het denkwerk: heeft het genoeg potentieel, is het spannend, leuk en ludiek genoeg? Dan schrijf ik een korte synopsis waarmee ik vroeger naar Jef zijn bureau trok, vaak met knikkende knieën. Dat was altijd een spannend moment. Hij heeft mijn synopsissen nooit direct fantastisch gevonden. Dat moest eerst altijd nog wat bezinken bij hem, maar eens hij het had goedgekeurd en eventueel bijgestuurd, kon ik het beginnen uitschrijven. Later moest ik mijn synopsissen aan de erven-Nys voorleggen, nu is dat aan de mensen van Standaard Uitgeverij. Ik schreef het verhaal rudimentair uit in dialogen en begon dan pas te tekenen op de pagina’s. Ik legde dat dan voor aan Jef, via de fax, en kreeg snel zijn opmerkingen terug zodat ik eventuele aanpassingen onmiddellijk kon uitvoeren. Meestal laat ik de decors voor het laatste en concentreer ik me eerst op de figuren. Mijn synopsissen laat ik wel altijd nalezen door mijn echtgenote. Zij is mijn klankbord.”
Voorstudies voor De Jampuddingcup (deel 311 ) en Griezels in het Woud (deel 314).
Waar haal je je inspiratie voor je albums? Reizen, boeken, televisieprogramma’s...?
Delzenne: “Alleszins niet door te reizen. Eigenlijk vooral door ‘in mijn eigen te brainstormen’. Soms ook door een titel die mij plots in gedachten springt, zoals Pannenkoeken van Pierehaar (deel 266), Het Roze Olifantje (deel 237), De Kwakzalver (deel 258), De Schat van Niemand (deel 309),... Dikwijls kom ik tot de vaststelling dat mijn o zo fantastische idee al gebruikt is geweest. Het blijft dus moeilijk. Ik probeer altijd te zoeken naar een originele insteek, iets dat nog niet aan bod is gekomen en soms komt dat dan ineens binnenvliegen.”
Hoe moeilijk is het om na zoveel albums nog nieuwe scenario’s te blijven bedenken?
Delzenne: “De laatste tijd schrijf ik niet zoveel scenario’s meer. Ik teken nu vooral nog albums die anderen geschreven hebben. Maar ik moet toegeven dat het met mijn achtergrond als scenarist moeilijk is om niet in te grijpen. Hoe dan ook mag ik dit eigenlijk niet doen, want het is niet mijn scenario. Dat is vaak lastig, ja... Voor de scenario's van Marc Legendre en Kristof Berte krijg ik toch wel veel vrijheid om in te grijpen wanneer ik tijdens het tekenen wat verander aan een scène, of er een grap in stop. Ze vertrouwen de oude dinosaurus wel!” (lacht)
Wat doe je liever: scenario’s schrijven of tekenen?
Delzenne: “Enkel scenario’s schrijven, zou ik niet kunnen doen. Het liefst teken ik natuurlijk mijn eigen scenario’s uit. Zoals gezegd ben ik net als Jef van mening dat de sterkte en de herkenbaarheid van deze reeks toch grotendeels te wijten zijn aan het feit dat scenarist en tekenaar meestal dezelfde persoon zijn. Dat de verhalen door een beperkte groep tekenaars en scenaristen wordt gemaakt, had Jef het liefst. Gedurende lange tijd schreven en tekenden Gerd en ikzelf onder supervisie van Jef de verhalen, wat voor een sterke coherentie zorgde. De een-op-een-werking met een auteur is van cruciaal belang geweest voor de reeks.”
Je staat gekend als een heel productieve Jommeke-tekenaar. Je maakt drie albums per jaar en tekent een halve pagina of soms één pagina per dag (maar dan niet geïnkt). Hoe slaag je er in godsnaam in om dit helse tempo te blijven volhouden?
Delzenne: “Dat vraag ik mezelf ook af. (lacht) Waarschijnlijk omdat ik het na al die jaren nog altijd even graag blijf doen, zeker? Misschien ook wel omdat ik vlug kan tekenen? Het klopt dat ik regelmatig gebruikmaak van de zogenaamde Jommeke-bijbel (een tekenmap, destijds door Nys samengesteld, met een overzicht van veel gebruikte poses en objecten uit de reeks, red.). En ik recycleer ook vaak figuren uit mijn eerdere albums. Zo gaat het een pak sneller.”
Welke termijn verstrijkt er gemiddeld tussen het uitwerken van het scenario en het tekenen van het laatste plaatje van een album?
Delzenne: “Bij mij is dat ongeveer vier maanden. Het scenario probeer ik meestal in tien à veertien dagen uitgeschreven te hebben. De rest is louter tekenwerk.”
Hoeveel uur per dag spendeer je aan jouw tekentafel?
Delzenne: “Dat varieert. Er is eigenlijk geen dag dat ik meer dan vijf uur aan Jommeke werk. Het is heel versnipperd. Ik teken wel elke dag van het jaar, ook in de weekends en vakanties.”
Wat vind je ervan dat het aantal pagina’s per album recent teruggebracht is naar 38 pagina’s (40 albumpagina's met de titel- en colofonpagina erbij)?
Delzenne: “Het is inderdaad moeilijker geworden. Nu kan je je verhaal minder uitdiepen. Het is eigenlijk een compleet andere benadering. Zelf heb ik altijd de neiging om heel veel te willen vertellen, maar met minder pagina’s is het niet meer zo evident om je verhaal te ‘larderen’.”
Voorstudies voor De Schat van Niemand (deel 309, links op het blad) en Het Verpeste Kamp (deel 308, rechts op het blad). En nog meer voorstudies voor De Schat van Niemand.
Wat onderscheidt jou van de andere scenaristen en/of tekenaars? Wat is met andere woorden volgens jou een typisch ‘Delzenne-verhaal’?
Delzenne: “Ik kaats de bal anders naar jou terug. Wat vind je zelf typisch aan mijn verhalen?”
Euh, dan denk ik direct aan vier dingen: er zit meer fantasie in jouw verhalen, jouw dieren, behalve dan Choco, Flip en Pekkie, zijn ook vaak veel realistischer getekend, je pagina’s zijn veel voller getekend en dikwijls laat je je figuren iets zeggen zonder tekstballon.
Delzenne: “Het klopt wat je zegt. Ik ben niet zo goed in het karikaturaal tekenen van dieren, vooral koeien vind ik bijzonder moeilijk. Dat ik niet altijd tekstballonnen gebruik, is ook een terechte opmerking, maar dat doe ik vaak om de actie in een scène of om de tekening nog meer tot zijn recht te laten komen. Dat mijn pagina’s voller of drukker ogen, is inderdaad typisch voor mij. Ik wil veel meer vertellen in een album. Er gebeurt veel meer op een pagina bij mij. Ik vind dat je een kind of een lezer iets moet teruggeven. Ze hebben het album uiteindelijk aangeschaft en het is zonde dat het al in één, twee, drie uitgelezen zou zijn.
Ik probeer altijd zo veel mogelijk verhaaltjes in het verhaal te stoppen, kleine leuke details die over het hele verhaal terugkomen. Denk maar aan de eekhoorntjes in De Jampuddingcup (deel 311). Die zie je over het hele verhaal terugkomen en dat vind ik leuk. Ik hecht ook veel belang aan het begin en het einde van een verhaal. Meestal start ik altijd met een mooie boeiende en spannende openingsprent, waar ik veel tijd in stop. De openingsscène van De Schat Van Niemand (deel 309) van scenarist Berte vond ik bijvoorbeeld heel geslaagd. Die scène was trouwens ook helemaal uit het leven gegrepen. Dat is echt gebeurd. Ik was toen echt in slaap gevallen tot lichte ergernis van mijn vrouw. (lacht)
Ook de eindprent mag niet gewoon ‘einde’ zijn. Er moet iets origineels gebeuren, vind ik. Kijk maar eens naar de spin op de eindprent van Griezels in het Woud (deel 314). Of op de laatste pagina van De Boemerang van Kirimbir (deel 272) laat ik Jommeke rechtstreeks de lezer aanspreken en nodigt hij je uit om een woordraadsel in te vullen.
Ik maak ook altijd heel veel werk van mijn decors. Zelfs in het kleinste vakje probeer ik een mooi decor te tekenen. Ik hou er ook van om woordgrapjes in het verhaal te stoppen, zoals bijvoorbeeld in Grootouderbal (deel 326), dat weliswaar door Berte is geschreven, maar toch vond ik het belangrijk dat Filiberke die mol effectief verpletterde wanneer hij zei dat hij een verpletterende indruk zou maken. Dat zijn van die kleine details waar ik goed over nadenk en die het verhaal op allerlei vlakken aangenamer maken om te lezen.
Tenslotte zei je nog iets over fantasie. Daar heb je ook een punt. In vergelijking met de verhalen van de andere medewerkers bevatten mijn scenario’s meer fantasie-elementen. Ik laat mijn verbeelding graag los op de lezers.”
Drie voorbeelden van eekhoorntjes in De Jampuddingcup (deel 311), authenticiteit in de openingspagina van De Schat van Niemand (deel 309), spelen met het einde in de eindprent van Griezels in het Woud (deel 314) en op de laatste pagina van De Boemerang van Kirimbir (deel 272), een woordgrap in Grootouderbal (deel 326), tekst zonder tekstballon in Het Spookdorp (deel 252), realistisch getekende koeien in De Ruimtereis van Piki (deel 317) en fantasie-elementen in Mama Mataboe (deel 235).
Op welk album dat je zelf geschreven en getekend hebt, ben je het meest trots?
Delzenne: “Op al mijn albums. (lacht) Nee, dat is niet waar. Dat is een moeilijke vraag. Pekkie in Hollywood (deel 230) vond ik heel goed. Daar zijn heel mooie reacties op gekomen. Het is een heel gevuld verhaal geworden met veel actie in! Op geen enkel moment valt het stil en daar hou ik van. Ook De Boemerang van Kirimbir (deel 272), De Vogelvriend (deel 280), De Wraak van de Mummies (deel 294) en De Valse Kerstman (deel 307) zijn goed geslaagde verhalen...”
Zijn er albums waarover je minder tevreden bent?
Delzenne: “Die zijn er zeker. De Ruimtereis van Piki (deel 317) bijvoorbeeld is minder geslaagd. Het feit dat Piki niet onderhevig is aan de zwaartekracht, vond ik best wel leuk, maar voor de rest was ik er niet tevreden over. Ik ben misschien te snel over het figuurtje Piki of de Kikiwikies heen gegaan. Er zat zeker meer in. Ik had het beter moeten uitwerken, maar het was ook een van de eerste verhalen met 8 pagina’s minder dan gewoonlijk. Ook Griezels in het Woud (deel 314) vind ik een minder album. Ik zocht iets dat echt, maar dan ook echt, zou griezelen. Het idee van die reuzeninsecten was een goed startpunt, maar ook hier heb ik het verder niet goed uitgewerkt. Maar het is normaal dat er af en toe mindere albums tussen zitten. Jef Nys zei immers ook dat je tevreden mag zijn als drie van je vier verhalen goed zijn. Wijze woorden van hem, die ik niet gauw zal vergeten.”
Een pagina vol actie in Pekkie in Hollywood (deel 230) en de eindprent in De Ruimtereis van Piki (deel 317).
Wat zijn je lievelingsalbums van Jommeke?
Delzenne: “Goh, alweer een moeilijke vraag. Misschien is het beter om me te vragen welke periode ik het beste vind? Dan denk ik aan de eerste honderd verhalen. Toen had je nog een zee van ruimte om fantastisch mooie verhalen te maken. De Gekke Wekker (deel 73), De Stenen Aapjes (deel 83), De Supervrouw (deel 94),... allemaal schitterende albums. Wat ik ook een fenomenaal goed album vond is Duel in Venetië (deel 232) van mijn goede collega Gerd. Dat is een prachtig album dat er bovenuit steekt, in mijn ogen is dat verhaal pure Shakespeare!”
Welke personages uit het Jommeke-universum vind je het boeiendst?
Delzenne: “Dat zijn er heel wat. Teofiel is leuk, want ik zie in hem een lookalike van John Cleese uit Monty Python. (lacht) Ook Anatool, Gobelijn en Odilon zijn boeiende personages. Hetzelfde kan gezegd worden van alle kinderen: de Miekes, Filiberke en natuurlijk ook Jommeke. Idem voor de dieren. Pekkie mag van mij nog meer op de voorgrond treden, ook Choco is een tof personage en Flip natuurlijk! Die papegaai kan je altijd iets laten zeggen dat de kinderen niet mogen zeggen. In dat personage kan je meer diepgang stoppen en dat vind ik tof.
Zelf ben ik ontzettend tevreden over de Woodies (De Valse Kerstman, deel 307) en de gemene mislukte professor Helleborus (Het Brein van Gobelijn, deel 227) die ik zelf bedacht heb. Het idee van de Woodies heb ik trouwens gehaald uit het verhaal Alles Smurft Vanzelf dat ik voor De Smurfen heb geschreven en waarin ook van die levende boomstronkjes voorkomen. Helleborus is dan weer vernoemd naar een tuinplant.
Wie ik ook heel interessant vind, is de koningin van Onderland. Ik vind dat je die dame heel donker moet portretteren, net zoals in de oudste albums. Iemand vierendelen of in een kelder opsluiten, kan ze gezien de tijdsgeest nu niet meer doen, maar met dit personage zijn er nog steeds heel veel mogelijkheden. Ik ben nu ook volop bezig aan een album over deze koningin op scenario van Marc Legendre, een album voor 2026: Elodie van Onderland.”
De Woodies in De Valse Kerstman (deel 307), professor Helleborus uit Het Brein van Gobelijn (deel 227) en de openingsprent van het in 2026 te verschijnen Elodie van Onderland.
Daar kijken we naar uit! Welke personages teken je het liefst?
Delzenne: “Dan vraag je me beter welke personages ik het minst graag teken. Dat zal wel Marie, de moeder van Jommeke, zijn. Haar mond vind ik ontzettend moeilijk. Grosso modo teken ik alle personages graag, maar met de vrouwen heb ik een beetje last. Om ze te tekenen bedoel ik dan, hè.” (lacht)
Dat is exact hetzelfde als wat Luc Morjaeu in zijn interview zei. Hem lukt het ook moeilijker om vrouwen te tekenen, en dan ook vooral Marie.
Delzenne: “Voilà, dan ben ik niet de enige!”
Pas vanaf album 251 werden de namen van de scenaristen en tekenaars in de Jommeke-albums vermeld. Vond je het niet spijtig dat jouw naam vroeger in geen enkel album stond?
Delzenne: “Eigenlijk wel, en dat durf ik eerlijk toegeven. Peyo deed dat bijvoorbeeld wel. Jef wou dat niet, en dat was zijn keuze, die ik overigens respecteer, maar ik had het toch graag anders gezien.”
Het eerste album waarin jouw naam vermeld staat, is Het Spookdorp (deel 252). Ook in de daaropvolgende albums, Choco Verliefd (deel 253) en Paradijseiland in Gevaar (deel 254), word jij als tekenaar-scenarist vermeld. Wist je dat Paradijseiland in Gevaar het allerlaatste Jommeke-album moet geweest zijn dat Jef nog gesuperviseerd heeft voor hij stierf in 2009.
Delzenne: “Nee, dat wist ik niet.”
Jij hebt niet alleen het allerlaatste album dat Jef gesuperviseerd heeft, geschreven en getekend. Je hebt ook zijn allerlaatste Jommeke-scenario uitgetekend.
Delzenne: “Ja? Echt? Welk album was dat dan?”
De hertekende uitgave van In Pimpeltjesland (deel 32) uit 2004.
Delzenne: “Ah ja, dat klopt. Dat was een van de albums die ik bij mijn terugkomst heb moeten hertekenen. Aangezien het oorspronkelijke verhaal maar 32 pagina’s telde, heeft Jef er inderdaad nog een kort verhaaltje bij verzonnen om aan 48 pagina’s te raken.”
Welk album heeft je het meest moeite gekost om te tekenen?
Delzenne: “Het album waarmee ik het minst voeling had, was De Plasticjagers (deel 300) omdat dat een opdrachtalbum was voor het baggerbedrijf Deme. Dat was een lastige voor mij. Karikaturen maken van bestaande personages die erin moeten meespelen, decors ter plaatse gaan bekijken, enzovoort. Dat deed ik niet graag. Gerd is daar veel beter in dan ik. Maar ik ben er wel in geslaagd om in dit album twee smurfen te smokkelen. Daar ben ik best trots op!”
Smurfen in De Plasticjagers (deel 300).
Welk type van verhalen geniet jouw voorkeur: reisverhalen, schattenjacht, oplossen van een probleem veroorzaakt door Gobelijn,...?
Delzenne: “Ik hou van een variatie van thema’s. Variatie is belangrijk. Na een avonturenverhaal laat ik mijn volgende verhaal in Zonnedorp afspelen en het volgende kan dan weer gaan over een probleemsituatie die Gobelijn gecreëerd heeft, enzovoort. In de tijd dat Gerd en ik alleen tekenden was dat altijd mooi gevarieerd. Er was toen een goede wisselwerking. Met Kristof Berte en Marc Legendre aan boord is er ook wat meer variatie in de scenario's, wat goed is voor de reeks.”
Hoe verklaar je het succes van Jommeke?
Delzenne: “Aha, de klassieke vraag. De herkenbaarheid is een belangrijke troef van de reeks. Dat kinderen zich kunnen vereenzelvigen met de personages, die pure herkenbaarheid, dat speelt volgens mij een zeer grote rol. Dan heb je ook nog de eenvoud van de verhalen, de rechtlijnigheid en uiteraard ook het familiegegeven. De reeks blijft vandaag nog goed draaien. Elk kind kent Jommeke. Het succesformuletje, gedragen en opgevolgd door Jef en later door Gerd en mij in dezelfde lijn verdergezet, zodanig dat er geen stijlbreuken zijn in techniek en verhaal, dat blijft gewoon werken.”
Recent raakte bekend dat Steve Van Bael en Kristof Fagard het Jommeke-team vervoegen. Ook Dieter Steenhaut is bij het team gekomen. Er is duidelijk een generatiewissel aan de gang. De toekomst van Jommeke is verzekerd. Heb jij hen opgeleid?
Delzenne: “Ik volg Steenhaut en Fagard op, Gerd ontfermt zich over Van Bael. Zo hebben we het verdeeld en dat werkt goed.”
Wat is het belangrijkste advies dat je de nieuwe tekenaars hebt meegegeven?
Delzenne: “Teken heel veel na. Pak de goede Jommekes uit de Jommeke-bijbel en teken ze over, opnieuw en opnieuw. Probeer nu nog geen eigen figuurtjes te tekenen. Dat komt later wel. En oefen ook met inkten tot je erbij neervalt. Ik ben ook zo begonnen.”
Je bent af en toe te zien op beurzen en signeersessies. Jef Nys had daar een hekel aan. Vind jij het belangrijk om zo contact te blijven houden met de fans?
Delzenne: “Ik doe eigenlijk niet veel beurzen meer. De laatste was in Oostende, denk ik. Nu heb ik wel veel signeersessies in lokale bibliotheken ter gelegenheid van zeventig jaar Jommeke. Met signeersessies heb ik eigenlijk een haat-liefdeverhouding. Onder tijdsdruk een figuurtje tekenen en dan heel dikwijls hetzelfde personage, dat doe ik eigenlijk niet zo graag. Toch vind ik zo’n signeersessie interessant en voor mezelf belangrijk om eens uit mijn ivoren toren te komen. De reacties van de kinderen horen, dat vind ik het leukste. Het is tof om te zien hoe zij op mijn albums reageren en ook om te zien dat het nog zo leeft bij de kinderen. Dat is hartverwarmend.”
Wie is het populairste personage voor een opdrachttekening?
Delzenne: “De laatste tijd is het heel vaak Choco. Die is nu enorm populair.”
Gewezen scenarist Jan Ruysbergh zei in deze interviewreeks dat hij vond dat de recentere Jommekes kinderachtiger geworden zijn, alsof de doelgroep verschoven is naar zes- à zevenjarigen in plaats van zes- à twaalfjarigen. Vind je dat hij gelijk heeft?
Delzenne: “Daar ben ik het niet mee eens. Ze zijn gewoon anders dan in de jaren 1990. Elke scenarist heeft zijn eigen wijze van vertellen. Wat is trouwens kinderachtig? Ik weet dat niet. De reeks is toch gemaakt voor kinderen? Misschien zijn de kinderen van vandaag gewoon volwassener geworden. Ja dat is het, schrijf dat maar op!” (lacht)
Kan je wat meer vertellen over je nieuwste album, Het Staatsgeheim (deel 328), dat je vriend Marc Legendre voor jou geschreven heeft.
Delzenne: “Goh, dat is moeilijk. Ik mag niet te veel verklappen natuurlijk. Laten we zeggen dat het verhaal zich afspeelt in de Ardennen en dat de kinderen in het bos een hondje vinden dat uit een capsule uit de ruimte lijkt te komen. Het is sowieso een spannend verhaal. Marc heeft dat weer goed geschreven. Anatool doet ook mee en grijpt zoals gewoonlijk naast het fortuin. Meer kan ik niet verklappen. De rest zal je wel lezen in het album.”
Fragment uit het kersverse Het Staatsgeheim (deel 328).
Hoe zie je de toekomst in voor Jommeke en strips in het algemeen?
Delzenne: “Voor Jommeke zit het voorlopig nog altijd snor. Standaard Uitgeverij promoot de reeks nog altijd op een goede manier. Die zal nog wel een tijdje doorgaan. Voor strips in het algemeen? Dat is misschien moeilijker. Maar debuterende tekenaars en scenaristen moeten zich niet laten afschrikken. Als je als beginnend scenarist of tekenaar iets op de markt brengt, zorg dan dat je zelf tevreden bent over je werk en laat het dan los. Maak op voorhand geen concessies om succes te hebben. Doe gewoon je ding. Dat is de beste raad die ik kan geven.”
Ben je van plan om nog lang Jommeke te blijven tekenen?
Delzenne: (resoluut) “Ja!!!” (lacht)
Euh, een duidelijk maar kort antwoord. Nog een laatste vraag: Hoe blik je terug op je loopbaan tot nu toe bij Jommeke?
Delzenne: “Met ongelooflijk veel trots dat Jef mij destijds het vertrouwen heeft gegeven en dat de Uitgeverij dat ondersteund heeft. Het is een ongelooflijke rit geweest van vijfenveertig jaar die ik al striptekenend heb mogen afleggen. Nog elke dag sta ik er versteld van dat het gelukt is sinds die dag in 1979 dat ik toevallig op die advertentie heb gereageerd. Had ik dat niet gedaan, dan had mijn leven er compleet anders uitgezien. Ook vandaag lees en bekijk ik de hele reeks nog elke dag. Ik sta op en ga slapen met Jommeke... en ook met mijn vrouw natuurlijk. (lacht) Dat is nog steeds niet veranderd.”
Hartelijk dank voor dit boeiende interview. En ook bedankt voor alles wat je al voor Jommeke hebt gedaan en de komende tijd nog zal doen!
Delzenne: “Heel graag gedaan!”
Op 1 oktober overleed Philippe Delzennes voormalige Jommeke-collega Eric De Rop. Met onderstaande mijmeringen wil Philippe nog graag reageren.
Delzenne: “Na het droeve nieuws van Erics overlijden springen mij mooie herinneringen te binnen van onze periode samen op de studio. Wij schoten heel goed met elkaar op en haakten noeste werkmomenten aan elkaar met vele ontspannende en ludieke intervallen. Zoals de meeuwen voeren met brood op dertien hoog aan de Esmoreitlaan op Linkeroever. Als het brood op was, gooiden we kleine plastic zakjes gevuld met water, wat hilarisch werd wanneer de meeuwen ze oppikten. Tot een van ons beider, ik weet niet meer wie, een zakje vulde met... welja, inkt. De dagen erna werd er een zwarte meeuw gespot boven Antwerpen. Enfin, die grap moest stoppen wegens ferme en terechte klachten... Het ga je goed aan de overkant, beste Eric!”