Klik
verder naar alle eerdere updates, van Weetje
001 tot 025:
• 025
Merho doet de filmtest
• 024
De ware dood van Bob Dalton
• 023
Jojo in actie
• 022
Yoko Tsuno en de Vineanen
• 021
Frankrijk - Brazilië: 3 - 0
• 020
Martin Lodewijk en het gecensureerde stripje
van André Franquin
• 019
Bernard Prince alias Rob Palland
• 018
Dreigende Dinges bedreigde Japanners
• 017
Durango-voorloper
• 016
Soda in andere handen
• 015
Filmfotoverzamelaar Jean Giraud
• 014
Flaterfoon op waar formaat
• 013
Geweigerde Blake en Mortimer-verhalen
• 012
De Avonturen van Rikki en Pukki door Wil(ly
Vandersteen)
• 011
De klare lijn uitgeklaard
• 010
Het filmbeest in François Schuiten
• 009
Marc Wasterlain had het niet makkelijk
• 008
De oorsprong van de ex-libris bij strips
• 007
Asterix en Guust Flater door Daan Jippes
• 006
De geboorte van Largo Winch in drie etappes
• 005
TikTak-tekenen met Morris, Roba, Franquin en
Peyo
• 004
Werkloze Leo fantaseerde fauna en flora
• 003
Oranje Smurfen
• 002
Jorg de Vos en Yves Swolfs, de samenwerking
die er had kunnen zijn
• 001
Jodocus uit Heinz betrokken bij bankoverval
28/08
Merho
doet de filmtest
Het
ondertusen ter ziele gegane maandblad
Teek! besteedde grotendeels aandacht
aan films. In de beginjaren stak er ook
een kleiner middenkatern in met recensies
van films, maar ook van strips. De twee
vaste stripjournalisten van het blad,
Gert Meesters (nu werkzaam
voor Focus Knack) en Michel
Kempeneers (voorheen De Standaard),
interviewden voor haast elk nummer een
stripauteur.
In nummer 45 van februari 1997 combineerden
ze films en strips door Merho
fragmenten uit films voor te schotelen.
Niet zomaar losse scènes, maar
goed uitgekozen fragmenten die aan de
serie Kiekeboe (nu De Kiekeboes)
werden gelinkt zodat Merho daarover kon
uitweiden. In februari verscheen namelijk
ook nog de feestelijke uitgave KiekeboeK:
In de Coulissen van een Strip, geschreven
door Meesters en Ronald Grossey.
Speciaal voor het Teek!-nummer
(met de liefde als thema) tekende Merho
een exclusieve cover. Wie zijn filmklassiekers
kent, herkent op de voorgond Clark
Gable en Fanny als Vivien
Leigh naar de iconografische
filmaffiche van Gone With The Wind.
De rest van de familie mag het Valentijnsthema
verbeelden.
Klik op alle afbeeldingen voor een grotere
weergave.
21/08
De
ware dood van Bob Dalton
Herinner
je je nog de dood van de Daltons (de echte Daltons)
in Lucky Luke 6: Vogelvrij? Nadat in
een shoot-out het afdak van een bank op Bob,
Grat, Bill en Emmet valt, ontsnapt Bob Dalton
alsnog. Hij springt op een paard, jumpt vervolgens
over een ton, maar blijft met zijn halsdoek
hangen aan een lamp. Hij knalt erop los tot
Lucky Luke met een welgemikt schot Bobs halsdoek
doorschiet waardoor de kleine gangster in de
ton valt. Lucky hoeft er maar op te zitten om
'm onschadelijk te maken. In de laatste prent
van het verhaal zien we het graf van de vier
Daltons met het opschrift: "Hier liggen
de gebroeders Dalton. Gestorven zonder hun laarzen
uit te doen. 5 october 1892." Aan hun dood
treft de rechtschapen cowboy geen schuld. Toch
niet in de officiële albumversie van het
verhaal.
Dat Morris achteraf spijt had
van het verlies van de vier onfortuinlijke gangsters
is eveneens algemeen geweten. Zijn latere scenarist
René Goscinny had de
gelukkige inval om met Joe, William, Jack en
Averell vier neven van de Daltons in de reeks
te schrijven vanaf deel 12, De Neven Dalton.
Ze waren dommer (en hongeriger) dan tevoren.
Populairder ook. Voortaan zouden ze minstens
om het andere album de hoofdrol met Lucky Luke
delen of die zelfs van hem wegkapen.
Maar nu terug naar de dood van de Daltons. Joe
Dalton is in De Neven Dalton serieus
gebeten op het nemen van wraak op "de schelm
die hun ondergang heeft bewerkt". Hij ziet
het als zijn plicht om zijn neven te wreken.
De pertinente haat van Joe en de overige neven
Daltons voor Lucky Luke zou veeleer kunnen liggen
aan een alternatief, origineel einde van het
verhaal Vogelvrij. Daarin was Lucky
namelijk de rechtstreekse moordenaar van Bob
Dalton.
Dupuis
gaf in de jaren 1960 enkel in het Frans
de collectie Gags de Poche uit.
Albums van reguliere reeksen van bijvoorbeeld
Guus Slim, Steven Sterk en Peanuts
werden omgeturnd voor een uitgave in zwart-wit
en op pocketformaat. Bekijk ze hier
allemaal. Ook het Lucky Luke-album
Vogelvrij (Hors-la-Loi
in het Frans) kende zo'n editie als nummer
24 in de collectie. In deze uitgave komt
een pagina voor die afwijkt van het originele
verhaal. Daarop zien we dat Bob opnieuw
vast komt te hangen aan de lamp. Hij wordt
echter niet van de lamp geknald door zijn
halsdoek te treffen, neen. De kogel van
Lucky (wie anders) zien we door het hoofd
van de kleinste Dalton vliegen. Het bloed
druppelt uit zijn lijf, hij prevelt nog
"Mama..." en laat zijn revolvers
vallen in een plas bloed. Bekijk de gewraakte
scène hieronder.
De haat van Joe Dalton moeten we dus in
een ander licht zien.
Er
hoort ook een uitleg bij van Morris in
het stripinfotijdschrift Schtroumpf
43 dat een special is over de tekenaar:
"Vóór de wet van 1949
heeft Lucky Luke enkele desperado's neergeschoten.
Phil IJzerdraad is getroffen door de beroemde
zevenklapper, Bob Dalton is frontaal in
zicht getroffen door een kogel. Ze hebben
me verplicht het einde te veranderen.
Het was te bloederig."
Deze beslissing kwam er door de toen net
opgerichte Franse censuurcommissie die
elke strip voor de jeugd (en vooral die
uit België) onder de loep nam om
er alle sporen van geweld en seks uit
te weren. Ook in het weekblad Robbedoes,
dat eveneens onder controle stond, verscheen
het gecensureerde einde. Voor Morris was
het niet de laatste keer dat hij met de
commissie te maken kreeg, maar daarover
hebben we het later misschien nnog wel
eens.
In de Duitstalige Lucky Luke-bundel
Lucky Luke Gesamtausgabe 10: 1951 - 1954
staan beide eindes opgenomen, in kleur
bovendien.
16/08
Jojo
in actie
Op
27 juli 2010 verloor André Geerts
de strijd tegen kanker. In het overschouwen
van zijn carrière met een lange stilstand
bij Jojo, zijn bekendste creatie, herinnerden
we ons dat er heel wat gags en kortverhalen
nooit in album zijn verschenen. Een paar ervan
zijn zelfs niet vertaald. Klik op de afbeelding
hiernaast om een 24 pagina's tellende pdf te
downloaden die alle vertaalde, maar enkel in
Robbedoes verschenen Jojo-strips
bundelt.
In Robbedoes 2376 van 27 oktober 1983
verscheen de eerste gag van Jojo dat
het nummer 2 droeg. De werkelijk allereerste
gag verscheen pas enkele nummers later. In de
jaren daarop publiceerde Robbedoes
met een vrij onregelmatige frequentie gags en
kortverhalen van Jojo. Ze werden daaropvolgend
niet allemaal in album opgenomen hoewel er verschillende
chronologisch gezien tussen de in album opgenomen
verhalen verschenen.
In Spirou, de Waalse tegenhanger van Robbedoes, zijn er nog meer gags gepubliceerd.
In de jaren 1980 week Robbedoes namelijk
een tijd lang af van Spirou door een
grotere aanwezigheid van Vlaamse en Nederlandse
auteurs en strips.
Verschillende van deze in de pdf opgenomen gags
verschenen trouwens ook in Buddies.
Buddies was een gratis maandblad voor
jonge spaarders van Het Gemeentekrediet
(nu Dexia) dat medio jaren
1980 werd verstuurd per post. Naast verschillende
typische artikels voor jongeren verstrekte Dupuis
heel wat gags en kortverhalen uit hun catalogus:
Cédric, Lokje, Yoko Tsuno, De Smurfen,
Sophie en onder andere ook twee niet in
album uitgegeven kortverhaaltjes van Ragebol.
Een periode lang was Al Séverin
de huisillustrator. Buddies bleven
jongere rekeninghouders ontvangen tot ze een
brief kregen of ze niet geïnteresseerd
waren in een betalend abonnement. Veel langer
duurde deze marketinguitgave vervolgens niet
meer. Buddies werd Axion,
Het Gemeentekrediet werd Dexia en Jojo
werd een favoriet bij stripliefhebbers.
In
de pdf ontbreken trouwens coverillustraties
en los redactioneel tekenwerk met Jojo
dat André Geerts in de jaren 1980
voor het weekblad tekende. Maar zijn illustratiewerk
beperkte hij niet alleen tot Robbedoes.
Voor het Averbode-tijdschrift
Zonnestraal, dat enkel via abonnement
op school te verkrijgen is, illustreerde
hij artikels en leesverhalen. De eerste
(met cover) horen bij een kortverhaal
waarvan we het begin — zonder illustratie
— missen. De tweede cover met illustratie
hoorden bij een artikel over dromen en
ambities.
Ook op animatiegebied liet Jojo zich
gelden. In een coproductie van Dupuis
Audiovisuel en TF1
maakten regisseurs Michel Gauthier
en Guy Quelquejeu een animatiefim
van 52 minuten. Het is een kerstverhaal met
de titel Jojo - Le Mystère Violaine,
gebaseerd op het album Het Geval Violeine
uit 1991 met elementen uit andere verhalen.
De tekenfilm diende slechts als voorstudie voor
een heuse tekenfilmreeks van 52 keer 13 minuten
dat sinds 2007 in voorbereiding is, maar waarover
sindsdien niets meer is vernomen. Tekenaar André
Geerts stak niet onder stoelen of banken dat
de lange tekenfilm met een goedkoop budget was
gemaakt, maar hij benadrukte dat deze handicap
ervoor zorgde dat het scenario er nog rijker
door werd.
Er bestaat geen dvd-versie van Le Mystère
Violaine, wel een videoband, enkel in het
Frans gedistribueerd door TF1,
RTBF en TSR.
In het filmpje hieronder, met een interview
met Geerts erna, vind je een fragment.
Mamy Blues, het achttiende en laatste
album van Jojo, verschijnt nog in 2010.
Geerts kon het nog afmaken op de laatste twee
pagina's na. Die werden getekend door Alain
Mauricet en Renaud Collin.
Het scenario is van Sergio Salma.
In het verhaal lijdt Mamy aan een zware depressie
wat Jojo en zijn vader ongerust maakt, maar
een cruise brengt hopelijk soelaas. Salma schreef
het twee jaar geleden, nog voor er kanker werd
vastgesteld bij Geerts.
Momenteel zijn er discussies aan de gang met
Dupuis voor een eventuele voortzetting van Jojo
door Salma en waarschijnlijk tekenaar Mauricet.
We
sluiten af met ons eerdere gepubliceerd in memoriam
van André Geerts:
De Brusselaar werd geboren op 18 december 1955.
In de humaniora raakte hij bevriend met Frank
Pé en Bernard Hislaire,
maar op zijn elfde al was het voor hem duidelijk
dat hij striptekenaar zou worden. Na zijn eerste
publicaties in Le Soir-Jeunesse in
1978 vond hij de weg naar Robbedoes
waarvoor hij verschillende kortverhalen, cartoons
en illustraties tekende. vzw Arcadia
publiceerde met de altijd glunderende Commissaris
Martens in 1998 een boekje dat zijn eerste
reeksje met opeenvolgende kortverhalen bundelde.
Mistroostiger ging het eraan toe in zijn reeks
cartoons die in 1997 in de collectie Vrolijke
Vlucht in twee delen gebundeld werden onder
de noemer Ondankbare Wereld.
In 1983 volgden schuchter gags op een halve
pagina en een hele pagina en wat later kortverhalen
van Jojo, toen nog volledig in aquarel
geschilderd. Jojo's eerste gag verscheen op
een kwartpagina en moest een weggevallen advertentie
vervangen. Geerts zei in Stripschrift 278
uit 1995 over het wereldje van Jojo: "Ook
al ben ik francofoon en woon ik in Brussel,
ik ervaar Jojo als een onvervalste
Vlaamse strip. De landschappen, de sfeer, de
grote pannenkoeken, de Leuvense stoof in de
keuken van Mamy... dat alles heeft voor mij
te maken met Vlaanderen. Bij het tekenen voel
ik mij zelfs eerder Vlaming dan Waal. Daarom
verwondert het mij ook dat ik zo weinig Nederlandstalige
lezers heb."
Dat laatste is helaas blijven kloppen. Bij haast
elk nieuw album was het een gevecht om een vertaling
erdoor te krijgen en eens niet te kijken naar
de verkoopcijfers van de vorige albums. Gelukkig
zit er bij Dupuis iemand die zelf erg houdt
van de schattige reeks Jojo.
Geerts loenste overigens verschrikkelijk. Net
zoals Dik Lowietje, maar het bolle jongetje
en beste vriendje van Jojo raakte er vanaf in
het prachtig vertelde Operatie Dik Lowietje,
deel 3 in de reeks.
In 1993 creëerde Geerts voor Casterman
nog de al net zo komische reeks Mademoiselle
Louise op scenario van Salma. De avonturen
over het steenrijke meisje dat het zonder haar
overleden mama en haar steeds drukke papa moet
stellen (maar wel veel vriendschap krijgt van
haar zwarte oppas en een arm jongetje) verschenen
in twee albums vooraleer die opnieuw werden
uitgegeven bij Dupuis in de kindercollectie
Ukje, jammer genoeg niet in het Nederlands.
Nog eens twee nieuwe albums verschenen in de
afgelopen paar jaar.
Nostalgie, vriendschap, behaaglijkheid, veiligheid
en nog heel wat warme gevoelens erbovenop typeren
André Geerts' voornaamste strips. Wat
zullen we dit missen.
07/08
Yoko
Tsuno en de Vineanen
Bij
Roger Leloup thuis hadden ze
een kapsalon. Daar hing ook reclame voor crème
van Nivea. Als kind verhaspelde
hij het woord naar Vinea dat hij vele jaren
later gebruikte voor het blauwe buitenaardse
volk waar zijn mooie creatie Yoko Tsuno in haar
eerste album mee te maken krijgt. Ook de blauwe
huidskleur van de Vineanen was afgeleid van
de affiche. In de loop van de jaren was de afbeelding
van een vrouw die Nivea-crème gebruikt
verkleurd waardoor ze een blauwige huid had.
Leloup was ervan overtuigd dat je door die crème
een blauwe huid kreeg.
De buurman van het Leloup-gezin vertelde in
de zaak dat hij dringend op zoek was naar een
inkleurder. De jonge Roger Leloup stelde zich
voor en voor hij het wist zat hij gebogen over
het Alex-album Het Vervloekte Eiland.
Die buurman heette Jacques Martin.
Zijn stripcarrière was gelanceerd.
Het talent van Roger Leloup sprong ook Hergé
in het oog. Hij liet Leloup allerhande transportmiddelen
tekenen tot in de kleinste technische details
voor de rubriek Zien en Weten in het
weekblad Kuifje. Hergé hoefde
er enkel zijn Kuifje-personage in te tekenen
als bestuurder. Ook voor de stripreeks Kuifje
kwamen Leloups technologische vaardigheden van
pas.
Na vijftien jaar hand- en spandiensten ging
Roger Leloup voor Peyo werken.
Enkele proeftekeningen met Smurfen maakten duidelijk
dat zijn stijl meer in de realistische richting
lag. Hij assisteerde daarom studiotekenaar Francis
voor een epsiode van Jacky en Silvester
die in Le Soir verscheen. Het verhaal
van de volgende episode schreef hij zelf. Daarin
introduceerde hij een Aziatisch meisje. Het
project werd niet verder uitgewerkt voor de
krant, maar ging wel een nieuw leven leiden
als een verhaal voor de nieuwe reeks Yoko
Tsuno.
Zo begon sinds 1970 een langlopende reeks waarin
verhalen op aarde zich met ijzeren regelmaat
afwisselden met verhalen buiten de aarde waarin
Yoko's Vineaanse vrienden en plaatselijke vijanden
meedoen. Pas bij album 6, De 3 Zonnen van
Vinea, kwam Leloup op het idee om Yoko's
portret in de titelhoofding op de cover van
het album van een helm te voorzien. Vanaf dan
tekende hij Yoko telkens met een helm elke keer
het een Vinea-album betreft. Dat betekende ook
dat de hoofdingen op herdrukken van vorige albums
werden aangepast. Specifiek gebeurde dat bij
deel 1, Trio in het Onbekende, en deel
3, Vulcanus' Smidse. Had uitgeverij
Dupuis nu ook nog de eeuwigdurende
fout met de naamverwisseling van Ben Beeld in
Trio in het Onbekende aangepast, dan
ware het helemaal logisch geweest. Op de eerste
pagina’s heet saaie piet en regisseur
Ben Beeld namelijk nog gewoon Ben. Op pagina
12 en na de eerste ontmoeting met de Vineanen
heet Ben plots Max. Hoewel deze vertalingsblunder
al zo oud is als de straat en al door vele lezers
is opgemerkt, verwacht je toch dat het bij een
latere herdruk wordt aangepast. Maar nee hoor,
alle herdrukken sinds 1972 bevatten nog elke
keer dezelfde fout.
Anyway, met nog een opmerking sluiten we
dit artikeltje af. In het nog te verschijnen
25ste album heeft Yoko opnieuw te maken met
de Vineanen. Is het omdat het album zich hoogstwaarschijnlijk
enkel op aarde afspeelt dat ze geen helm nodig
heeft?
10/07
Frankrijk
- Brazilië: 3 - 0
In
Duitsland hebben ze een octopus die de winnaars
in de Wereldbeker voetbal voorspelt, tot de
ondergang van de Mannschaft op het
recente treffen in Zuid-Afrika toe. In 1998
volstond scenarist Christophe Arleston
om de finale in
Frankrijk correct te voorspellen. Om
Leo Loden en Jules, "de officiële
strip van het wereldkampioenschap voetbal",
tijdig klaar te hebben voor het grote gebeuren,
kon Arleston enkel gokken op wat de finale zou
geven. In het album spelen Frankrijk en Brazilië
de finale waarbij Frankrijk de wereldbeker wint
met 2-0. Zinédine Zidane
en Stéphane Guivarc'h
scoren elk een goal. Het album werd gemaakt
lang voor de werkelijke finale gespeeld door...
Frankrijk en Brazilië. De VRT
was op de hoogte en bracht Talent-uitgever
Ronny Matton voor de camera
die de gelukkige samenloop van omstandigheden
afdeed als een idee waar hij precies mee de
inspiratie voor leverde.
De werkelijke finale werd effectief gewonnen
door Frankrijk met twee goals van Zidane en
een derde van Emmanuel Petit
die daarmee het duizendste doelpunt maakte in
de geschiedenis van les Blues.
In het Nederlands verscheen het album als deel
5 in de reeks Leo Loden hoewel deel
4 niet bestond. Na een vertaling van de eerste
drie delen en Leo Loden en Jules (de
haan Jules was de mascotte van de Wereldbeker
in 1998) hield de serie op in vertaling. In
het Frans loopt de komische politiereeks gewoon
verder met Serge Carrère
als tekenaar en vanaf deel 16 Loïc
Nicoloff als bedenker van de verhalen
die het basiswerk uitschrijft en de final
touch overlaat aan Arleston.
Oorspronkelijk stelden Arleston en Carrère
in 1991 aan uitgever Mourad Boudjellal
een middeleeuwse reeks voor in de trant van
Johan en Pirrewiet gezien door de ogen
van Monty Python. Het zou over
een kleine jongeman gaan in het gezelschap van
een aan de drank verslaafde grote beer. Maar
de uitgever van Soleil stelde
hen een polar voor, een humoristische politiereeks
die zich afspeelt in de Franse havenstad Marseille.
De kleine man werd Leo Loden en de dronken beer
werd oom Loco, een Obelix-type anno nu.
Dat zowel Frankrijk (die het niet eens verdiende
om in de Wereldbeker van 2010 mee te spelen
na het handspel van Thierry Henry in
de kwalificatiematch tegen Ierland) als Brazilië
(die zich liet overklassen door de latere finalist
Nederland) deze keer de finale niet haalden,
zijn opmerkelijke constateringen. In 1998 stonden
duidelijk sterkere teams op het veld met Rivaldo
en Ronaldo Luis Nazário de Lima,
kortweg Ronaldo, in het Braziliaanse kamp tegenover
Zidane, Barthez, Henry en Trezeguet
bij de blauwen.
Vier jaar later wonnen de Brazilianen alsnog
de Wereldbeker. Ronaldo kondigde zijn pensioen
aan voor 2011 wanneer zijn contract bij het
Amerikaanse team de Corinthians
stopt. Hij scharrelde wat rond met modellen,
maar zijn avontuurtje met drie transseksuele
prostituees in 2008 amuseerde veeleer de media.
En Zidane? Die kopstoot in 2006 tegen
Marco Materazzi in de WK-finale (alweer!) tegen Italië was gelijk zijn laatste actie op het veld. Een scenarist kan het zo gek niet
bedenken.
03/07
Martin
Lodewijk en het gecensureerde stripje van
André Franquin
Bovenstaand stripje van Martin Lodewijk
(klik erop voor een grotere versie) verscheen oorspronkelijk
in het Frans in het maandblad (A Suivre)
van Casterman. In vertaalde vorm
stond het gepubliceerd in het speciale boek Wordt
Vervolgd 'Presenteert' uit 1985.
Het verhaal was naar een idee van André
Franquin en Yvan Delporte.
Het stripje uit 1978 stond opgenomen in de speciale
sectie Pendant Ce Temps à Landerneau
in het maandblad dat een vervolg was van het legendarische
Le Trombone Illustré, de "clandestiene
bijlage" van het weekblad Spirou die
het dertig nummers uitzong. Uitgeverij Dupuis
wilde de bijlage niet langer ondersteunen en trok
er de stekker uit. In de bijlage (waarin voor het
eerst Zwartkijken verscheen) konden auteurs
van divers pluimage hun ei kwijt in voor die tijd
soms gewaagdere verhalen.
Maar ook na de stopzetting bij Dupuis en een verhuis
naar de concurrentie (waarvoor de naam Le Trombone
Illustré niet mocht worden gebruikt) dat
speciek voor volwassenen een blad maakte, kon niet
alles. Opnieuw hadden de auteurs te kampen met reacties
van een onwillige redactie. Zo stuitte een twee pagina's
tellend kortverhaal van Frédéric
Jannin op tekst van Franquin en Delporte
op het njet van de redactie. Het stripje werd niet
gepubliceerd... toch niet onder die vorm en met tekeningen
van Jannin. In zijn verhaal was een bar in de ruimte
ook de plaats van actie. Een oudere man komt er binnen
met een jonge vrouw. Ze nemen iets speciaals om te
roken. Terwijl de man tijdens het roken zienderogen
jonger wordt, gaat het omgekeerde op voor de vrouw.
Ze belanden in bed waar de nu hoogbejaarde vrouw vervolgens
alle levensenergie uit de man pijpt. De vrouw is opnieuw
jong. Je vindt de originele platen van het gewraakte
stripje hieronder. Klik erop voor een grotere versie.
Let op de patron van de zaak. Je herkent 'm ook enigszins
in het verhaal van Martin Lodewijk want inderdaad,
(A Suivre) kwam bij Lodewijk terecht voor
een gloednieuwe versie van het verhaal. Enkel de ruimtebar
werd behouden en er kwam nog een knipoog aan het einde
waarbij katholieken niet lang hoeven na te denken
over wie deze aliens voorstellen.
En
dan zijn we er nog niet. Franquin en Delporte vonden
de ruimteherberg blijkbaar een goeie vondst. Dat leiden
we toch af uit het album Isabel 5: Een Rijk van
Tien Morgen dat ze schreven voor Will.
Het album verscheen in 1980. De voorpublicatie van
dit verhaal liep in Robbedoes in 1978-1979,
dezelfde periode als het bovenvermelde kortverhaal
dus.
In dit verhaal reizen de mooie heks Calendula en oom
Hermes door de ruimte en komen in het Hemels Trefpunt
terecht, exact dezelfde ruimtebar die in de versie
van Martin Lodewijk nog de Herberg van de Hemel wordt
genoemd. Een illustratie van deze bar staat al in
zijn volle glorie op de cover van het album. Op pagina
22 staat het nog grootser op papier. Het uitzicht
ervan is gelijkaardig aan de versie van Lodewijk.
De verwijzingen of de knipogen houden niet op bij
enkel de bar. Ook in dit verhaal is de man achter
de toog (dan moet je even je ogen weghouden van de
knappe dames die Will tekende) dezelfde als van Lodewijk
en Jannin. Let bovendien op de Britse piloot met rosse
snor aan de bar in zowel de versie van Lodewijk en
die van Will.
(met dank aan Michiel Prior voor
zijn opmerkingsgave)
26/06
Bernard Prince alias Rob Palland
1966
was het jaar waarin het weekblad Kuifje
het eerste avontuur van Bernard Prince publiceerde.
Toen was hij nog een agent van Interpol wier avonturen
in kortverhalen werden verteld, te beginnen met
Kaartjes met een Verrassing. Maar eigenlijk
gaat de geschiedenis van Bernard Prince
terug naar het jaar 1958.
Voor het ondertussen verdwenen maandblad IMA,
l’Ami des Jeunes schreef Greg
verhalen over een zekere Bob Francval, een inspecteur
van Interpol... met steeds een jonge hindoe in de
buurt die Djinn heette. Deze strips werden getekend
door Louis Haché. Slechts
twee verhalen duurde de samenwerking. In het dertig
pagina's tellende Terreur sur le Pacifique
komt het stripduo in aanvaring met gevaarlijke spionnen
op eilanden in de Stille Oceaan. Het verhaal Opération
Jeunes Mariés telde vier pagina's waarvan
Greg het scenario later recycleerde voor het derde
kortverhaal van Bernard Prince dat onder
de titel Operatie Pas Getrouwd staat opgenomen
in het album Gisteren en Vandaag. Van een
derde verhaal, Danger à Vendre,
verschenen acht pagina's, maar het eindigde voortijdig
en bleef onafgewerkt omdat IMA,
l’Ami des Jeunes ophield te bestaan.
Een eerste samenwerking tussen Greg en Hermann
gebeurde al in de jaren 1960. Veelschrijver Greg
mocht zich van 1965 tot 1974 hoofdredacteur van
Kuifje noemen, een creatieve periode waarin
alle taalversies van het weekblad samen goed waren
voor een half miljoen lezers. De jonge Hermann viel
hem op en hij nodigde hem uit om een halfjaar lang
op proef te komen tekenen in zijn Studio
Greg, een studio die een groot appartement
besloeg met een fotokopieerapparaat op de gang en
een lichtbak in de badkamer. Op de studio werken
ook nog Dany, Dupa
en Jean-Marie Brouyère.
Hermann combineerde er het tekenen voor een architect
met het tekenen van strips in de namiddag. Op de
studio werkte hij aan hun eerste project, Valéry Valérian (zie afbeelding),
waarvan hij twee pagina’s afwerkte.
In het hoofdpersonage herkennen we al een voorloper van Bernard Prince. Het project werd geweigerd door René Goscinny,
hoofdredacteur van Pilote. Hermann koesterde
op dat moment heel wat antipathie voor de gevierde
Asterix-scenarist, maar gaf later toe dat
zijn stripkunsten nog lang niet op punt stonden.
Het eerste verhaal van Bernard Prince.
Hermann kon zich tegelijk wijden aan geschiedenisverhalen
van Oom Wim voor Robbedoes. In
1966 begon vervolgens het grotere werk voor Kuifje met een reeks
kortverhalen over een Franse inspecteur van Interpol,
Bernard Prince. De reeks en zijn succes groeide.
Al snel bereikte het de hoogste regionen in de populariteitsreferenda
die het weekblad regelmatig organiseerde. Bernard
erfde van een oom een boot, de Cormoran, en koos
het ruime sop voor langere avonturen in vervolgverhalen.
Het jongetje Djinn en Barney Jordan (eigenlijk een
soort Kapitein Haddock naast de brave held) vervoegden
de vaste cast.
Van een overleden oom erft Bernard Prince de Cormoran, een boot waarmee Bernard wil van gaan leven.
De reden dat Bernard Prince als reeks van
aanpak veranderde en het personage ontslag deed
nemen als inspecteur, is te zoeken bij Tibet.
De tekenaar van speurder Rik Ringers duldde
geen concurrentie in het genre en in hetzelfde blad.
Na een klaagzang bij Greg en de uitgever, vond deze
laatste dat het inderdaad niet opportuun was om
twee politieseries tegelijk in het blad te publiceren.
Greg
moest er iets anders op vinden en liet de serie
in een ander register evolueren waarin meer exotiek
paste. Hermann had op dat moment al een resem foto's
genomen van een origineel schip dat in de haven
van de Vlaamse kuststad Nieuwpoort aangemeerd lag.
Omdat er een ervaren zeerot nodig was om de boot
naar exotische wateren te varen, bedacht Greg het
rosse personage Barney Jordan. En plots deed het
trio denken aan een gelijkaardig drietal uit
De Blauwe Sperwer van tekenaar Sirius dat in Robbedoes
verscheen. Naar het Indische jongetje Sheba dat
in De Blauwe Sperwer voorkwam knipoogde Greg al
in een ander scenario dat niet van de grond kwam.
In Bernard Prince recupereerde hij dat personage.
Tussendoor illustreerde Hermann ook nog tekstverhalen
van Bernard Prince die werden geschreven door Jacques
Acar.
Bernard Prince en Djinn ontmoeten Barney Jordan die net tevoren uit een café werd gekegeld.
Greg kwam ook tegemoet aan de vraag van Hermann
om locaties met veel natuurgeweld te gebruiken en andere natuurkrachten
een belangrijk verhaalelement toe te kennen. Helaas
kon het niet verhelen dat Hermann zich na verloop van tijd begon te
vervelen. Bij het tekenen van een verhaal kende hij
al lang het vervolg; Hij had zin om iets anders
te doen. Comanche, dat hij ook nog tekende op scenario
van Greg, wilde hij nog niet stopzetten, maar zelf
ging hij al wel aan de slag als volwaardig auteur
voor Jeremiah. Hermann liet Bernard Prince vallen
om meer tijd te kunnen spenderen aan zijn andere
reeksen. Achtereenvolgens Dany en Edouard Aidans namen de serie over, zonder het succes van weleer.
Voor Aidans betekende Bernard Prince trouwens een
vernieuwde kennismaking want indertijd weigerde
hij scenario's van Greg voor zijn De Familie Kleester wegens niet goed genoeg. Net die verhalen herwerkte
Greg naar scenario's voor de eerste van Bernard Prince.
Al vroeg, in 1966, verscheen Bernard Prince ook
in het Nederlandse weekblad Pep dat wel meer series
uit Kuifje, Robbedoes en Pilote overnam om aan de
Nederlandse lezers aan te bieden. In nummer 22
van dat jaar verscheen het kortverhaal Routinezaak.
Drie jaar later volgde een tweede verhaal, De Piraten
van Lokanga (= Generaal Satan) waarin Prince zijn
gabber Barney Jordan voor 't eerst ontmoette. Maar
de reeksnaam was plots — zonder opgave van
reden — veranderd in Rob Palland. Jarenlang
werd aangenomen dat de naamsverandering er kwam
om het personage niet te verwarren mert Prins Bernhard,
wat ook klopt.
Het duurde tot 2004 vooraleer de volledige waarheid
over de naamsverandering uit de doeken werd gedaan. Dat
gebeurde in een lezersbrief in het Nederlandse
stripinfoblad Stripschrift 364 van november 2004.
Rob Aalpol is een voormalig redacteur van Pep en
lichtte een en ander toe. Op vraag van hoofdredacteur
Hetty Hagebeuk en op last van de voorzichtige uitgever De Geïllustreerde Pers diende een andere naam gevonden te worden voor Bernard Prince omdat die
te veel leek op Prins Bernhard. Aan Aalpol om suggesties
te leveren.
Het
Nederlandse zangduo Niina en Frederik van
Palland.
"Dus kwam ik met een lijstje met
bijvoorbeeld Tim of Timmy Tanger, iets oriëntaals
of mediterraans. Toegegeven, allemaal niet erg creatief,
en zoals gebruikelijk vond Hetty het allemaal maar
niets en wij moesten op zoek gaan naar wat beters.
Dagelijkse hoogtepunten op de redactie waren altijd
de bezoekjes van tekenaars en schrijvers: Carol
Voges, Henk Albers, Hans G. Kresse, Dick Matena en Martin Lodewijk. De gezelligste was Willy Lohmann. Hij maakte onder andere Pep-spotters. Toen hij die
dag binnenviel werd hem, ik meen door Jan van Gelderen (onze chefredacteur), gevraagd of hij niet een leuke
naam wist voor een avontuurlijke held met een
boot. In die tijd werden bij Pep de Vlaamse strips
'vertaald' in het Nederlands, wij zeggen soms bepaalde
dingen nu eenmaal wat anders en bepaalde woorden
zijn bij ons niet in zwang. Dus werden ongeveer
alle ballonteksten herschreven en opnieuw gemonteerd.
Ik moest als nieuwbakken redacteur Bernard Prince vertalen. Toen Willy informeerde wie verantwoordelijk
was voor deze strip, was het antwoord: Rob Aalpol.
Rob vond hij een keurige naam voor een held en daarmee was de helft van de vraag al beantwoord.
Ik voelde me gevleid. Nu nog een echte Hollandse
naam. Die jaren was er een zangduo: Nina en Frederik
van Palland (zie afbeelding), hij was van oude maar Hollandse adel.
En waarom niet? Dus werd het Rob Palland. Weinig
stoer. Ik vond het niets, dan was het altijd nog
Rob van Palland. Maar ja, eigen schuld, dikke bult,
wie heet er dan ook Bernard Prince, dat klinkt
toch ook niet? En hij was even kleurloos als Kuifje,
zelfs zijn haar was wit en hij trok op met een figuur
die ook verdacht veel leek op Haddock."
In het stripblad Wham! heette Bernard Prince dan
weer Andy Morgan zoals hij in het Duits ook heet.
Wham! is van oorsprong een blad dat uit Duitsland
kwam overwaaien.
05/06
Dreigende
Dinges bedreigde Japanners
In
1872 publiceerde de Engelse schrijfster Ouida
(het pseudoniem van Marie Louise de la Ramée)
de novelle A Dog of Flanders over het straatarme
weesjongetje Nello uit Hoboken nabij Antwerpen en
zijn hond Patrasche.
Het boek vertelt het fictieve verhaal van de vijftienjarige arme Nello die de eindjes aan elkaar probeert te knopen door met een kar, getrokken door Patrasche, melk naar de stad te voeren. Het is zijn grote droom om kunstenaar te worden, maar de stedelingen erkennen zijn talent niet en uiteindelijk sterft hij van ontbering tijdens de kerstnacht, samen met zijn hond, in de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal van Antwerpen, voor het schilderij De Kruisafneming van Rubens dat Nello zo bewondert. Het boek groeide uit tot een
klassieker in Groot-Brittanië en de Verenigde
Staten waar het tussen 1914 en 1999 tot vijf keer toe werd verfilmd
(steeds met een veranderd, happy end) door Hollywood. Er werden sinds 1872 meer dan honderd miljoen exemplaren gedrukt. In de VS circuleren ongeveer honderd verschillende edities.
Er kwam ook een Japanse vertaling
onder de naam
Furandâsu No Inu waarvan zo'n driehonderd verschillende edities beschikbaar zijn. 46 jaar lang publiceerde een Japans magazine het verhaal (dat niet meer dan 65 pagina's telt) opnieuw en opnieuw en opnieuw. In Japan wordt
de novelle zo'n beetje als het beste boek aller tijden
beschouwd. Die status verwierf het grotendeels door
een tekenfilmserie uit 1975 die door zomaar eventjes
33 miljoen Japanners werd gevolgd. Nog steeds komen
Japanse toeristen naar de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal
afgezakt om het schilderij De Kruisafneming
te bewonderen. Mede door het tragische
einde, die de Japanners als een eervolle dood aanzien,
kent het verhaal er een blijvende populariteit.
In 1985 besloot de toeristische dienst van Antwerpen
om inderhaast een standbeeldje van Nello en Patrasche
te plaatsen in Hoboken. De Japanners bleven echter
weg. "Zij stelden zich Nello voor als een blij
kind met een grote hond en niet als een treurig
jongetje met een zielig klein beestje", aldus
Didier Volckaert, maker van de
documentaire Patrasche, a Dog of Flanders -
Made in Japan. Het beeldje moest tegelijk dienen
om het verhaal bekender te maken bij Vlamingen,
maar dat is nooit echt gelukt. Toch niet in de oorspronkelijke
vorm.
Als
strip doet het verhaal alsnog belletjes rinkelen.
Ook nog in 1985 publiceerde Willy Vandersteen
en zijn studiomedewerkers namelijk het Suske
en Wiske-album Het Dreigende Dinges
waarin het verhaal wordt herverteld met een andere
intrige als hoofdverhaal. Het Japanse meisje Miako
wil haar jongere zusje, dat aan een onbekende ziekte
lijdt, helpen door het verhaal waar ze zo verknocht
aan is beeld voor beeld te laten herbeleven zoals het
vroeger echt gebeurd moet zijn. Door middel van
een uitvinding van haar vader kan ze in haar opzet slagen. Die uitvinding heet K.C., kort voor Kruipende
Camera, een op rupsbanden rijdende, gerobotiseerde
camera met een eigen karaktertje dat botst met dat
van Wiske. Uiteraard
helpen Suske, Wiske en de anderen Miako.
Aan Willy Vandersteen hebben we trouwens ook de
eerste Nederlandse vertaling van het boek te danken.
Het werd uitgegeven door Standaard Uitgeverij
en trok helaas op niet veel volgens Volckaert.
Eind april 2010 verscheen bij Lannoo een gloednieuwe, tekstgetrouwe
vertaling door Tom Naegels aangevuld met een grondige studie over het fenomeen en met aandacht voor de strip.
Van Het Dreigende Dinges op zijn beurt
werd een Japanse vertaling gefabriceerd, maar dat
was een fiasco. Clichés over Japanners getuigden
van een grote onzorgvuldigheid. Didier Volckaert verklaart:
"Het doelpubliek was kwaad, omdat de Japanners
in dat album felgeel gekleurd zijn en allemaal voorovergebogen
lopen. En op pagina één staat een
Japans meisje in een kimono voor mannen, mét
haar voeten open! Daar kunnen ze in Japan niet mee
lachen, hoor."
Maar een mooie strip blijft het wel!
(Bron: Humo 3634, 27 april 2010)
29/05
Durango-voorloper
In
1979 waagde de pas afgestudeerde Yves Swolfs
zich aan zijn eerste volwaardige album dat in 1981
verscheen. Durango 1: Sterven als een Hond in
de Sneeuw sloeg in als een bom. Het album raakte
in één week volledig uitverkocht.
Omdat Swolfs niet de klassieke weg bewandelde door
eerst te proefdraaien in weekbladen als Kuifje
of Robbedoes en meteen een album publiceerde,
zaaide hij met zijn album twijfel bij de vakpers.
"Is Yves Swolfs geen pseudoniem van Jean
Giraud, de meesterlijke tekenaar van Blueberry?",
zo werd gedacht. Het is een misverstand én
een compliment dat kon tellen.
Minder bekend is dat er in 1980, een jaar vóór
het eerste album van Durango, een eerste
versie verscheen in de Franse collectie Sexstar
waarin geweld en een beetje bloot niet geschuwd
werden. Dit eerste verhaal, een soort nulnummer,
heette Viol à Grey Rock (Verkrachting
in Grey Rock) en kende volgnummer 3 in de collectie.
De uitgever was Archers, tevens
de latere uitgever van Durango. De uitvoering
was kleiner dan een standaardalbum, telde 96 pagina's
in zwart-wit en in softcover. Het was pulp zoals
er in die periode wel meer verscheen, dikwijls nog
erotischer, zelfs pornografischer, van aard.
Voor het echte eerste album van Durango
hertekende Swolfs de Sexstar-uitgave. Het
scenario bleef nagenoeg ongewijzigd. De expliciete
seksscènes werden uiteraard geschrapt. Zo
was het meer geschikt voor een groter publiek.
Swolfs heeft het zelden tot nooit over deze jeugdzonde
in interviews. Het grappige is dat het album ondertussen
dermate zeldzaam is (als je er een vindt op veilingsites
moet je er een paar honderd euro voor willen neertellen),
dat zelfs Swolfs er geen exemplaar meer van heeft.
Hieronder vind je een paar uittreksels.
(Bron: http://www.stripinfo.be/strip.php?strip=64323
// Dossier Swolfs — Les Dossiers de la Bande
Dessinee, juni 2003)
22/05
Soda
in andere handen
In
1987 verscheen het eerste album van Soda,
toen nog zonder het logo van de collectie Spotlight
die nog moest worden gecreëerd. Al op de eerste
plaat is de actie verzekerd met een dolle achtervolging
door een politiewagen en een lijkwagen in de straten
van New York.Op plaat 3 komt David Solomon, kortweg
Soda, een eerste keer in beeld. Hij is duidelijk
een flik, een luitenant zelfs. Op plaat 11 vermomt
hij zich in de lift van het flatgebouw waar hij
en zijn moedertje Mary samenhokken. Hij verkleedt
zich als een priester en meteen krijgt de serie
een originele wending én een rode draad zoals
Agent 327 aan praktisch elk begin van een album
vermomd aanklopt bij de Nederlandse geheime dienst.
Alsof
dat geheim dat hij voor zijn moeder in stand houdt
nog niet genoeg is, heeft Soda aan zijn linkerhand
twee ontbrekende vingers. Daarom draagt hij een
handschoen. Een reden daarvoor wordt niet opgegeven.
Het moet alleszins uit zijn periode in New York
dateren. In deel 2, Brieven voor Satan,
wordt teruggeblikt tot acht jaar geleden wanneer
David naar New York verhuisde om er een baantje
te vinden. Toen had hij nog al zijn vingers. Het
mysterie over het ongeluk of wat dan ook de oorzaak
is voor de ontbrekende vingers houdt nog steeds
stand. Soda bewees snel dat het een sterke serie
is. Maar op het moment dat het succes nog moest
pieken hield tekenaar Luc Warnant
er van de ene dag op de andere mee op. Dat gebeurde
na plaat 11 van het derde verhaal Gij Zult niet
Schieten. Bruno Gazzotti nam
het van Warnant over. De overgang mag als onberispelijk
beschouwd worden, hoewel Gazzotti zijn nevenpersonages
minder grotesk tekent. Warnant durfde zijn personages
al eens beheppen met opzichtige tandenrijen, gigantische
oren en andere karikaturale deformaties. Gazzotti
tekent gladder en trok sinds zijn overname van de
reeks meer en meer de semikarikaturale toer op.
Maar waarom kapte Warnant er zo snel mee?
Plaat
11 uit Soda 3, Warnants laatste.
Plaat
12 uit Soda 3, Gazzotti's eerste.
Warnant hield het na een jaar Saint-Luc voor bekeken.
Hij vond dat er te veel algemene vakken waren en
dat er te weinig getekend werd. Hij koos voor de
Academie van Schone Kunsten en zette er zijn opleiding
verder. Nog tijdens zijn studies mocht hij werken
op de studio van Edouard Aidans.
Dat duurde zo'n twee jaar. Hij stond in voor een
herneming van een serie voor kinderen. De tussenpersoon
die Warnant bij Aidans introduceerde, heette André
Beckers, een striptekenaar die her en der
publiceerde, ook bij Robbedoes. Aan hem
heeft Warnant zowat alles te danken, beweerde hij.
Het leren tekenen, het verzorgen van contacten met
uitgevers. Een toonbeeld van doorzettingsvermogen
was-ie ook want eind jaren 1960 kreeg Beckers een
ernstig auto-ongeluk die 'm een handicap aan zijn
hand bezorgde (ligt hier een inspiratiebron voor
Soda?) waardoor hij niet meer met een penseel
kon werken. Hij moest zijn tekenstijl aanpassen.
In 1989 gaf Oranje het enige album van Timothey O. Wang uit.
Voor tekenaar Mittéï
tekende hij in die periode ook nog een kortverhaal
voor een paasnummer van Kuifje en werkte
mee aan een verhaal van Tante Zenobie die
Mittéï zelf als assistent voor Maurice
Maréchal tekende. Dat kortverhaaltje
tekende Warnant helemaal zelf op scenario van Mittéï
die de platen ondertekende. Die platen moesten nog
dienen om ze voor te leggen aan Warnants leraren,
maar Mittéï had ze achter Warnants
rug verkocht. Zijn handtekening heeft hij verborgen
op een boomstam op de eerste plaat waar Mittéï ze nooit zou opmerken.
Na een eerste Vrij Vel voor een nummer
van Robbedoes in 1974, kon Warnant dankzij
tekenaar Gos snel aan de bak bij
Dupuis. In de zomer volgend op
zijn afstudering, ontmoette hij tijdens een vakantie
in Frankrijk de tekenaar van De Katamarom
die toen ook nog Guus Slim tekende op scenario
van Maurice Tillieux, de oorspronkelijke
auteur van de serie. Dat contact en de gesprekken
met Gos vielen zodanig goed mee dat Gos aan Warnant
voorstelde om Guus Slim over te nemen.
Warnant tekende enkele proefplaten die werden voorgesteld
aan uitgever Charles Dupuis en
Robbedoes-hoofdredacteur Thierry
Martens. Martens hield ervan en zag brood
in een overname. Dupuis hield meer van de platen
met een personage dat Warnant tevoren schiep: Timothey
O. Wang. Warnant luisterde naar Dupuis en een
eerste verhaal van twintig pagina's verscheen in
1981 in Robbedoes.
Omdat hij in eenzelfde nerveuze stijl als André
Franquin werkte, viel het deze laatste
ook op. Franquin belde Warnant op en stelde voor
om voor hem te komen werken. Franquin was in die
tijd artistiek directeur van het politieke blad
Pour waarin hij onder meer Zwartkijken
verscheen. Warnant was toen net bezig met een lang
verhaal van 44 pagina's van Timothey O. Wang.
Hij zou te weinig kunnen produceren voor Franquin
en moest het voorstel derhalve afwijzen.
Na het eerste avontuur van Timothey O. Wang
begon het voor Warnant te dagen dat hij met een
scenarist in zee moest gaan. Hij tekende bovendien
liever dan verhalen schrijven.
Yann kwam op zijn pad en stelde een verthaal
voor dat zich zou afspelen in Vietnam. Het enthousiasme
was er, een afgewerkt scenario kwam er, hij toog
zich aan het werk, hij tekende enkele platen en
vele voorstudies, maar het was toch wat te volwassen
van aard voor de tekenaar. Dupuis weigerde bovendien
een publicatie ervan omdat het de humor van Yann
als te hard ervaarde. Warnant haakte vervolgens
af en het project ging een nieuw leven leiden als
Pin-Up voor tekenaar Philippe Berthet.
Bij zijn zoektocht naar een andere scenarist kwam
Warnant bij Tome terecht van wie
hij de overname van Robbedoes en Kwabbernoot
erg kon smaken. Het kwam goed uit dat Tome tevens
van Warnants werk hield. Tome werkte al geruime
tijd aan een nieuw project en vond in Warnant een
geschikte tekenaar. Het duurde toch nog tot 1986
vooraleer de eerste platen getoond konden worden.
En die bevielen Tome enorm. Het idee van de flik
die zich als priester voordoet bij zijn moeder komt
van Tome. De drie vingers zijn een idee van Warnant.
Uiteindelijk was Soda gewelddadiger dan
het project met Yann, maar de tekenaar vond het
verhaal van Tome beter en hij wilde iets trashy
doen. De ondertussen nieuwe hoofdredacteur Philippe
Vandooren maande 'm wel aan tot meer kalmte
in zijn tekeningen.
Na een eerste verhaal volgde een tweede en ook een
derde. Het was er een te veel. Er begon iets te
veranderen bij Warnant zelf. Na telkens twee potloodfases,
een inktfase en te veel fases per plaat waarin hij
het voornoemde helemaal opnieuw deed per plaat begon
hij extreem veel tijd te verliezen. Bij het bekijken
van de resultaten vond hij dat ze niet overeenkwamen
met wat hij eigenlijk wilde vertellen. Dat begon
zwaar door te wegen. Ook de eenzaamheid om opgesloten
in een kamer en gebogen over een plaat te zitten, begon
'm ferm tegen te staan. Hij verloor de zin om te
tekenen. Hij wilde met mensen om zich heen werken,
anders dan op een tekenstudio waar het nog steeds
een solitair karwei blijft.
De frustraties stapelden zich op, hij had het uiterste
van zijn energie aangesproken, hij forceerde zich
om er alles nog uit te persen maar bij plaat 11
van het derde verhaal zette hij een punt achter
zijn carrière als striptekenaar net toen
de serie heel goed begon te lopen.
Tome moest niet veer zoeken naar een nieuwe tekenaar.
Bruno Gazzotti assisteerde Janry
voor De Kleine Robbe en kon de taak aan.
Warnant voelde zich nog steeds slecht bij zijn beslissing — want striptekenen was zijn leven — en betekende amper een hulp voor Gazzotti. Op een grote
tekening met de juiste verhoudingen van Soda na
als indicatie en twee of drie ontmoetingen, moest Gazzotti
het alleen zien te klaren. Warnant verkocht al zijn
rechten op de serie.
Gelukkig voor hem vond hij een andere interesse:
de digitale tekening. Het stond in de jaren 1980
nog volledig in de kinderschoenen, maar Warnant
zag meteen in dat dit het was voor hem. Het experimentele
ervan vond hij een aantrekkelijk aspect en het had iets van sculpteren (een passie van 'm) op de computer. Met een
partner, ook een stripliefhebber, gingen ze samen
het avontuur aan om digitale personages te creëren
die er beter moesten uitzien dan de creaties die
toen gangbaar waren. De
twee vonden snel geld voor hun verdere onderzoeken
bij een Waals industrieel en kregen er nog subsidies
bovenop van het Waals gewest. Het bleek dat de industrieel
het zelf zo had aangekaart dat het nieuwe bedrijfje
van Warnant iets kon betekenen voor het Luikse bedrijf
Trident Technologies dat later
nog verwikkeld zou zijn in het fraudeschandaal rond
de Agusta-helikopters. Voor het
bedrijf ontwikkelde Warnant een systeem om organische
materialen te digitaliseren voor gebruik in de filmwereld.
Door
een externe consultant kon het duo weg bij Trident
Technologies bij wie het budget snel opraakte. In
het Luikse bedrijf Neurones vonden
de twee een nieuwe werkgever. Het bedrijf was actief
in de wereld van medische apparatuur en toonde veel
interesse voor het werk van Warnant. Het was nochtans
onder de vlag Neurones Cartoon dat
er werd geïnvesteerd in het maken van 2D- en
3D-animatiefilms en verdere research. Warnant bekleede
de functie van artistiek directeur en directeur
3D-modelleren, onder meer voor de Luxemburgse animatiefilm
Tristan et Iseut (Tristan en Isolde)
van regisseur Thierry Schiel uit
2002 die overigens zwaar flopte. Maar Warnant zat
eindelijk tussen de mensen. Tristan en Isolde
was de eerste Europese animatiefilm waarin de personages
digitaal werden geanimeerd met een traditionele
2D-look. Animatiestudio Oniria Pictures
produceerde tevoren Kirikou en de Heks.
Na vele jaren koos hij voor een nieuwe uitdaging
in de hogeschool van Namen waar hij sindsdien 3D-modellering
doceert.
In
een bijlage bij het Franse nummer van Spirou
2560 stond bovenstaande gag van Guust Flater
(zonder Guust weliswaar) door Luc Warnant.
Een
strip tekenen wil hij nooit meer doen. Hij gelooft
dat 3D de toekomst is van de strip. Sinds enkele
jaren werkt hij wel — op zijn gemak —
aan een strip in 3D die op een dag misschien zal
gepubliceerd worden. Soda heeft hij nooit
gelezen, zelfs niet de albums die hij zelf tekende.
Elke keer hij iets van Soda ziet, voelt
hij zich ondergedompeld in een bad vol tristesse.
Treurnis omdat hij de serie heeft laten vallen.
Tussendoor vernam hij van Yann dat Franquin indertijd
graag had gehad dat Warnant op een dag Guust
Flater zou voortzetten. Een hommage aan Guust
voor een speciaal nummer van Spirou zou
Franquin ervan overtuigd hebben dat Warnant hier
de geschikte man voor was.
En waarom Soda maar drie vingers heeft
aan zijn linkerhand, weten we nog steeds niet. Momenteel
heeft Gazzotti al zijn zinnen gezet op Alleen
op scenario van Fabien Vehlmann
die productiever voor de dag komt dan Tome. De scenarist
zou regelmatig lijden aan een writer's block. Van
een nieuw Soda-verhaal zit hij naar verluidt
niet verder dan een dozijn pagina's.
(Bron: Stéphane
L. — BrusselsBdTour, augustus 2007)
15/05
Filmfotoverzamelaar Jean Giraud
Welkom
in ons — niet in het minst complete
— overzichtje van de invloed die westernfilms
hadden en hebben op het tekenwerk van Blueberry-tekenaar
Jean Giraud. Alle foto's hebben
we her en der bijeengescharreld uit publicaties,
van websites en dergelijke meer. In het bijzonder
vermelden we Stripjaarboek '89 en Leo
Wildschut als bron. Speciale dank is er voor Rob Minnes voor de tientallen aanvullingen.
Beginnen we met een eerste foto uit de western Santa Fe Saddlemates uit 1945 met Linda Sterling en Sunset Carson. Vergelijk deze met de cover van Jim Cutlass: Mississippi River uit 1980.
Giraud wilde hetzelfde foefje misschien niet uithalen in Duitsland waar hij een andere cover tekende voor Jim Cutlass: Mississippi River. Hiervoor ging hij te rade bij Conquest of Cheyenne met Bill Elliot als Red Ryder en Peggy Stewart.
Op
de foto van slechte kwaliteit moet je je best
doen om John Wayne te herkennen
in de film The Horse Soldiers uit
1959. Waar we minder moeite voor moeten doen,
is om er de gelijkenissen uit te halen uit
een prentje in de Blueberry-reeks.
Let bijvoorbeeld op de witte zadelfles, het
paard, de houding van de ruiter. Toeval?...
Kom kom.
Klein maar fijn. Links is een foto uit de film Hondo and the Apaches (1967) met Ralph Taeger als Hondo. Zelfs het franje aan de linkermouw heeft Giraud trouw nagetekend.
Het verschil tussen deze twee afbeeldingen zit 'm in de lasso en de houding van de ruiter. In de foto uit de film South of Caliente (1951) met Roy Rogers gebruikt de cowboy 'm waarvoor hij dient. In het Blueberry-album Het Einde van de Lange Rit hangt deze netjes opgerold.
Links een portret van de acteurs Don Terry, Lon Chaney Jr. en Noah Beery Jr. uit de film Overland Mail uit 1942. Rechts een prent uit een portfolio met de heren Redneck, Blueberry en Mc Clure.
Opnieuw
een filmscène, nu uit Vera Cruz
(1954) met Burt Lancaster en Gary
Cooper, die opduikt in Het Einde van
de Lange Rit. Moeten we je echt wijzen op bijvoorbeeld
de mouw, de lichte vorm van kikvorsperspectief,
de manier waarop hij het geweer vasthoudt?
Afbeelding uit de westernklassieker The Wild Bunch (1969) van regisseur Sam Peckinpah. En Giraud maakte de tekening rechts, nogmaals naar het voorbeeld van een foto. Zijn creativiteit bestond er in om drie personen van de foto te herschikken of te spiegelen voor een 'eigen' compositie. Gehurkte baardmans met geweer, baardmans met hoed in hand en baardmans met hoed op hoofd en gekruiste armen zijn qua lichaamshouding rechtstreeks weggeplukt uit de foto.
Walter Brennan en Henry
Fonda uit My Darling Clementine
(1946) van regisseur John Ford
werden ook vereeuwigd.
En hier zien we meteen op welk filmmagazine Giraud was geabonneerd. Het maandblad Star-Ciné Bravoure bracht een cover dat resulteerde in een stripcover van Blueberry: De Man met de Zilveren Ster uit 1973.
Niet alleen dankzij de film heeft Giraud een documentatiebibliotheek bijeenvergaard. Oude foto's uit die tijd worden naarstig gerecycleerd, zelfs in een dédicace voor een fan. Let niet alleen op het decor van de tekening, maar ook op de houding en de kledij van Blueberry. De man op de foto die als tweede van links "Cheese" moet zeggen naar de camera was Girauds voorbeeld.
Deze
zwart-wittekening kent zijn voorbeeld in een zoveelste
filmfoto. Hier van Charlton Heston
uit de film Will Penny (1968).
Jean-Paul
Belmondo was een eerste inspiratiebron
voor de looks van Blueberry. Giraud benadrukte dat
nog eens door een foto van de Franse acteur na te
tekenen voor de achterkant van de albums.
Het
moet wel gezegd dat Giraud zijn klassiekers kent.
Hij tekende bijna een eregalerij bij elkaar met
verwijzingen naar het neusje van de zalm op westerngebied.
Bovenstaande foto met John Wayne
en Jeffry Hunter uit The Searchers
(1956) is min of meer te herkennen op de cover van
Ballade voor een Doodskist.
Frederic Remington was een legandarisch
schilder van westerntaferelen. Zijn werk herkennen
we ook op de cover van De Jonge Jaren van Blueberry:
Blauwjas.
Nagetekend schilderij van Remington voor een affiche.
Edmund
O'Brien en William Holden
uit The Wild Bunch voor een ex-libris uit
1999.
John
Wayne uit Howard Hawks' Rio Bravo (1959) voor een poster
van het maandblad Lucky Luke dat een tijdlang
liep.
Natuurfoto's
uit bijvoorbeeld het tijdschrift National Geographic
zijn ook handig om te gebruiken. Spoor de vogel
op in het album Gebroken Neus.
Natuurfoto's
konden zelfs meermaals hun dienst bewijzen.
Een
van de mooiste/beste stripcovers is beslist die
van Chihuahua Pearl. Het idee voor de coverafbeelding
vond Giraud bij ofwel een publicitaire foto van
actrice Rita Scherrer uit de jaren
1970 ofwel bij een advertentie voor tandpasta uit
dezelfde periode ofwel bij allebei. De gelijkenissen
zijn alleszins frappant.
Andermans
vakantiekiekjes
kwamen ook van pas. De ruiter is niemand minder
dan Jean-Claude Mézières (Ravian)
die in getekende vorm de schutbladen van Franse
hardcoveredities van Blueberry siert.
De foto dateert van 1966.
Ook
onder zijn alter ego Mœbius
put Giraud niet alleen uit zijn eigen fantasie,
maar net zo goed uit alles wat qua beeldmateriaal
in zijn bereik komt. Voor een speciaal album over
De Incal nam hij een foto van Enki
Bilal als voorbeeld voor de coverillustratie.
Bilal als John Difool!
Zonder woorden.
Muziek verzacht de zeden.
Met
deze na-aperij liep Giraud tegen de lamp. In 1997
was het hek helemaal van de dam en werd hij officieel
voor de rechter gesleept door Jean-Noël
Coghe wegens plagiaat. In 1967 debuteerde
Coghe als persfotograaf voor muziektijdschriften
als Disco Revue en later Rock'n Folk.
Hij ontmoette dat jaar de legendarische, maar toen
nog onbekende gitaarspeler en zanger Jimi
Hendrix op zijn eerste tournee. Hij nam
onder meer bovenstaande foto van Hendrix die een
maaltijd nuttigde in een Brusselse club. De foto
raakte gepubliceerd in een boek, maar zonder vermelding
van de fotograaf. In 1992 dook het opnieuw op in
een expo over Hendrix. De foto met de titel Voodoo
Soup hing er broederlijk naast een tekening
van Mœbius. Deze klakkeloos nagetekende tekening
werd halverwege de jaren 1970 gebruikt op de achterkant
van de platenhoes Jimi Hendrix/1 Are You Experienced,
Axis: Bold As Love waarvoor Mœbius de
hoesillustraties verzorgde. Hij had er wel kleur
aan gegeven en bijkomende experimentele elementen.
Na een gesprek met een bevriende advocaat kloeg
Coghe Mœbius aan en eiste een bedrag van omgerekend
262.500 euro voor het ongeoorloofd gebruik van auteursrechten.
In eerste instantie won Mœbius onder het mom
van parodie, wat legaal is. Er was namelijk een
precedent van een foto van het agentschap AFP
die Morris had nagetekend voor
een Lucky Luke-album. Omdat het hier duidelijk
om een tekening ging, konden er geen auteursrechten
op de voorbeeldfoto gelden. Coghe tekende geen beroep
aan. Scenarist en vriend Alejandro Jodorowsky
stelde daarna voor dat het verder in der minne werd
geregeld door het uitbrengen van een portfolio met
andere foto's als basis voor een reeks zeefdrukken.
De fotograaf hapte toe waarna het boek Émotions
Électriques, een lofzang op Hendrix,
het licht zag.
Bovenstaande
foto is ondertussen een gekende foto van een naakte
Madonna uit haar prille carrière.
De fotograaf verpatste ze later aan Playboy,
het blad waar behoorlijk wat tekenaars een abonnement
op hadden voor het bestuderen van vrouwelijke anatomie.
We zijn bloedserieus!
Advertenties
kwamen net zo goed terecht in de documentatiemappen
van GIraud.
National
Geographic versus De Ogen van de Kat,
een meesterwerk van Mœbius in sterk zwart-witpointillisme.
Had
je haar herkend? Patti Smith als
Jerry Cornelius in Majoor Fataal?
Moving on...
... and on.
In
tijdschriften over fotografie vind je natuurlijk
de beste beelden... of modellen. In dit geval voor
het artbook Venise Celeste.
En
hier dus opnieuw voor hetzelfde artbook.
08/05
Flaterfoon op waar formaat
In
gag 448 van Guust uit 1967 maakt een ontstelde
Kwabbernoot kennis met een gedrochtelijk muziekinstrument
dat Guust Flater heeft uitgevonden. Hij maakte het
hoogstwaarschijnlijk tijdens de werkuren. Zijn bedoeling
was om de muziekwereld met een nieuw muziekinstrument
en nieuwe klanken te verrijken. Het toen nog naamloze
instrument, dat Kwabbernoot prompt Brontosaurofoon
doopt, is volgens Flater "geïnspireerd
op de Afrikaanse instrumenten, maar geperfectioneerd".
Dat klopt ook want zijn tekenaar André
Franquin was al met Afrikaanse instrumenten
vertrouwd. Vergelijk de Flaterfoon maar eens met
de instrumenten op onderstaande afbeelding uit het
verhaal Robbedoes bij de Pygmeeën
uit 1949-1950 (te lezen in het eerste album, 4
Avonturen van Robbedoes... en Kwabbernoot).
De eerste klanken die de Flaterfoon voortbrengt,
doen Guusts broek zakken en het plafond van de vijfde
verdieping net onder hen naar beneden vallen. In
latere gags vallen verhuiswagens uiteen, bladert
het behangpapier van de muren, vluchten mollen én
koeien van weilanden, vernietigt de losgeknipte
gekromde tak een peperduur 118-delig Meissenerservies
van meneer Dupuis, komt het leger eraan te pas omdat
het een wapen ziet in het instrument dat hun jachtvliegtuigen
door elkaar doet trillen en vernielen Guust en zijn
vrienden met gelijkaardige instrumenten zelfs het
volledige gebouw waarin de kantoren van uitgeverij
Dupuis zijn gehuisvest. Ook een miniatuurversie
van de Flaterfoon, die Guust zogezegd van een lezer
kreeg, maakt brokken. Een prestigieuze maquette
met een vernieuwd kantoorgebouw van twintig verdiepingen
tuimelt ineen. De Mesmaeker moet er van schaterlachen
en zo zien we 'm toch niet vaak als Guust in de
buurt is.
Het
brengt ons gelijk bij de grote wedstrijd die het
blad Robbedoes in 1968 organiseerde. De
lezers werden opgeroepen om de Flaterfoon na te
bouwen. De jury pikte er een winnaar uit die niets
minder dan de wagen van Guust Flater won, een echt
rijdende replica die werd gemaakt naar de tekeningen
van Franquin. Het is eens wat anders dan een koe
die lezers bij een andere wedstrijd konden winnen.
Tussen de inzendingen, die allen op een expo werden
getoond, bevonden zich al net zo lelijke gedrochten
als het origineel. Een Nederlander presteerde het
om een 325 kilo wegend gevaarte met de post aan
de redactie te bezorgen. Iemand anders had een volledig
in metaal gefabriceerde versie gemaakt met pedalen
waarop men kon spelen. Hoofdredacteur Yvan
Delporte, die aan de basis van het gekke
wedstrijdidee stond, bleef er met plezier Beethoven-melodieën
op spelen hoewel het instrument geen enkele juiste
noot kon aanslaan. Op YouTube vond een bezoeker
van het Stripster-forum
het volgende filmpje waarin een Franse deelnemer
zijn creatie naar Parijs vervoerde. Zie 'm rijden
in de straten van de Franse hoofdstad.
02/05
Geweigerde Blake en Mortimer-verhalen
Philippe Wurm + Jean Dufaux
Auteurs genoeg die de laatste jaren aan Blake en Mortimer werken. Ook auteurs genoeg die door de uitgeverij of betrokkenen werden gevraagd om proefplaten te maken. Dirk Stallaert werd op basis van Nino indertijd gepolst om Edgar-Pierre Jacobs' laatste verhaal te voltooien, maar dat zag de Vlaamse tekenaar niet zitten. En dan zijn er nog de auteurs die zichzelf kandidaat stelden. Het eerste wapenfeit in de stripcarrière van Jean-Claude Bartoll (scenarist van Insiders, Diamanten, MX-22,...) bijvoorbeeld was een scenario van Blake en Mortimer in de periode dat Yves Sente nog net niet was uitverkoren om met André Juillard een vast team te vormen.
Ook de Zwitserse tekenaar Philippe Wurm en de Belgische successcenarsit Jean Dufaux voelden zich geroepen om een album te maken. Dat gebeurde volgens inkleurder Benoît Bekaert (die de platen van gepaste kleurtjes voorzag) kort na het stopzetten van de serie De Rochesters in 2009 die in vertaling al werd stopgezet na deel 3. Op de enige twee bekende proefplaten van hun project (bekijk ze in het groot door te klikken op de afbeeldingen hierboven) valt af te leiden dat Dufaux zich wilde focussen op Olrik en een erfeniskwestie. Meer zelfs, Olriks zuster Lavinia en zijn nichtje Olivia speelt een rol. Aangekomen op het domein van de overleden Sir Darkfield voelt hij volgens de tekst van Dufaux geen greintje nostalgie. Hij moet er dus zijn opgegroeid. Tegelijk is kapitein Francis Blake geïnteresseerd in de afkomst van Olrik waarover niets is geweten door de Britse spionagedienst MI5. Ondertussen lijkt professor Mortimer verdwenen. Hij liet alleszins al een maand niets weten omtrent zijn whereabouts. Kolonel Cartwright laat aan Blake weten dat hij vindt dat Mortimer sinds de historie met het Gele Teken veranderd was.
Nu goed, er zal geen gevolg gegeven worden aan het opzet van Dufaux want de uitgeverij toonde geen verdere interesse.
Émile Bravo + Joann Sfar
In deze rubriek past ook de poging van Émile Bravo (de gevierde tauteur van het Robbedoes-verhaal Het Dagboek van een Fantast) en Joann Sfar die begin jaren 2000 serieus van plan waren om een eigen avontuur van Blake en Mortimer te maken. Sfar, een rabiate fan van Asterix en Corto Maltese, is dat veel minder voor de strikte Blake en Mortimer, waardoor hij hen altijd als vreemdelingen of bizarre volwassenen beschouwde. Net daarom wilde hij een verhaal over hen vertellen. De versie van Jacobs’ opvolgers spelen in op de nostalgie van de lezers. De versie van Sfar zou meer de kaart trekken van het thriller-, historische - en ja zelfs, horroraspect. Met aandacht voor het privéleven van het duo, want een wetenschapper en een militair die onder hetzelfde dak leven, daar moeten toch wel eens harde woorden vallen?
Bravo was al begonnen aan het uittekenen van een verhaal over Blake die kort na de Tweede Wereldoorlog moet samenwerken met een nazigeleerde. Sfar liet in een interview uitschijnen dat de verovering van de ruimte door de Amerikanen te danken is aan uitgeweken naziwetenschappers. Een ander potentieel verhaal ging over de oprichting van de staat Israël.
Eigenlijk was dit project bedoeld als bezigheid, als tussendoortje, als grap. Nochtans liet het duo de platen zien aan de uitgever... die Bravo contacteerde om 'm voor te stellen Ted Benoit, die er na zijn tweede album mee zou ophouden, als tekenaar op te volgen. Bravo weigerde: “Als ik een Blake en Mortimer maak, is het met Sfar of anders niet”.
De uitgeverij en ook de erfgenamen haakten af, mede door de gevoelige verhaalthema's. Het project strandde bij een ingekleurde plaat en eentje in zwart-wit. Je kan ze hieronder allebei aanklikken voor een grotere weergave.
Johan De Moor (links) en Jérôme Presti (rechts)
Op 7 februari 2010 dook op een veiling van het huis Kahn-Dumousset een testpagina in potlood op van tekenaar Johan De Moor voor een eventuele overname van de reeks. Tot zijn laatste verwezenlijkingen van Johans vader, Bob De Moor, hoorde het voltooien van het tweeluik De 3 Formules van Professor Sato. Maar de reeks bleef dus niet in de familie.
Rechts hierboven staat een proefpagina van een zekere Jérôme Presti die ook een tijdlang rondliep met een avontuur van Blake en Mortimer. vandaag werkt de illustrator/tekenaar mee aan albums van De Reizen van Loïs voor de studio van Jacques Martin, zie ook hieronder.
André Taymans + Yann / Alain De Kuyssche
Een
verrassende combinatie had de samenwerking van André
Taymans + Yann en Alain
De Kuyssche kunnen opleveren. Taymans beheerst
beslist de klare lijn die hij al toepaste in Caroline
Baldwin. In de trilogie De Dochters van
Afrodite, meerbepaald deel 1: Dood à
la Carte (zie afbeelding hieronder), liet hij
Blake en Mortimer zelfs in een cameo opdraven. Het
verbond dateert van 2006 en kwam enkele maanden
voor de dood van René Sterne opnieuw
op tafel te liggen bij uitgeverij Dargaud.
Deze weigerde het project omdat men vond dat twee
teams wel volstonden. Het tweede team naast René
Sterne en Jean Van Hamme was dan
André Juillard en Yves
Sente.
Het verhaal was opgezet als een rechtstreeks vervolg
op Het Gele Teken met een in de riolen
van Londen vluchtende Olrik als beginpunt. Ook zijn
er al enkele elementen te herkennen die zouden leiden
naar Het Raadsel van Atlantis, Edgar-Pierre
Jacobs' volgende album na Het Gele
Teken.
Oké, dat album kwam er dus niet, maar ondertussen
kon Taymans wel zijn ei kwijt als nieuwe tekenaar
van Lefranc. Voor het album Londen
in Gevaar trad Alain De Kuyssche op als scenarist,
zonder evenwel officieel in het album vernoemd te
worden. De Kuyssche was lange tijd een naaste medewerker
van Jacques Martin, schreef boeken
over hem en schreef ook de befaamde Alex-romans
(met illustraties van Jean-François
Charles). Tegelijk houdt hij zich achter
de schermen nog steeds bezig met de dagelijkse werking
van de Jacques Martin-studio.
En nu wordt het interessant want in 2004 schreef
De Kuyssche al een eerste verhaal over een jonge
Lefranc (gesitueerd in de jaren 1950) voor tekenaar
Bruno Marchand. Dat idee bleef
behouden voor de albums die Taymans maakt naast
de nieuwe verhalen die zich in het heden afspelen.
Het verhaal leek inwisselbaar voor Blake en
Mortimer want ook daarin lag de gekozen periode
in het begin van de jaren 1950 met Londen als prooi
van een dreiging, ondergrondse locaties (die trouwens
vaak voorkomen in Blake en Mortimer), enzovoort.
In 2008 werd het verhaal definitief een Lefranc-album,
Londen in Gevaar.
René Sterne + Yves Sente (links) en Stanislas + Yves Sente (rechts)
Toen
Yves Sente voor Jean Van Hamme
een nieuwe tekenaar zocht om Ted Benoit
te vervangen die er de brui aan gaf, werd René
Sterne gekozen na het maken van een paar testpagina's
op scenario van Sente. Meerdere tekenaars maakten
eveneens testpagina's waarover zelden tot nooit
wordt gecommuniceerd. Francis Vallès
(De Meesters van de Gerst, Rani), Pascal
Zanon (Harry Dickson) en Stanislas
(zie de voorbeelden hierboven rechts, vergelijk
ze met die van Sterne links) waren enkele van hen.
De tekenstijl van Sterne was klassieker dan wat
Stanislas ervan bakte. Stanislas maakte er te veel
een eigen interpretatie van en die richting wilde
Dargaud allerminst uitgaan. Stanislas, die Jacobs
al eens portretteerde in zijn verstripte Hergé-biografie
De Avonturen van Hergé, ving trouwens
ook al bot als tekenaar voor een one-shot van Robbedoes
en Kwabbernoot en een tweede keer op scenario
van Lewis Trondheim.
De twee proefplaten gelden als een soort teaser
voor het latere verhaal De Dertig Zilverlingen.
Met de teaser werd niets meer gedaan voor het publiek.
Enkel de tekenaar wist waar hij zich aan kon verwachten
voor het tweeluik dat Van Hamme ging schrijven.
We herkennen professor Mortimer die met de tijdmachine
van Miloch uit De Valstrik naar het jaar
33 na Christus reist om er aan de voet van de Acropolis
in Griekenland plompverloren in de buurt van de
opgehangen Judas Iscariot te belanden. Judas had
een tas bij zich die een rover probeert te stelen.
Mortimer jaagt 'm weg en treft in de achtergelaten
tas een doornenkrans die aan Jezus toebehoorde toen
de Romeinen 'm aan het kruis spijkerden.
In de dialogen komen knipogen voor naar de zoektocht
naar nieuwe auteurs. Zo verstoort Blake Mortimers
diner door 'm te vertellen over een telefoontje
dat hij ontving van Philippe Osterman,
toenmalig uitgeefdirecteur van Dargaud. Blake vertrouwt
zijn vriend toe dat men zoekt naar een nieuwe tekenaar
om hun avonturen te tekenen en dat aan Yves Sente
werd gevraagd om een scène te schrijven met
wat actie in om de capaciteiten van potentiële
tekenaars te testen.
(Bron: Blake, Jacobs et Mortimer, http://blake-jacobs-et-mortimer.over-blog.com/categorie-10465293.html)
10/04
De Avonturen van Rikki en Pukki
door Wil(ly Vandersteen)
In 1996 publiceerde het toen gloednieuwe tijdschrift
De Tuftuf-Club een opmerkelijk document
die Willy Vandersteen-vorsers terugvonden
in een stoffige lade in de Kalmthoutse Studio
Vandersteen. Het betrof een coverontwerp
uit vermoedleijk 1944 van Willy Vandersteen die
de illustratie rechtsboven signeerde met "tekst
en teekeningen Wil." Over de titel was hij
er nog niet volledig uit. De Avonturen van Rikki
en Pukki: Rikki Speurder werkte hij typografisch
wel uit, maar linksboven noteerde hij een paar alternatieve
titels met andere namen die konden dienen voor zijn
personages: De Heldendaden van Koen en Wiske
of ook Koen en Smoutje. Het gaat hier uiteraard
over een voorloper van Rikki en Wiske waarvan Rikki
al na één avontuur werd vervangen
door Suske.
Maar ook het verhaal dat Vandersteen in gedachte
had, week nog af van het uiteindelijke allereerste
album van de langlopende serie. In het album Rikki
en Wiske in Chocowakije komen geen drakkars
voor, laat staan dat het verhaal zich afspeelde
aan een woeste kustlijn.
Het duurde nog tot 30 maart 1945 vooraleer het eerste
strookje van Rikki en Wiske in de krant
verscheen. In 2010 vieren we de 65ste verjaardag
van Suske en Wiske of eigenlijk Rikki
en Wiske die net zo goed Rikki en Pukki
of Koen en Wiske of Koen en Smoutje
konden heten.
(Bron: Peter Van Hooydonck
— De Tuftuf-Club 1, oktober 1996, 't Vlaams
Stripcentrum)
03/04
De klare lijn uitgeklaard
Elke
rechtgeaarde striplezer is vertrouwd met de term
"klare lijn" waarmee de uitgepuurde tekenstijl
van Hergé en zijn vele navolgers
wordt bedoeld. De term sloeg zodanig aan dat ook
het buitenland (waarmee dan vooral Frankrijk wordt
bedoeld) deze overnam en vertaalde naar ligne
claire. Maar waar komt de term precies vandaan?
Gemakshalve wordt de uitvinding van deze omschrijving
toebedeeld aan de Nederlandse illustrator Joost
Swarte. We gaan terug naar 1977.
Dat jaar, meerbepaald vanaf 5 februari, organiseerde
de Rotterdamse Kunststichting de
expo Kuifje in Rotterdam. Har Brok,
Ernst Pommerel en Joost
Swarte zetten toen een expo op over Hergé
met onder meer levensgroot nagebouwde scènes
uit de Kuifje-albums. Er was een stukje
woestijn te zien, een zicht op een Chinese straat,...
Op een wereldkaart gaven lichtjes aan waar de befaamde
reporter al was langsgeweest. Boven die wereldkaart
zweefde Kuifje in zijn ruimtepak om aan te tonen
dat zijn avonturen zich niet alleen op onze aardbol
afspeelden. Toch was de grootste trekker een op
video vastgelegd interview dat de drie curatoren
aflegden van Hergé en zijn naaste medewerker
Bob De Moor.
Bij de expo hoorde ook een verkoopsstand. Een reeks
van vier boekjes, "schriften" genoemd,
raakte in no time uitverkocht. Joos Swartes
achtergrond als illustrator, designer en lay-outman
maakten van deze uitgaven een mooi hebbeding met
veel respect voor de stripreeks Kuifje en de typografie die eigen is aan de covers en het binnenwerk van de albums.
Voor de gelegenheid signeerde Joost Swarte de opgeplakte
coverillustraties met Esjé
naar het voorbeeld van het pseudoniem Hergé
die de beginletters van Remi Georges
vormden. Georges is uiteraard Hergés voornaam.
Voor de cover van het eerste schrift tekende Swarte een actiescène met Allan Thompson, Abdoellah, Jansen en Jansens, Rastapopoulos, Bobbie en Kuifje en heeft de vrienden en vijanden van Kuifje als onderwerp. Voor het tweede schrift maakte hij een prent waarop twee soldaten iemand aan het afranselen zijn. Wie het lef had de opgeplakte prent eraf te halen ontdekte een tweede prent met hetzelfde tafereel, maar nu met een zwarte die de zweep hanteert, een toeziende nazi en een Jood als slachtoffer. Dit schrift boog zich over de veranderingen in de strips van Hergé en de verbanden met de realiteit. Kwik en Flupke, Jo, Suus en Jokko, Agent 15, Kuifje en Leo en Lea zijn verzameld in een kamer voor de cover van schrift 3 waarin de andere creaties van Hergé aan bod komen.
En dat leidt ons naar het vierde en het voor deze
onlinepagina interessantste schrift met een onderwijzende
Kuifje terwijl Bob De Moor, Jacques Martin,
Edgar-Pierre Jacobs, Joost Swarte,
Philip Fermin en Jacques
Laudy de les van professor Kuifje volgen.
Dit vierde schrift behandelt de invloeden op en
van Hergé. Het schrift draagt de titel De
Klare Lijn.
Joost Swarte, die als een van zijn laatste grote
wapenfeiten voor een groot deel de inrichting van
het Hergé-museum uitdokterde, stond effectief
aan de basis en is de bedenker van de nu gangbare
term klare lijn. Het werk van Har Brok en Ernst
Pommerel willen we bij deze eveneens in herinnering
brengen. Swarte bedacht later ook nog de term "atoomstijl"
waarmee meer het werk van Ever Meulen,
Yves Chaland, Serge Clerc,
Daniel Torres en consorten wordt
beschouwd. De stijl zorgde vooral in de jaren 1980
voor een revival van de klare lijn, gepresenteerd
in een retrosausje met een synthese van de tekenstijl
uit de jaren 1950 die tekenaars als Jijé,
Will, Maurice Tillieux
en André Franquin toen gebruikten.
(Bron: Hans van den
Boom — Stripschrift 99, 1977)
27/03
Het filmbeest in François Schuiten
Dat
François Schuiten van meerdere
markten thuis is, is genoegzaam gekend. Naast stripauteur,
illustrator, architect, decorontwerper en nog wat
creatieve functies meer verleent hij ook meermaals
zijn diensten aan de filmindustrie. Zijn medewerking
aan de tekenfilm Taxandria (1994) van Raoul
Servais is wellicht zijn bekendste wapenfeit.
Dat hij ook storyboards heeft getekend voor de film
Toto le Héros (1991) van de Belgische regisseur
Jaco Van Dormael is al wat minder
bekend. Ook voor Van Dormaels recentse film Mr.
Nobody (2009) werkte Schuiten actief mee aan het storyboard
en het ontwerp van de fururtistische decors. Hij
schreef samen met Benoît Peeters mee aan de televisiedocumentaires Le Dossier B. (1995) en
L'Affaire Desombres (2002) en kluste bij als production designer voor de computergeanimeerde
tv-reeks "Quarxs" (1993) waarvan hij de medebedenker was. Het was de allereerste 3D-serie in HD die in zo'n vijftien landen te zien was. Het won vele internationale prijzen, maar slechts twaalf van de honderd geplande afleveringen van telkens drie minuten werden gefabriceerd. En wist je
dat hij als conceptual artist in het departement
architectuur ook een handje hielp aan de Amerikaanse
film The Golden Compass (2007)? Momenteel heeft
hij wat in de pap te brokken bij de Canadese (meerbepaald uit Québec) futuristische film Mars
et Avril van Martin Villeneuve die in 2011 uit moet komen.
Al enkele jaren treedt hij met Benoît Sokal
aan zijn zijde op als coregisseur
voor de computergeanimeerde tekenfilm Aquarica. In deze
rubriek focussen we op nog een andere film: Gwendoline.
De Canadees John Alexander Scott Coutts,
zeg maar John Willie, was een op
leder, bondage, korte opwaaiende jurkjes, korsetten
en naaldhakken kickende tekenaar en fotograaf. Hij
richtte het blad Bizarre op om gelijkgestemde
zielen van zijn voorliefdes deelgenoot te maken.
Hij is ook de tekenaar van de strip Sweet Gwendoline
die weinig meer om het lijf had dan het personage
Gwendoline zo vaak mogelijk in geboeide, geknevelde
en vastgebonden situaties te brengen, allemaal waarheidsgetrouw
getekend naar foto's. Een zweepje op de blote billen
waren bijna het summum voor de erotische fantasieën
die de tekenaar zelf had. En daar bestond nog filminteresse
voor ook! Toch was Willie geen vulgaire tekenaar.
Te bloot werd het nooit. Erotische spanning bekwam
hij door middel van suggestie.
In 1980 slaagde de Franse uitgever van Gwendoline,
Jean Pierre Dionnet, er na veel
moeite in om de filmrechten te verkopen aan producer
Jean Claude Fleury. Na drie jaar
zonder dat er wat mee gebeurde, benaderde de Amerikanase
uitgever de wereldberoemde fotograaf Helmut
Newton die vaak voor Playboy fotografeerde.
Newton wilde wel, maar kon zich niet vrijmaken.
Niemand had 'm evenwel vastgekneveld, wees gerust.
Uiteindelijk kwam men bij de Franse regisseur Just
Jaeckin terecht die in 1974 al eens furore
maakte met de film Emmanuelle met de Nederlandse
actrice Sylvia Kristel in een glansrol.
Een jaar later deed hij het dunnetjes over met een
verfilming van het boek Histoire d'O dat
prompt in Groot-Brittanië in de ban werd geslagen.
Met Lady Chatterley's Lover stond hij er
opnieuw in 1981.
Jaeckin
hield niet van de strip Sweet Gwendoline.
Ook de bondagetoestanden spraken hem niet aan. Met
het personage daarentegen kon hij wel mee uit de
voeten. Met behulp van scenarist Jean Luc
Voulflow kneedde hij het verhaal om naar
een meer op fantasy gerichte film. Karren getroken
door Amazones, een verboden stad, een oosterse havenplaats,
mysterie, moderne helden en een antiek aandoend
decor moesten de klus klaren. Het zijn veel elementen
voor een verhaal dat eigenlijk ook maar een naïeve
Gwendoline presenteerde die met haar vriendin clandestien
inscheept op een boot naar de Oriënt om er
haar vader, een vlindervanger, terug te vinden.
Papa blijkt dood te zijn en met avonturier Willard,
aan wie ze haar diensten verkoopt, komen ze na een
lange tocht vol avontuur terecht in een verboden
stad waar krijgersvrouwen onder het bestuur van
een Amazonekoningin de plak zwaaien. In Willard
zien ze een leverancier van wat ze nodig hebben
om nieuwe krijgstertjes te maken.
Er werden opnames gemaakt in de Filippijnen en andere
exotische locaties waaronder dezelfde plaats waar
de James Bond-film Moonraker tevoren
voor een gedeelte werd opgenomen. Op de resterende
fundamenten bouwde men de verboden stad die in de
strip helemaal niet voorkwam. De film was daardoor
een zeer dure productie. En het waren de Belgische
striptekenaars Claude Renard en
François Schuiten die de
verboden stad ontwierpen. Maar ook de kostuums met
de helmen en sexy harnassen (zie ontwerpschets hiernaast)
en de karren van de Amazones. Voor
de film onderbraken ze even hun werk aan het gemeenschappelijke
album De Rail.
Gwendoline werd vertolkt door het voormalige fotomodel
Tawny Kitaen (zie foto hiernaast)
die we in dezelfde periode nog zagen opduiken in Bachelor
Party met Tom Hanks in de
hoofdrol en later als sexy vixen in videoclips van de heavy metalgroep Whitesnake. Ze was een drietal jaar getrouwd met de zanger vooraleer ze met enige regelmaat rollen speelde in verschillende tv-reeksen zoals Hercules. In 2006 werd ze opgepakt voor drugsbezit en heeft inmiddels een vast abonnement op de rehabkliniek. Fotomodel en acteur Brent Huff
nam de rol van Willard voor zijn rekening.
Het Franse fotomodel — het houdt niet op —
Zabou
Breitman speelde Beth.
Begin 1984 werd de film gereleased. In de Verenigde Staten gebeurde dat onder de wt kinderachtige naam
The Perils of Gwendoline in the Land of the Yik Yak. Het was Jaeckins
laatste film. In 2006 kwam de dvd-release uit, maar
niet in onze taalcontreien. Van wanneer de omschrijving
"Barbarella meets Indiana Jones"
dateert, weten we niet, maar het klopt grotendeels.
Hieronder vind je de trailer en een langer fragment. Let vooral op de kostumering en de decors met de verboden stad.
(Bron: Kees de Bree
— Stripschrift 176, 1983 / Wikipedia / IMDB / YouTube)
20/03
Marc Wasterlain had het niet makkelijk
Het was geen liefde op het eerste zicht toen we
Dokter Zwitser voor het eerst lazen in
het weekblad Robbedoes. Een vrolijke dokter
met een opvallende naaldneus en een grote rode mantel
waarmee hij kan vliegen... Wat was dat? Door het
realistische kortverhaal Verse Nootjes
in een dubbeldik vakantienummer uit 1977 veranderde
onze mening op slag. Op amper twaalf pagina's etaleerde
Marc Wasterlain een breed gamma
van emoties: van nostalgie over jaloezie tot een
hartverscheurend drama. Kort samengevat dist Dokter
Zwitser herinneringen op aan zijn jeugd waarin hij
samen met zijn zwarte adoptiefbroer opgroeit. Op
een dag komt er een Vietnamees meisje op school.
Ze wordt hun nieuwe klasgenote. Beide broers ontwikkelen
een boontje voor haar en dan duikt het groene beest
van de jaloezie op. De jonge Zwitser verlaagt zich
zelfs tot een enkele racistische uitlating. Net
wanneer de ruzie op zijn hoogtepunt is, kan de oorsprong
van hun twist het geruzie niet meer aan en vlucht
huilend weg. Daarbij wordt ze helaas geschept door
een wagen en overleeft het ongeluk niet. Zwitser
duikt daarna in de studieboeken, studeert af als
dokter en redt daardoor menig mensenleven... Eenzelfde
drama overkwam ook Wasterlain. Zijn eerstgeboren
zoon raakte verpletterd onder een vrachtwagen in
Duitsland.
Op eigen benen
na gebroken vingers
Over nog een ander triest feit willen we het verder
in deze bijdrage ook nog hebben. Na assistentie
te hebben verleend aan tekenaar Dino Attanasio
(Ton en Tineke, Johnny Goodbye, Spaghetti)
en een gewaardeerde job in de studio van Peyo,
waar hij meehielp aan De Smurfen, Steven Sterk,
Johan en Pirrewiet, Poesie en andere reeksen
van de meester, wilde hij op eigen benen staan net
zoals elke ambitieuze striptekenaar. Tussen die
eerste twee jobs lag een periode met allerlei tekenklusjes
en een kortstondige doortocht op de studio van Kornblum
en Rosy, de toenmalige auteurs
van Jaap. Met dat weinige geld leidde hij
het leven als van een bohemien. Hij trok een halfjaar
naar Amsterdam waar hij van zijn tekeningen wilde
leven. In de praktijk verkocht hij er voor een habbekrats
in vooral restaurants. Bij zijn terugkeer in België
kon hij een tijdje terecht bij kunstenaar Marcel
Broodthaers, die bekenheid genoot via zijn
ready mades die de kunstwereld op de korrel
namen. In Amsterdam kreeg hij een bericht van uitgever
Charles Dupuis die in naam van
Peyo een nieuwe assistent zocht omdat Gos
de studio ging verlaten. Op diezelfde studio kwam
André Franquin regelmatig
langs want hij en Peyo waren de beste vrienden.
Franquin was Wasterlains idool.
Met een eigen project, getiteld Bob Moon en
Titiana, trok Wasterlain naar het concurrerende
blad Kuifje. Geruggensteund door Yvan
Delporte (die net ontslagen was als hoofdredacteur
bij Robbedoes en voor andere bladen begon
te schrijven waaronder het Nederlandse Eppo)
geraakte hij binnen. Vier verhalen raakten gepubliceerd.
In 1974 echter was hij drie maanden uitgeschakeld
omdat zijn vingers gebroken waren na een ongeval.
Peyo had net een Nederlandse klant willen afschepen
die gags van De Smurfen verlangde. Omdat
hij er echt geen tijd en zin voor had, vroeg hij
drie keer meer dan gewoonlijk. Helaas voor hem accepteerde
de klant. Peyo rekende vervolgens vooral op Wasterlain
om de klus te klaren. Door het ongeluk was zijn
tekenstijl niet meer zo rond en gezellig zoals voorheen
en dus zoals de stijl van Peyo. En dàt kwam Wasterlain
dan weer goed uit. Ondertussen rukte de nieuwe Franse
strip op met vootrekkers als Marcel Gotlib,
Reiser en Mœbius.
Zelfs Franquin maakte dergelijke uitstapjes met
Zwartkijken. Wasterlain wilde daar deel
van uitmaken. Opnieuw voor Kuifje creëerde
hij Kereltje met een duidelijk ecologische
inslag. Na een aantal korte verhalen vloog hij als
een van de eersten uit het blad nadat uitgever Raymond
Leblanc zijn zoon Guy
in de directeursstoel plantte. Guy hield niet van
niet-commerciële, poëtische strips en
moeide zich meer en meer met de taak van hoofdredacteur
Greg die kort daarop uitgeverij
Lombard zou verlaten om bij Dargaud
emplooi te vinden als literair directeur.
Van een depressie
gered door Franquin
De stopzetting was een schok voor Wasterlain. Met
zijn hand kon hij nog steeds niet optimaal tekenen,
hij verloor zijn zoon en het ging 'm niet voor de
wind. Met de weinige losse stripverhaaltjes die
hij nog maakte en met studio Peyo op stand by
in afwachting van nieuwe verhalen kon hij naar eigen
zeggen nog wel eten en drinken kopen, maar de zwaarste
periode was de winter wanneer het appartement niet
verwarmd was. Een wanhopige Wasterlain nam een dosis
pillen. Hij moest naar het ziekenhuis. Op de avond wanneer hij naar zijn woonst terug mocht
keren, belde Franquin 'm op met een uitnodiging
om te gaan eten. In het restaurant opende Franquin
een grote map met knipsels. Het zijn allemaal tekeningen
van Wasterlain en het waren werkelijk alle gepubliceerde
tekeningen, tot de allerkleinste illustratie, die
in de map staken. Franquin verklaarde dat hij verzamelingen
aanlegde. Van auteurs wier werk hem interesseerde,
knipte hij alles uit en hield het bij. Vervolgens
vroeg hij aan een verbouwereerde Wasterlain geschikte
technieken om met een pen te tekenen.
Zo was Franquin. Hij kende het probleem van Wasterlain
want zelf doorliep hij ook vele depressieve buien,
van kindsaf al. Aan Yann vertrouwde
hij eens toe dat hij vaak aarzelde om zich van een
brug boven een spoorlijn te gooien. Maar voor Wasterlain
wilde hij een steun, een hulp zijn. Een redder dus
zelfs. Later liet Franquin het volgende over de
geplaagde tekenaar optekenen: "Wasterlain is
een van de grootste auteurs die ik ken. (...)
Als ik mocht kiezen dan zou ik willen tekenen zoals
Wasterlain!" Het was geen uitspraak waarmee
nota bene Wasterlain vrienden maakte bij jaloerse
collega's. Niettemin groeide hij uit tot een voorbeeld
voor anderen. Zijn stijl week af van die van andere
zonder in extremen te vervallen, de verhalen kenden
een unieke, geslaagde mix van poëzie, romantiek,
humor en avontuur. Het zijn elementen die een weeslag
vonden in het werk van André Geerts,
Benn, Bernard Hislaire,
Frank Pé, Bosse,
Christian Darasse, Alain
Maury, Frank Le Gall,...
Helaas heeft Wasterlains eigen werk vandaag aan
belang ingeboet. Op privégebied is het momenteel
weeral niet beter met 'm gesteld. Hij heeft een
zware echtscheiding en een verhuis achter de rug
waardoor er veel van zijn originele tekeningen (die
hij nooit echt goed heeft bijgehouden, enkele platen
gebruikte hij naar verluidt zelfs om een lekkend
dak te stoppen) zijn verloren. Tekenen blijft hij
echter nog steeds doen. Les Pixels is een
nieuwe serie, hij heeft zin en inspiratie om Dokter
Zwitser opnieuw op te pikken voor nieuwe avonturen,
er staan verschillende projecten op stapel en sinds
kort bestaat er zelfs een fanblad van 'm dat oude
verhalen in zwart-wit heruitgeeft, duikt in archieven voor onuitgegeven zaken en afwijkende versies om de verschillen aan te tonen tussen weekblad- en albumplaten.
Mocht je ooit het album Verse Nootjes of
het dubbelalbum Kattenplaneet en De
Reus die Vragen Stelde (Wasterlains eigen favoriete
verhaal) te pakken krijgen, aarzel dan niet. Je
vindt ze vast spotgoedkoop in winkels met een tweedehands
aanbod. Je zal ze na lezing koesteren als een grote
aanwinst.
(Bron: Didier Pasamonik
— Docteur Poche L'Intégrale 1, Dupuis,
2010)
13/03
De oorsprong van de ex-libris bij strips
Van
de oorspronkelijke betekenis van een ex-libris (meervoud
ex-librissen) blijft niet veel meer over. Eigenlijk
was een ex-libris een aan de binnenkant van een
boek opgekleefd vignet waarop de naam van de eigenaar
werd geschreven. Nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst
schreven de eerste 'bibliofielen' in Latijnse letters
"unus ex-libris ..." (= "dit boek
behoort toe aan ...") gevolgd door de naam
van de bezitter. Sta ons even toe om nog wat meer
historische feiten te geven, nu stripgerelateerd.
Al decennia lang moeten striphandelaars hun klanten
tevreden en trouw houden met kortingen, promoties,
signeeracties en diverse meer terwijl de concurrentie
om de hoek een ware prijzenoorlog voert. Een onhoudbare
situatie. Zeker in grote steden waar meer dan één
striphandelaar het stripaanbod bepaalt. In 1981
kwam de Brusselse stripzaak Schlirf Book
op het idee om een gratis extraatje weg te schenken
bij de aankoop van een bepaald album, specifiek
naar aanleiding van het verschijnen van Inspecteur
Canardo 1: Moord in de Berm. Op 150 exemplaren
verscheen een kleine ex-libris in zwart-wit, genummerd
en gesigneerd door de auteur (Benoît
Sokal dus), opgeplakt in de binnenkant
van het album.
Kort daarop — uiteraard kende deze marketingtruc
een gigantisch succes — volgden andere, zeg
maar àlle andere stripspeciaalzaken in Brussel
hetzelfde voorbeeld. Voor nieuwe titels werden ex-librissen
uitgegeven tussen de 50 en 400 exemplaren. In plaats
van de toen toegestane concurrentiekortingen van
20% te geven voor albums zonder ex-libris, betaalde
de klant de door de uitgever vastgelegde prijs voor
albums mét ex-libris. Het publiek vroeg meer
en ook de grote auteurs speelden het spel mee. Tegenwoordig
zijn ex-librissen in zeer sterke mate bepalend voor
de winst van veel Brusselse stripspeciaalzaken.
In Frankrijk kenden ze al vanaf 1981 de door de
wet Lang vastgelegde vaste boekenprijs
waardoor dergelijke uitgavezottigheden zoals in
België financieel niet rendabel leken. Het
was pas in 1994 dat twee Parijse stripspeciaalzaken
de handen in elkaar sloegen en gezamenlijk een ex-libris
uitgaven om ten eerste het hoofd te bieden aan de
supermarkten en grote ketens (same old story).
Mœbius (voor het album Stel)
en François Boucq (voor
Fré van der Mugge 3: De Tanden van de
Haai) genoten de eer de eerste Franse stripex-librissen
te mogen maken.
Meestal wordt een ex-libris gedrukt op kwaliteitsvoller
papier dan de albumuitgave. De tekening komt meestal
niet voor in het album en is dus specifiek gemaakt
voor het ex-libris.
In de loop der tijden evolueerde het ex-libris en
concurreerden de stripspeciaalzaken als vanouds
met zo origineel en creatief mogelijke uitgaves:
grote formaten, zeefdrukken, als puzzel, schetsboekjes,
losse bijgevoegde katernen, kalkvellen, T-shirtjes,
postzegelvellen, een doos met originele bedrukking
waarin het album past, metalen platen,... Van vastkleving
in het album is al lang geen sprake meer en soms
worden ex-librissen zonder bijhorend album verkocht
en kadert het in een spaaractie of is het bedoeld
voor een unieke gelegenheid.
Later kwamen daar de niet-genummerde en niet-gesigneerde
ex-librissen bij, meestal uitgegeven door de uitgever
en op een hogere oplage (van 1000 en meer exemplaren).
De collectie De Zwarte Loge kende een tijd
lang mee ingebonden ex-librissen, getekend door
een zogenaamde peter van het album. En van De
Wraak van Graaf Skarbek verscheen een tweede
editie mét setje van vier verschillende ex-librissen
bij aankoop van het eerste album.
Tevens is het ex-libris geëvolueerd van een
gratuit klantenlokkertje met een kleine meerwaarde
naar een gewild verzamelobject, tenminste in tijden
zonder gevolgen van een economische recessie.
08/03
Asterix en Guust Flater door Daan Jippes
Dat
Daan Jippes (Bernard Voorzichtig,
Havank) een supergetalenteerde tekenaar is,
staat buiten kijf. Doorheen zijn carrière
heeft hij zich steeds gretig laten beïnvloeden
door anderen. Of hij beheerste alleszins de tekenstijl
van meerdere sterren van de Negende Kunst. Voor
het Nederlandse stripweekblad Pep opereerde
hij van 1968 tot 1974 op de lay-outafdeling. Hij
tekende er covers, gags, illustraties en occasionele
kortverhaaltjes. Onder andere een resem Asterix-covers
voor het blad zijn van zijn hand om de voorpublicatie
van de reeks in het blad te promoten.
Een Pep-cover uit 1969 van de hand van Daan
Jippes.
Dit originele gouacheschilderij met de coverillustratie
voor een nummer van Pep uit 1968 is in het
bezit van Wilbert Plijnaar die het inscande.
Uitgeverij
Oberon kreeg omstreeks 1981 van
de merchandisingagent van Asterix het verzoek
een paar proefpagina's te laten maken voor een kortverhaal
van Asterix. De redactie vroeg
Lo Hartog van Banda om een scenario te
schrijven. Hij bedacht iets over een Romeinse kok
die wordt ontvoerd. Daan Jippes zou het uittekenen.
Maar wanneer Jippes en Lo Hartog van Banda te horen
kregen dat ze enkel als een soort ghostwriters zouden
fungeren zonder naamvermelding, zonder mogelijkheid
tot albumpublicatie en nog wat nadelen erbovenop,
kapte het gelegenheidsduo ermee. Het project strandde
na twee proefpagina's waarvan je ze hieronder allebei
ziet staan (klik erop voor een grotere afbeelding).
Volgens
een andere bron en een andere, meer kwaadsprekende
overlevering schrok Uderzo van de proefpagina's
omdat die er beter uitzagen dan het origineel en
hij dacht dat Jippes er populairder mee zou worden
dan Uderzo zelf. De mogelijkheid tot verdere uitwerking
en publicatie van het verhaal in Pep werd
daarom tegengewerkt, zelfs verboden door Uderzo.
Maar dit is dus een andere versie van de feiten.
Lo Hartog van Banda probeerde het dan maar stoutmoedig
met een andere creatie van René Goscinny.
Overlopend van zelfzekerheid en in een drang om
zichzelf te bewijzen, nam hij via een brief contact
op met Morris om kritiek te leveren
op diens verderzetting van Lucky Luke.
Op dat moment liep het verhaal De Eénarmige
Bandiet (1981) op scenario van Bob
de Groot. Morris was het gedeeltelijk eens
met de kritiek, maar hij daagde Lo Hartog van Banda
ook uit om dan maar wat beters te laten zien met
Lucky Luke. Tussen 1983 en 1992 schreef
hij vervolgens drie verhalen. Fingers was
het meest memorabele ervan.
Maar nu terug naar Jippes. We doen nog wat meer
aan namedropping. In onze Toppers-rubriek De
Wereld rond Franquin vertelde
Jippes over twee van de drie ontmoetingen die hij
had met André Franquin.
Over de eerste schreef hij: "Een keer, in 1983,
heb ik een Guust-klus die hij voor de Nederlandse
Postbank moest klaren, voor hem
afgemaakt en geïnkt: een Guust-boekje
van zo'n acht-negen plaatjes. Met 't afgemaakte
werk ben ik toen naar zijn huis nabij Brussel getogen.
Daarna, zoals kennelijk gebruikelijk, met zijn vrouw
naar hun favoriete Thaïse restaurant voor de
lunch."
Hieronder vind je een schets van Franquin voor deze
reclameopdracht waarvoor Franquin weinig tijd en
zin had met daaronder het geïnkte en ingekleurde
resultaat (klik erop voor grotere afbeeldingen).
Zo werd het begin jaren 1990 gepubliceerd in het
Nederlandse stripinfoblad Stripofiel.
Over
nog een ontmoeting met Franquin, vertelde Jippes
het volgende: "Een andere keer, in 1991, heb
ik hem, op zijn verzoek, in mijn hoedanigheid van
storyboarder bij Disney, daar in
Burbank op de werkvloer rondgeleid en hem 't voorbereidende
werk voor Aladdin laten zien. Hij was daar
toen, vergezeld van Jean-François
Moyersoen(de uitgever van Marsu
Productions die de rechten op de Marsupilami
bezit, red.) en zijn vrouw Liliane,
voor de contractuele bezegeling van Disneys komende
Marsupilami-project."
En al die tijd bleef Jippes voor verschillende publicaties
van Disney verhalen en illustraties van Mickey
Mouse, Donald Duck en andere figuren uit het
Disney-universum tekenen. Daarnaast werd hij ook
ingeschakeld op de animatieafdeling van het bedrijf.
Jippes verhuisde in 1981 voor een lange tijd naar
Amerika en werkte er onder andere als scenarist,
regisseur of character designer aan tekenfilms als
The Black Cauldron, The Rescuers Down
Under, The Prince and the Pauper,
Beauty and the Beast, Aladdin
en Mulan. Hij werkte er ook aan het storyboard
van onder andere The Lion King II, Pocahontas
II en Mickey's Once Upon a Christmas.
Hieronder zie je enkele voorbeelden met respectievelijk
Mickey Mouse door Jippes, een voorbereidende
illustratie voor zijn versie van The Beast uit Beauty
and the Beast voor de toenmalige regisseur
Richard Purdom en een storyboardtekening
voor Mulan.
And that's all, folks! Over Daan Jippes' versie
van Robbedoes op scenario van Yann
hebben we het later en elders nog...
27/02
De
geboorte van Largo Winch in drie etappes
Op
een novembernacht in 1973 was er voor het eerst
sprake van Largo Winch. Vandaag kennen we 'm voornamelijk
als strip- en filmheld en proberen we 'm te vergeten
als held in een weinig gesmaakte televisieserie.
Geïnteresseerden zullen ook wel weet hebben
van de romans die Jean Van Hamme over
de multimiljardair schreef. Nog daarvóór
was het de bedoeling dat hij de held zou worden
in een door een Amerikaanse artiest getekende stripreeks
voor de Amerikaanse én Europese markt...
Dit is het verhaal over de geboorte van Largo
Winch in drie etappes.
ETAPPE 1: Amerikaans-Europese stripheld
In de jaren 1970 hield Greg een
kantoor van Dargaud en Le
Lombard open in New York met de bedoeling
de Amerikaanse stripmarkt te veroveren met Europese
stripproducties. In november 1973 kwam het tot een
afspraak met Jean Van Hamme en twee Amerikaanse
striptekenaars aan wie Greg een nieuw concept wilde
uitleggen. De Amerikaanse markt werd gedomineerd
door superheldencomics en krantenstrips. Op welke
manier konden groteneuzenstrips en reeksen met een
frequentie van amper één album per
jaar hun plaats vinden in dit interessante afzetgebied?
Greg dacht dat door Amerikaanse tekenaars te overhalen
met Europese scenaristen samen te werken het resultaat
in zowel de Verenigde Staten als Europa kon worden
gepubliceerd.
Van Hamme zat erbij om Greg bij te staan. Op dat
moment was Van Hamme nog lang niet de gevierde stripscenarist
van nu met meer dan 35 miljoen verkochte strips
op zijn naam. Hij debuteerde met Epoxy (getekend
door Paul Cuvelier) in 1968. Dat
was een van de eerste erotische strips voor een
groter volwassen publiek. Tussendoor schreef hij
wat scenario's voor onder meer Domino en
Mr. Magellan en experimenteerde met tot
dan toe zelden gebruikte one-shotstructuren in Avontuur
zonder Helden (getekend door Dany),
maar dan zijn we al in 1976. Hier rijk van worden,
was uitgesloten. Dat hoefde ook niet want in het
bedrijfswezen was hij aan een snelle klim op de
corporateladder bezig. Dat hij
goed zijn Engels kon, kwam Greg goed uit.
Een
eerste onmoeting gebeurde met Stanley Drake
voor wie Greg Cannonball Carmody zou schrijven.
John Prentice, een veteraan die
sinds 1956 dagelijks de door Alex Raymond
gecreëerde detectivereeks Rip Kirby
tekende, zou met Jean Van Hamme moeten samenwerken.
Op die ontmoeting was het de bedoeling dat Van Hamme
zijn verhaalconcept uit zou leggen, maar dat had-ie
nog niet! Het was pas op de vooravond van de dag
waarop de ontmoeting plaatsvond dat hij op het idee
kwam van een avonturier die nu eens geen reporter,
detective, jachtpiloot, cowboy, ridder, zeevaarder
of wat voor stripheldcliché dan ook was.
Greg of Van Hamme zei in de loop van de nacht dat
geld niet gelukkig maakt waarop Van Hamme op de
juiste piste zat voor een reeks in de bedrijfswereld
met een steenrijke held die net door die rijkdom
ook heel wat problemen aantrekt. En "steenrijke
man" werd al gauw "een van de rijkste
mannen ter wereld". Bovendien was er geen beter
speelveld te bedenken dan de internationale zaken-
en financiële wereld dat meer dan ooit aan
een wereldwijde opmars bezig was. Van Hamme wist
door zijn eigen beroep goed genoeg hoe het eraan
toeging met valstrikken, geheime commissies, onderhandelingen
achter gesloten deuren, industriële spionage,
commerciële verraderspraktijken,... Tot dan
toe kwam het niet aan bod in een stripverhaal.
Omstreeks 6.00 uur in de ochtend stond het personage
van Largo en de grote lijnen van zijn eerste avonturen
op papier. Dat Van Hamme in zijn jeugd een Joegoslavische
vriend had, bood inspiratie om Largo's afkomst een
buitengewoon karakter te geven. Amper drie uur later
was de afspraak met tekenaar Prentice gepland. De
naam Largo Winch vond Van Hamme na verschillende
probeersels die hij op een vel papier noteerde om
de beste klanken te vinden.
John Prentice leefde in een klein huis in New Jersey.
Een mobilhome in de tuin deed dienst als atelier.
Zijn wereld kon niet verder liggen dan die van de
fictieve rijkaard Largo Winch. Bij de ontmoeting
was Van hamme niet echt onder de indruk van de oudere
Prentice. Toch stelde hij het verhaal aan hem voor.
En John Prentice hapte toe. Wellicht ook omdat de
betalingsvoorwaarden veel beter waren om te werken
voor de Europese markt dan voor de eigen markt waar
hij enkel een loonslaaf was zonder deelname in de
winsten afhankelijk van de verkoop van de strips
die hij tekende.
Bij zijn terugkeer in België toog Van Hamme
zich aan het werk. Dat duurde lang en het was complex
om zijn verhalen in zowel het Frans als het Engels
te moeten schrijven. Snel volgden de eerste platen.
Jean Van Hamme vond ze... "afschuwelijk".
Hij is de Franco-Belgische strip gewend waarbij
de auteurs ook veel tijd en aandacht schenken aan
details en uitgewerkte decors. Vooral omdat de decors
slechts rudimentair aanwezig waren in Prentice'
geleverde platen en omdat hij zich bediende van
uitgemolken trucen van de Amerikaanse foor bij artiesten
die elke dag hun stroken moesten inleveren en tegen
de klok moesten werken, gaven voor de scenarist
de doorslag dat dit niet ging werken. Dat Prentice
qua sfeerschepping ook nog de bal missloeg door
een New York te tonen dat hij zelf kent uit zijn
grauwe detectivestripreeks, nam hij er nog bij.
Daar waar het moest schitteren, tekende Prentice
het integendeel somber.
Jean Van Hamme stopte meteen met de transatlantische
samenwerking, zegde het contract met Le Lombard
op en kocht zelfs de tien originele platen van Prentice
af van de uitgeverij. Twee ervan staan hierboven
afgebeeld.
ETAPPE 2:
Romanfiguur
Drie jaar na het mislukte Amerikaverhaal was Van
Hamme opgeklommen tot directeur huishoudapparaten
bij Philips België. Op de
dertiende verdieping in een kantoorgebouw in Brussel
zetelde hij in een riant bureau. Al die tijd heeft
Largo Winch 'm niet losgelaten. Maar Van Hamme,
die de wereld rondreisde om contracten af te sluiten
en daarbij dikwijls exotische locaties aandeed,
verveelde zich enorm. Op zijn 35ste begon hij te
twijfelen aan zijn professionele keuzes in zijn
leven en het parcours dat hij normaal gezien nog
kon afleggen als algemeen directeur tot ceo. Hij
zou ongetwijfeld rijk worden, lid zijn van de Rotary
Club, golf spelen en alles wat rijkaards
doen. En hij zou zich nog meer vervelen. Het was
toen dat hij zich afvroeg of hij niet beter van
zijn hobby zijn beroep zou maken.
Op 1 april 1976 scheef hij zijn ontslagbrief. Daarna
schreef hij niet meteen nieuwe stripverhalen. Op
dat moment zag hij nog steeds geen dagelijks brood
als stripschrijver. Dat lukte misschien wel als
bestsellerauteur van romans. Met één
goed verkopende titel om de drie jaar zou hij kunnen
rondkomen en tussen twee titels door helemaal niets
uitvreten. Uit zijn lade haalde hij Largo Winch
in wie Van Hamme een ideale actieromanfiguur zag.
De volgende stap was het overtuigen van een uitgever.
En daar kwam zijn economische achtergrond weer van
pas.
Om te beginnen koos hij Franse uitgeverijen die
een garantie boden op een uitgebreide distributie.
Daarna zette hij een doordacht aanvalsplan op want
om te kunnen opvallen tussen de paar honderd manuscripten
die een uitgeverij maandelijks ontvangt, is strategisch
intellect nodig. Hij selecteerde zelf tien uitgevers
die voor hem geschikt leken. Hij achterhaalde de
naam van elke literaire directeur aan wie hij een
eerste brief schreef. Er volgde een tweede en een
derde brief, telkens een maand later. In elke brief
gaf hij een stand van zaken over de ontwikkeling
van en details over zijn eerste roman. Pas bij de
zesde brief stuurde hij het afgewerkte manuscript
mee. Deze direct mailing werkte wonderwel. Al snel
kwam een eerste positieve reactie van Mercure
de France waarna nog eens vijf andere uitgevers
iets zagen in Van Hammes roman. Drie andere uitgeverijen
rageerden negatief. Slechts één uitgeverij
reageerde niet. In november 1976, amper twee maanden
na het versturen van zijn manuscript, tekende hij
een contract bij Mercure de France.
Largo Winch et Groupe W was de eerste titel
van de romanreeks. Het verscheen in april 1977,
een jaar na zijn ontslag bij Philips. Hij schreef
er vier maanden aan. De frivole coverafbeelding
deed denken aan de succesvolle romanreeks SAS
van Gérard de Villiers waarop
telkens een halfnaakte babe met een geweer poseert.
Hoewel hij meesurfte op de tendenzen van die periode,
keek Van Hamme toch al vooruit. Hij voorzag dat
na de tijd van de hippies die van de yuppies zou
komen. De jaren 1980 stonden inderdaad in het teken
van het kapitaal, drugs, fraude en productie in
lageloonlanden. Van Hamme kon dus voluit putten
uit zijn eigen ervaring. Ook zijn Joegoslavische
jeugdvriend zat net zoals Largo in zijn eerste verhaal
enkele dagen in een gevangenis in Istanboel, maar
dan wel voor minder ernstige daden.
Met het boek introduceerde hij min of meer een nieuw
genre dat zijn uitgever omschreef als een "financiële
western". Helaas leverde het hem niet de verwachte
topinkomsten op. Van zijn eerste boek gingen weliswaar
meer dan elfduizend exemplaren over de toonbank,
maar dat is in de Franse taal geen bestseller. Nog
vijf andere boeken volgden. Tegelijk begon hij zijn
stripcarrière meer en meer uit de grond te
stampen. Thorgal groeide snel uit tot een
hit en medio jaren 1980 startte hij met XIII
dat na meerdere albums uitgroeide tot een nog groter
commercieel succes. Tussendoor richtte hij als uitgeefdirecteur
van Dupuis de auteurscollectie
Vrije Vlucht op waarin hij voor Vlaming
Griffo de trilogie SOS Geluk
schreef. Dat hij wist wat een goed one-shot of een
verhaal van beperkte albumomvang was, bewees hij
al eerder met De Chninkel. Tien jaar na
het eerste boek met Largo Winch was hij
een van de meest gelezen stripauteurs in Frankrijk
en België. Ondertussen was ook de wereld om
hem heen veranderd. De Berlijnse Muur viel, het
communisme liep op zijn laatste benen, expansie
was het toverwoord. Maar Van Hamme had door dat
mondialisering niet overal en steeds een heuglijk
iets was zoals veel analisten toen beweerden.
ETAPPE 3:
Stripfiguur
Op een ochtend in maart 1989 belde Philippe
Francq hem op. Hij was technisch werkloos
na de flops Vrouwen en Steden (op scenario
van Bob de Groot) en Léo
Tomasini (op scenario van Francis Delvaux).
Hij zocht een scenarist met wie hij een strip kon
maken. En waarom niet Jean Van Hamme, fluisterde
de vrouw van Francq in? Het kwam daags nadien tot
een afspraak en tot zijn grote verbazing kreeg Francq
van de scenarist het voorstel om een stripserie
te maken. Francq hoopte ten hoogste op het scenario
van een one-shot. Op deze eerste afspraak gaf Van
Hamme een exemplaar van Largo Winch et Groupe
W mee. Francq las het boek op één
dag uit en vond er alle elementen in voor een goeie
stripserie. Hij zag alleen het universum van Largo
Winch niet zitten met de wolkenkrabbers, immense
vergaderzalen en gedoe over beurskoersen. Het stond
allemaal ver van de tekenaar die nochtans enkele
jaren daarvóór op aanraden van Bob
de Groot een zelfgeschreven verhaal opstuurde naar
Dargaud over een miljardair wiens broer een financieel
imperium leidt. Francq wilde liever een avonturenverhaal
pur sang tekenen dat zich 't liefst in een natuurlijk
decor afspeelt zoals een woestijn, een woud, in
de bergen, enzovoort. Zijn motivatie om strips te
tekenen kwam door Hermann van wie
hij graag Jeremiah en Bernard Prince
(in het bijzonder Guerrilla voor een Spook
dat een eye opener was) las en die hij een viertal
keer ontmoette op zijn vijftiende. Hij leerde toen
meer van Hermann dan drie jaar Sint-Lucas waar hij
les kreeg van zijn stripdocenten Claude
Renard en François Schuiten.
Van Hamme stelde hem echter gerust. De stad is slechts
een vertrekpunt want Largo zou veel reizen. In elk
album zou hij andere landen aandoen. Franq was overtugd.
Aan de vormgeving van de nieuwe stripheld werd danig
gesleuteld. In zijn romans was Largo een kind van
zijn tijd: een beetje een hippie met lange haren.
Een decennium later waren er andere te volgen modes.
Francq behield enkel de kastanjebruine ogen. Van
Hamme vond dat het personage gerust een fragiele
kant mocht tonen en suggereerde een bril. Dit idee
werd snel afgevoerd zodat Largo zich meer op zijn
gemak zou voelen in actiesituaties. Het kapsel doorliep
alle stadia van kleuren en lengtes tot hoe we het
personage nu kennen. Aanvankelijk waren de haren
net lang genoeg zodat hij zich zou kunnen onderscheiden
in een vergaderzaal met de Big Board. Voor het gezicht
liet Francq zich vrijelijk inspireren op die van
bekende acteurs. Na vele faxen en brieven met Van
Hamme kwamen ze op een mix van Patrick Swayze
en Kurt Russell, meerbepaald uit
de film Tequila Sunrise.
Voor de nieuwe intrige van het eerste tweeluik herschreef
Van Hamme zijn eerste roman, maar veranderde er
toch heel wat aan om meer raakpunten met de vernieuwde
geopolitiek te beogen. Enkele nevenpersonages kregen
ook een nieuwe identiteit. Israëlier Simon
Ben Chaïm werd de Zwitser Simon Ovronnaz terwijl
de Zwitser Freddy Kaplan nu een Israëlier is.
De rode stift om te schrappen, paste Van Hamme toe
op de soms expliciete erotische scènes. Francq
vond dat een goed marcherende stripreeks het best
kon stellen zonder een held over wiens seksleven
de lezer alles weet. Dat zou nog veranderen in de
loop van de reeks waarin de auteurs zich meer en
meer konden permitteren, al werden er nooit echt
expliciete scènes getoond, toch niet met
Largo. In bepaalde voorpublicaties kwam het anders
wel eens tot censuur. In een lesbische scène
bijvoorbeeld werd de schaar gezet.
Nu goed, op 1 november 1990, exact zeventien jaar
na de creatie van Largo Winch in New York,
rolde het eerste stripverhaal van de drukpersen
bij Dupuis. Voor Philippe Francq betekende het zijn
grote doorbraak en lachte het leven hem ook financieel
veel meer toe. In die mate zelfs dat hij 25.000
euro over heeft voor de prestaties van zijn inkleurster
die hij sinds een paar albums geleden inruilde voor
Fred Besson, een vaste medewerker
van Crisse. We kunnen alleen maar
gissen hoeveel hij er zelf aan verdient.
(Bron: Rodolphe Lachat — 20 Ans Largo Winch:
L'Héritier / Le Groupe W, "Largo Winch,
Genèse d'une Saga Légendaire",
Dupuis)
13/02
TikTak-tekenen met Morris, Roba,
Franquin en Peyo
Morris,
Roba, Franquin
en Peyo. Een line-up waarbij een
notoir handtekeningenjager het zweet van in de klamme
handen zou krijgen. Dat alle vier heerschappen ondertussen
overleden zijn, moet 'm dan wel nog aan het verstand
gebracht worden. En dat de manier van handtekeningen
zetten met bijhorend tekeningetje te danken is aan
twee van die heren (met name Roba en Franquin) is
een ander verhaal...
Enfin, in de jaren 1980 vond een kiene tv-producer
het een goed idee om enkele striptekenaars uit te
nodigen in een tv-studio en hun te laten "TikTak-tekenen".
De volledige uitleg daarvan krijg je hieronder te
zien. Het voorbeeld in de onderstaande vier pagina's
toont zowel het destructieve karakter als het helende
temperament van de vier grootmeesters. Enerzijds
om elkaar de loef af te steken en de opvolger te
zien nagelbijten om een vervolg te improviseren
en anderzijds om elkaar weer op de goede weg te
helpen. Dat moet een memorabel moment geweest zijn
in de studio's. En wat zou er gebeurd zijn met de
originele tekeningen?
(Bron: Wordt Vervolgd Presenteert
— De Koning Boekproducties,
1985)
06/02
Werkloze Leo fantaseerde fauna en flora
Veel
tijd is er verstreken tussen de verschillende periodes
in het leven van Braziliaan Luiz Edouardo
de Oliveira waarvan de initialen diens
pseudoniem Leo vormen. Als militante,
revolutionaire marxist in Brazilië vanaf 1967
kon hij niettemin een carrière opbouwen als
technisch ingenieur (nochtans houdt hij vandaag
niet van het tekenen van voertuigen). Na een reeks
arrestaties van vrienden en kennissen werd het Leo
te heet onder de voeten. Hij verkocht alles en verhuisde
in 1971 naar het Chili onder Allende.
Een maand vóór de coup van Pinochet
in Santiago (1973) ging hij clandestien op de loop
naar Argentinië. Daar publiceerde hij het een
en ander om ten slotte definitief de grote stap
te zetten naar Frankrijk.
Lange,
lange periodes van werkloosheid volgden. Zijn tijd
vulde hij met boswandelingen en het creëren
van vreemde fauna en flora dat hij later als basis
gebruikte voor zijn sublieme dieren en planten in
zijn sf-reeksen.
Een oud Braziliaans stripproject hertekende hij
in Frankrijk volledig, maar daarmee ving hij bot
bij àlle uitgevers. Het was nochtans de voorloper
van Aldebaran. Via gepubliceerde kortverhalen
in L'Echo des Savannes, Pilote en Okapi
en volledig in de ban van zijn grote tekenvoorbeeld
Jean Giraud/Mœbius
startte hij in 1988 met Rodolphe
de Canadese mountiesreeks Trent. Spoedig
volgen Aldebaran en daarna Betelgeuze,
Kenya, Dexter London, Verre Werelden,
Antares,... Het succes van elk van deze reeksen
zorgde ervoor dat Leo er wijselijk voor koos om
in 1999 niet op Girauds vraag in te gaan om De
Wereld van Edena te tekenen...
Hiernaast zie je een pagina uit Aldebaran 1:
De Ramp met een voorbeeld van Leo's bestiarium.
Dargaud en ook Leo zouden graag
een soort encyclopedie uitbrengen van alle door
Leo gefantaseerde fauna en flora, maar tijdgebrek
gooit steevast roet in het eten.
30/01
Oranje Smurfen
Toen
we in 2008 het boude plan hadden opgevat om naar
aanleiding van 50 jaar De Smurfen hun (voor)geschiedenis
van naaldje tot draadje uit de doeken te doen, wisten
we nog niet dat die "doeken" een boek
had kunnen opleveren. Onze ambities strandden bij
een hoop vertalingen van Franse gegevens, opzoekingswerk
in talloze boeken, tijdschriften en websites en
navraag bij enkele personen. Dat de Smurfen voor
't eerst in het Johan en Pirrewiet-album
De Fluit met Zes Smurfen opdoken, is genoegzaam
bekend. Dat uit een kinderlijk taalspelletje tussen
Peyo en André Franquin
tijdens een verblijf aan de Vlaamse kust het woord
"schtroumpf" voortkwam, is ook
een van die legendarische anekdotes uit de roemruchte
geschiedenis van de Franco-Belgische strip. Maar
wie kwam op het luminiueuze idee om Les Schtroumpfs
(de oorspronkelijke Franse naam dus) te vertalen
als De Smurfen. Decennialang werd aangenomen
dat dit Karel Cavens was. Na een
reflectie bleek dat niet waar kon zijn. Het is dankzij
een Nederlander dat we "Smurfen" zeggen
tegen de blauwe wezentjes van Peyo.
We vroegen in 2009 aan oud-Robbedoes-redacteur,
vertaler en copywriter Erwin Cavens of
het klopte dat zijn vader Karel Cavens in 1958 aan
de basis stpnd van de vertaling. Voor de Engelse,
internationale naamgeving koos men namelijk voor
een aanpassing van de Nederlandse naam en da's toch
een mooi compliment voor een vertaler. Na een bevestiging
kregen we daags nadien een corrigerende mail warauit
we citeren: "Dat verhaal als zou mijn vader
de naam hebben bedacht, zit al m'n hele leven in
m'n hoofd, maar ik miste een paar elementen. In
een moment van helderheid — en in de wetenschap
dat je die dingen beter goed natrekt voor het helemaal
te laat is — belde ik gisteren mijn moeder.
Die alles bevestigde, maar er ook bij vertelde dat
mijn vader kort na zijn aanstelling als hoofdredacteur
van Robbedoes met de winnaars van een Spirou/Robbedoes
Apolloconcours naar de VS is getrokken om er de
eerste maanlanding mee te maken. Hij was namelijk
de enige die Engels sprak. Nu was die maanlanding
in 1968. Dat "kort na zijn aanstelling"
deed me dus even de wenkbrauwen fronsen. En toen
heb ik in een tweede helder moment (het kon niet
op, gisteren) mijn oom Peter Middeldorp
gemaild, van wie ik meteen een antwoord kreeg. Ik
neem aan dat zijn versie de juiste is..."
Nederlander Peter Middeldorp was tot 1965 hoofdredacteur
van Robbedoes. In dat jaar trok hij terug
naar Nederland met Erwin Cavens' tante, een zuster
van Karel en Johan Anthierens
(die Vader Abraham van het Smurfenlied
nog kwaad deed opstappen in een talkshow toen hij
navraag deed naar achtergebleven centen waar Peyo
recht op had). Erwins vader Karel trouwde met een
andere zuster van de Anthierens-clan.
Nu goed, Middeldorp werd een van de big shots
van het uitgeversconcern VNU en
werkte er als hoofdredacteur van de jeugdbladen
van de Geïllustreerde Pers
waaronder Donald Duck, Pep en De Flintstones.
Erwin is er pertinent zeker van dat Peter Middeldorp
tijdens zijn hoofdredacteurschap in 1958 de bedenker
is van de naam De Smurfen. Hij voegde eraan
toe dat het eventueel met hulp gebeurde van redacteur
Armand Van Raalte.
Het internationale succes van de Belgische creatie
De Smurfen (dezer dagen goed voor een miljoenenbusiness)
mag dus ook een beetje oranje gekleurd zijn. En
we hebben het dan nog niet over wat voornoemde Vader
Abraham betekende voor de stripreeks!
Bovenstaand artikel verscheen al eens op onze website,
maar we vonden het de moeite waard om het een permanente
plaats te geven in de rubriek Weetje v/d
Week.
23/01
Jorg de Vos en Yves Swolfs, de samenwerking die er had kunnen zijn
Nederlander
Jorg de Vos is vandaag overbekend
als inkleurder van de nieuwe Storm-verhalen
die hij met Romano Molenaar maakt.
Voor recentere verhalen laat hij zich zelfs gelden
als scenarist.
Martin Lodewijk is trouwens niet de eerste
topscenarist die zijn pad kruiste. In 1997 ontmoette
Jorg de Belgische auteur Yves Swolfs,
hier ook overbekend van Legende, De Prins van
de Nacht en Durango. Uit de ontmoeting
vloeide een proefplaat en vervolgens een scenario
waarvan Jorg drie platen tekende. Deze platen van
wat een middeleeuwse strip met magische elementen
had moeten worden, zie je hierboven. Klik erop voor
een grotere weergave per plaat.
Swolfs schreef een paar uitgeverijen aan om het
project voor te stellen. Helaas leidde dat niet
tot een contract. De uitgevers vonden dat de tijd
er niet voor was om nog meer fantasyverhalen in
hun fonds te stoppen. Het project werd afgeblazen
en iedereen toog zich weer aan zijn eigen drukke
bezigheden. Pas een paar jaar later begon de echte
fantasydoorbraak en kregen ook mindere goden hun
kans om aan de vraag naar meer fantasy te voldoen.
De reeks van Jorg de Vos en Yves Swolfs had vandaag misschien
een ware hit kunnen zijn ware het niet dat Swolfs er ondertussen zelf een groot succes van maakte. Het ging namelijk om een voorloper van... Legende.
(Bron: http://jorgdevos.blogspot.com/)
16/01
Jodocus uit Heinz betrokken bij bankoverval
Net zoals de katers Heinz en Frits uit de strookjesstrip
Heinz is Jodocus, d-e e-x-t-r-e-e-m t-r-a-a-g
s-p-r-e-k-e-n-d-e s-c-h-i-l-d-p-a-d, gebaseerd op
een echt huisdier van René Windig.
En dat beest heeft een bankoverval meegemaakt, ook
echt gebeurd.
In Het Parool van 24 december 1988 vertelt
Windig het hele verhaal: "Ik woonde toen nog
thuis. Op een zondagochtend gaat de telefoon. Mijn
vader neemt de telefoon op. Politiebureau Marnixtraat.
'Heeft u een Citroën met dat en dat kenteken?'
Ja, zegt mijn vader. 'Waar is die auto?' Die staat
voor de deur, zegt mijn vader. 'Weet u dat heel
zeker?' Bleek die auto gebruikt te zijn bij een
overval op een bankfiliaal. Die bankoverval mislukte
trouwens omdat toen de rovers vluchtten de auto
niet wilde starten. Die hebben zich toen schietend
uit de voeten gemaakt. Mijn moeder vroeg toen aan
mijn vader: 'Vraag of de schildpad er nog in zit'.
We zouden die morgen namelijk naar Calandsoog gaan
en alle spullen waren de avond daarvoor al in de
auto gepakt, ook de schildpad. Jodocus bleek nog
steeds op de achterbank te zitten. Hij is dus een
van de weinige schildpadden die een bankoverval
heeft meegemaakt. We hebben natuurlijk nog over
zijn rol in het geheel zitten fantaseren. Voor ons
is Jodocus onder het gaspedaal gaan zitten, waardoor
de boeven niet konden wegrijden. Een echte held."
(Bron: Heinz: Van H tot Z
1 — Oog & Blik | De Bezige Bij, 2009)