Dit is archiefpagina 1 van de rubriek Weetje v/d Week.

Klik verder naar alle eerdere updates, van Weetje 001 tot 025:
025 Merho doet de filmtest
024 De ware dood van Bob Dalton
023 Jojo in actie
022 Yoko Tsuno en de Vineanen
021 Frankrijk - Brazilië: 3 - 0
020 Martin Lodewijk en het gecensureerde stripje van André Franquin
019 Bernard Prince alias Rob Palland
018 Dreigende Dinges bedreigde Japanners
017 Durango-voorloper
016 Soda in andere handen
015 Filmfotoverzamelaar Jean Giraud
014 Flaterfoon op waar formaat
013 Geweigerde Blake en Mortimer-verhalen
012 De Avonturen van Rikki en Pukki door Wil(ly Vandersteen)
011 De klare lijn uitgeklaard
010 Het filmbeest in François Schuiten
009 Marc Wasterlain had het niet makkelijk
008 De oorsprong van de ex-libris bij strips
007 Asterix en Guust Flater door Daan Jippes
006 De geboorte van Largo Winch in drie etappes
005 TikTak-tekenen met Morris, Roba, Franquin en Peyo
004 Werkloze Leo fantaseerde fauna en flora
003 Oranje Smurfen
002 Jorg de Vos en Yves Swolfs, de samenwerking die er had kunnen zijn
001 Jodocus uit Heinz betrokken bij bankoverval

 
28/08
 
 
Merho doet de filmtest
Het ondertusen ter ziele gegane maandblad Teek! besteedde grotendeels aandacht aan films. In de beginjaren stak er ook een kleiner middenkatern in met recensies van films, maar ook van strips. De twee vaste stripjournalisten van het blad, Gert Meesters (nu werkzaam voor Focus Knack) en Michel Kempeneers (voorheen De Standaard), interviewden voor haast elk nummer een stripauteur.
In nummer 45 van februari 1997 combineerden ze films en strips door Merho fragmenten uit films voor te schotelen. Niet zomaar losse scènes, maar goed uitgekozen fragmenten die aan de serie Kiekeboe (nu De Kiekeboes) werden gelinkt zodat Merho daarover kon uitweiden. In februari verscheen namelijk ook nog de feestelijke uitgave KiekeboeK: In de Coulissen van een Strip, geschreven door Meesters en Ronald Grossey.
Speciaal voor het Teek!-nummer (met de liefde als thema) tekende Merho een exclusieve cover. Wie zijn filmklassiekers kent, herkent op de voorgond Clark Gable en Fanny als Vivien Leigh naar de iconografische filmaffiche van Gone With The Wind. De rest van de familie mag het Valentijnsthema verbeelden.

Klik op alle afbeeldingen voor een grotere weergave.



 
21/08
 
 
De ware dood van Bob Dalton
Herinner je je nog de dood van de Daltons (de echte Daltons) in Lucky Luke 6: Vogelvrij? Nadat in een shoot-out het afdak van een bank op Bob, Grat, Bill en Emmet valt, ontsnapt Bob Dalton alsnog. Hij springt op een paard, jumpt vervolgens over een ton, maar blijft met zijn halsdoek hangen aan een lamp. Hij knalt erop los tot Lucky Luke met een welgemikt schot Bobs halsdoek doorschiet waardoor de kleine gangster in de ton valt. Lucky hoeft er maar op te zitten om 'm onschadelijk te maken. In de laatste prent van het verhaal zien we het graf van de vier Daltons met het opschrift: "Hier liggen de gebroeders Dalton. Gestorven zonder hun laarzen uit te doen. 5 october 1892." Aan hun dood treft de rechtschapen cowboy geen schuld. Toch niet in de officiële albumversie van het verhaal.

Dat Morris achteraf spijt had van het verlies van de vier onfortuinlijke gangsters is eveneens algemeen geweten. Zijn latere scenarist René Goscinny had de gelukkige inval om met Joe, William, Jack en Averell vier neven van de Daltons in de reeks te schrijven vanaf deel 12, De Neven Dalton. Ze waren dommer (en hongeriger) dan tevoren. Populairder ook. Voortaan zouden ze minstens om het andere album de hoofdrol met Lucky Luke delen of die zelfs van hem wegkapen.

Maar nu terug naar de dood van de Daltons. Joe Dalton is in De Neven Dalton serieus gebeten op het nemen van wraak op "de schelm die hun ondergang heeft bewerkt". Hij ziet het als zijn plicht om zijn neven te wreken. De pertinente haat van Joe en de overige neven Daltons voor Lucky Luke zou veeleer kunnen liggen aan een alternatief, origineel einde van het verhaal Vogelvrij. Daarin was Lucky namelijk de rechtstreekse moordenaar van Bob Dalton.

Dupuis gaf in de jaren 1960 enkel in het Frans de collectie Gags de Poche uit. Albums van reguliere reeksen van bijvoorbeeld Guus Slim, Steven Sterk en Peanuts werden omgeturnd voor een uitgave in zwart-wit en op pocketformaat. Bekijk ze hier allemaal. Ook het Lucky Luke-album Vogelvrij (Hors-la-Loi in het Frans) kende zo'n editie als nummer 24 in de collectie. In deze uitgave komt een pagina voor die afwijkt van het originele verhaal. Daarop zien we dat Bob opnieuw vast komt te hangen aan de lamp. Hij wordt echter niet van de lamp geknald door zijn halsdoek te treffen, neen. De kogel van Lucky (wie anders) zien we door het hoofd van de kleinste Dalton vliegen. Het bloed druppelt uit zijn lijf, hij prevelt nog "Mama..." en laat zijn revolvers vallen in een plas bloed. Bekijk de gewraakte scène hieronder.
De haat van Joe Dalton moeten we dus in een ander licht zien.

Er hoort ook een uitleg bij van Morris in het stripinfotijdschrift Schtroumpf 43 dat een special is over de tekenaar: "Vóór de wet van 1949 heeft Lucky Luke enkele desperado's neergeschoten. Phil IJzerdraad is getroffen door de beroemde zevenklapper, Bob Dalton is frontaal in zicht getroffen door een kogel. Ze hebben me verplicht het einde te veranderen. Het was te bloederig."

Deze beslissing kwam er door de toen net opgerichte Franse censuurcommissie die elke strip voor de jeugd (en vooral die uit België) onder de loep nam om er alle sporen van geweld en seks uit te weren. Ook in het weekblad Robbedoes, dat eveneens onder controle stond, verscheen het gecensureerde einde. Voor Morris was het niet de laatste keer dat hij met de commissie te maken kreeg, maar daarover hebben we het later misschien nnog wel eens.

In de Duitstalige Lucky Luke-bundel Lucky Luke Gesamtausgabe 10: 1951 - 1954 staan beide eindes opgenomen, in kleur bovendien.


 
16/08
 
 
Jojo in actie
Op 27 juli 2010 verloor André Geerts de strijd tegen kanker. In het overschouwen van zijn carrière met een lange stilstand bij Jojo, zijn bekendste creatie, herinnerden we ons dat er heel wat gags en kortverhalen nooit in album zijn verschenen. Een paar ervan zijn zelfs niet vertaald. Klik op de afbeelding hiernaast om een 24 pagina's tellende pdf te downloaden die alle vertaalde, maar enkel in Robbedoes verschenen Jojo-strips bundelt.

In Robbedoes 2376 van 27 oktober 1983 verscheen de eerste gag van Jojo dat het nummer 2 droeg. De werkelijk allereerste gag verscheen pas enkele nummers later. In de jaren daarop publiceerde Robbedoes met een vrij onregelmatige frequentie gags en kortverhalen van Jojo. Ze werden daaropvolgend niet allemaal in album opgenomen hoewel er verschillende chronologisch gezien tussen de in album opgenomen verhalen verschenen.
In Spirou, de Waalse tegenhanger van
Robbedoes, zijn er nog meer gags gepubliceerd. In de jaren 1980 week Robbedoes namelijk een tijd lang af van Spirou door een grotere aanwezigheid van Vlaamse en Nederlandse auteurs en strips.

Verschillende van deze in de pdf opgenomen gags verschenen trouwens ook in Buddies. Buddies was een gratis maandblad voor jonge spaarders van Het Gemeentekrediet (nu Dexia) dat medio jaren 1980 werd verstuurd per post. Naast verschillende typische artikels voor jongeren verstrekte Dupuis heel wat gags en kortverhalen uit hun catalogus: Cédric, Lokje, Yoko Tsuno, De Smurfen, Sophie en onder andere ook twee niet in album uitgegeven kortverhaaltjes van Ragebol. Een periode lang was Al Séverin de huisillustrator. Buddies bleven jongere rekeninghouders ontvangen tot ze een brief kregen of ze niet geïnteresseerd waren in een betalend abonnement. Veel langer duurde deze marketinguitgave vervolgens niet meer. Buddies werd Axion, Het Gemeentekrediet werd Dexia en Jojo werd een favoriet bij stripliefhebbers.


In de pdf ontbreken trouwens coverillustraties en los redactioneel tekenwerk met Jojo dat André Geerts in de jaren 1980 voor het weekblad tekende. Maar zijn illustratiewerk beperkte hij niet alleen tot Robbedoes. Voor het Averbode-tijdschrift Zonnestraal, dat enkel via abonnement op school te verkrijgen is, illustreerde hij artikels en leesverhalen. De eerste (met cover) horen bij een kortverhaal waarvan we het begin — zonder illustratie — missen. De tweede cover met illustratie hoorden bij een artikel over dromen en ambities.  

Ook op animatiegebied liet Jojo zich gelden. In een coproductie van Dupuis Audiovisuel en TF1 maakten regisseurs Michel Gauthier en Guy Quelquejeu een animatiefim van 52 minuten. Het is een kerstverhaal met de titel Jojo - Le Mystère Violaine, gebaseerd op het album Het Geval Violeine uit 1991 met elementen uit andere verhalen. De tekenfilm diende slechts als voorstudie voor een heuse tekenfilmreeks van 52 keer 13 minuten dat sinds 2007 in voorbereiding is, maar waarover sindsdien niets meer is vernomen. Tekenaar André Geerts stak niet onder stoelen of banken dat de lange tekenfilm met een goedkoop budget was gemaakt, maar hij benadrukte dat deze handicap ervoor zorgde dat het scenario er nog rijker door werd.
Er bestaat geen dvd-versie van Le Mystère Violaine, wel een videoband, enkel in het Frans gedistribueerd door TF1, RTBF en TSR. In het filmpje hieronder, met een interview met Geerts erna, vind je een fragment.



Mamy Blues, het achttiende en laatste album van Jojo, verschijnt nog in 2010. Geerts kon het nog afmaken op de laatste twee pagina's na. Die werden getekend door Alain Mauricet en Renaud Collin. Het scenario is van Sergio Salma. In het verhaal lijdt Mamy aan een zware depressie wat Jojo en zijn vader ongerust maakt, maar een cruise brengt hopelijk soelaas. Salma schreef het twee jaar geleden, nog voor er kanker werd vastgesteld bij Geerts.
Momenteel zijn er discussies aan de gang met Dupuis voor een eventuele voortzetting van Jojo door Salma en waarschijnlijk tekenaar Mauricet.

We sluiten af met ons eerdere gepubliceerd in memoriam van André Geerts:
De Brusselaar werd geboren op 18 december 1955. In de humaniora raakte hij bevriend met Frank Pé en Bernard Hislaire, maar op zijn elfde al was het voor hem duidelijk dat hij striptekenaar zou worden. Na zijn eerste publicaties in Le Soir-Jeunesse in 1978 vond hij de weg naar Robbedoes waarvoor hij verschillende kortverhalen, cartoons en illustraties tekende. vzw Arcadia publiceerde met de altijd glunderende Commissaris Martens in 1998 een boekje dat zijn eerste reeksje met opeenvolgende kortverhalen bundelde. Mistroostiger ging het eraan toe in zijn reeks cartoons die in 1997 in de collectie Vrolijke Vlucht in twee delen gebundeld werden onder de noemer Ondankbare Wereld.
In 1983 volgden schuchter gags op een halve pagina en een hele pagina en wat later kortverhalen van Jojo, toen nog volledig in aquarel geschilderd. Jojo's eerste gag verscheen op een kwartpagina en moest een weggevallen advertentie vervangen. Geerts zei in Stripschrift 278 uit 1995 over het wereldje van Jojo: "Ook al ben ik francofoon en woon ik in Brussel, ik ervaar Jojo als een onvervalste Vlaamse strip. De landschappen, de sfeer, de grote pannenkoeken, de Leuvense stoof in de keuken van Mamy... dat alles heeft voor mij te maken met Vlaanderen. Bij het tekenen voel ik mij zelfs eerder Vlaming dan Waal. Daarom verwondert het mij ook dat ik zo weinig Nederlandstalige lezers heb."
Dat laatste is helaas blijven kloppen. Bij haast elk nieuw album was het een gevecht om een vertaling erdoor te krijgen en eens niet te kijken naar de verkoopcijfers van de vorige albums. Gelukkig zit er bij Dupuis iemand die zelf erg houdt van de schattige reeks Jojo.
Geerts loenste overigens verschrikkelijk. Net zoals Dik Lowietje, maar het bolle jongetje en beste vriendje van Jojo raakte er vanaf in het prachtig vertelde Operatie Dik Lowietje, deel 3 in de reeks.
In 1993 creëerde Geerts voor Casterman nog de al net zo komische reeks Mademoiselle Louise op scenario van Salma. De avonturen over het steenrijke meisje dat het zonder haar overleden mama en haar steeds drukke papa moet stellen (maar wel veel vriendschap krijgt van haar zwarte oppas en een arm jongetje) verschenen in twee albums vooraleer die opnieuw werden uitgegeven bij Dupuis in de kindercollectie Ukje, jammer genoeg niet in het Nederlands. Nog eens twee nieuwe albums verschenen in de afgelopen paar jaar.
Nostalgie, vriendschap, behaaglijkheid, veiligheid en nog heel wat warme gevoelens erbovenop typeren André Geerts' voornaamste strips. Wat zullen we dit missen.


 
07/08
 
 
Yoko Tsuno en de Vineanen
Bij Roger Leloup thuis hadden ze een kapsalon. Daar hing ook reclame voor crème van Nivea. Als kind verhaspelde hij het woord naar Vinea dat hij vele jaren later gebruikte voor het blauwe buitenaardse volk waar zijn mooie creatie Yoko Tsuno in haar eerste album mee te maken krijgt. Ook de blauwe huidskleur van de Vineanen was afgeleid van de affiche. In de loop van de jaren was de afbeelding van een vrouw die Nivea-crème gebruikt verkleurd waardoor ze een blauwige huid had. Leloup was ervan overtuigd dat je door die crème een blauwe huid kreeg.

De buurman van het Leloup-gezin vertelde in de zaak dat hij dringend op zoek was naar een inkleurder. De jonge Roger Leloup stelde zich voor en voor hij het wist zat hij gebogen over het Alex-album Het Vervloekte Eiland. Die buurman heette Jacques Martin. Zijn stripcarrière was gelanceerd.

Het talent van Roger Leloup sprong ook Hergé in het oog. Hij liet Leloup allerhande transportmiddelen tekenen tot in de kleinste technische details voor de rubriek Zien en Weten in het weekblad Kuifje. Hergé hoefde er enkel zijn Kuifje-personage in te tekenen als bestuurder. Ook voor de stripreeks Kuifje kwamen Leloups technologische vaardigheden van pas.

Na vijftien jaar hand- en spandiensten ging Roger Leloup voor Peyo werken. Enkele proeftekeningen met Smurfen maakten duidelijk dat zijn stijl meer in de realistische richting lag. Hij assisteerde daarom studiotekenaar Francis voor een epsiode van Jacky en Silvester die in Le Soir verscheen. Het verhaal van de volgende episode schreef hij zelf. Daarin introduceerde hij een Aziatisch meisje. Het project werd niet verder uitgewerkt voor de krant, maar ging wel een nieuw leven leiden als een verhaal voor de nieuwe reeks Yoko Tsuno.

Zo begon sinds 1970 een langlopende reeks waarin verhalen op aarde zich met ijzeren regelmaat afwisselden met verhalen buiten de aarde waarin Yoko's Vineaanse vrienden en plaatselijke vijanden meedoen. Pas bij album 6, De 3 Zonnen van Vinea, kwam Leloup op het idee om Yoko's portret in de titelhoofding op de cover van het album van een helm te voorzien. Vanaf dan tekende hij Yoko telkens met een helm elke keer het een Vinea-album betreft. Dat betekende ook dat de hoofdingen op herdrukken van vorige albums werden aangepast. Specifiek gebeurde dat bij deel 1, Trio in het Onbekende, en deel 3, Vulcanus' Smidse. Had uitgeverij Dupuis nu ook nog de eeuwigdurende fout met de naamverwisseling van Ben Beeld in Trio in het Onbekende aangepast, dan ware het helemaal logisch geweest. Op de eerste pagina’s heet saaie piet en regisseur Ben Beeld namelijk nog gewoon Ben. Op pagina 12 en na de eerste ontmoeting met de Vineanen heet Ben plots Max. Hoewel deze vertalingsblunder al zo oud is als de straat en al door vele lezers is opgemerkt, verwacht je toch dat het bij een latere herdruk wordt aangepast. Maar nee hoor, alle herdrukken sinds 1972 bevatten nog elke keer dezelfde fout.

Anyway
, met nog een opmerking sluiten we dit artikeltje af. In het nog te verschijnen 25ste album heeft Yoko opnieuw te maken met de Vineanen. Is het omdat het album zich hoogstwaarschijnlijk enkel op aarde afspeelt dat ze geen helm nodig heeft?


 
10/07
 
 
Frankrijk - Brazilië: 3 - 0
 
In Duitsland hebben ze een octopus die de winnaars in de Wereldbeker voetbal voorspelt, tot de ondergang van de Mannschaft op het recente treffen in Zuid-Afrika toe. In 1998 volstond scenarist Christophe Arleston om de finale in Frankrijk correct te voorspellen.
Om Leo Loden en Jules, "de officiële strip van het wereldkampioenschap voetbal", tijdig klaar te hebben voor het grote gebeuren, kon Arleston enkel gokken op wat de finale zou geven. In het album spelen Frankrijk en Brazilië de finale waarbij Frankrijk de wereldbeker wint met 2-0. Zinédine Zidane en Stéphane Guivarc'h scoren elk een goal. Het album werd gemaakt lang voor de werkelijke finale gespeeld door... Frankrijk en Brazilië. De VRT was op de hoogte en bracht Talent-uitgever Ronny Matton voor de camera die de gelukkige samenloop van omstandigheden afdeed als een idee waar hij precies mee de inspiratie voor leverde.
De werkelijke finale werd effectief gewonnen door Frankrijk met twee goals van Zidane en een derde van Emmanuel Petit die daarmee het duizendste doelpunt maakte in de geschiedenis van les Blues.
In het Nederlands verscheen het album als deel 5 in de reeks Leo Loden hoewel deel 4 niet bestond. Na een vertaling van de eerste drie delen en Leo Loden en Jules (de haan Jules was de mascotte van de Wereldbeker in 1998) hield de serie op in vertaling. In het Frans loopt de komische politiereeks gewoon verder met Serge Carrère als tekenaar en vanaf deel 16 Loïc Nicoloff als bedenker van de verhalen die het basiswerk uitschrijft en de final touch overlaat aan Arleston.
Oorspronkelijk stelden Arleston en Carrère in 1991 aan uitgever Mourad Boudjellal een middeleeuwse reeks voor in de trant van Johan en Pirrewiet gezien door de ogen van Monty Python. Het zou over een kleine jongeman gaan in het gezelschap van een aan de drank verslaafde grote beer. Maar de uitgever van Soleil stelde hen een polar voor, een humoristische politiereeks die zich afspeelt in de Franse havenstad Marseille. De kleine man werd Leo Loden en de dronken beer werd oom Loco, een Obelix-type anno nu.
Dat zowel Frankrijk (die het niet eens verdiende om in de Wereldbeker van 2010 mee te spelen na het handspel van Thierry Henry in de kwalificatiematch tegen Ierland) als Brazilië (die zich liet overklassen door de latere finalist Nederland) deze keer de finale niet haalden, zijn opmerkelijke constateringen. In 1998 stonden duidelijk sterkere teams op het veld met Rivaldo en Ronaldo Luis Nazário de Lima, kortweg Ronaldo, in het Braziliaanse kamp tegenover Zidane, Barthez, Henry en Trezeguet bij de blauwen.
Vier jaar later wonnen de Brazilianen alsnog de Wereldbeker. Ronaldo kondigde zijn pensioen aan voor 2011 wanneer zijn contract bij het Amerikaanse team de Corinthians stopt. Hij scharrelde wat rond met modellen, maar zijn avontuurtje met drie transseksuele prostituees in 2008 amuseerde veeleer de media. En Zidane? Die kopstoot in 2006 tegen Marco Materazzi in de WK-finale (alweer!) tegen Italië was gelijk zijn laatste actie op het veld. Een scenarist kan het zo gek niet bedenken.


 
03/07
 
 
Martin Lodewijk en het gecensureerde stripje van André Franquin
Bovenstaand stripje van Martin Lodewijk (klik erop voor een grotere versie) verscheen oorspronkelijk in het Frans in het maandblad (A Suivre) van Casterman. In vertaalde vorm stond het gepubliceerd in het speciale boek Wordt Vervolgd 'Presenteert' uit 1985.
Het verhaal was naar een idee van André Franquin en Yvan Delporte. Het stripje uit 1978 stond opgenomen in de speciale sectie Pendant Ce Temps à Landerneau in het maandblad dat een vervolg was van het legendarische Le Trombone Illustré, de "clandestiene bijlage" van het weekblad Spirou die het dertig nummers uitzong. Uitgeverij Dupuis wilde de bijlage niet langer ondersteunen en trok er de stekker uit. In de bijlage (waarin voor het eerst Zwartkijken verscheen) konden auteurs van divers pluimage hun ei kwijt in voor die tijd soms gewaagdere verhalen.
Maar ook na de stopzetting bij Dupuis en een verhuis naar de concurrentie (waarvoor de naam Le Trombone Illustré niet mocht worden gebruikt) dat speciek voor volwassenen een blad maakte, kon niet alles. Opnieuw hadden de auteurs te kampen met reacties van een onwillige redactie. Zo stuitte een twee pagina's tellend kortverhaal van Frédéric Jannin op tekst van Franquin en Delporte op het njet van de redactie. Het stripje werd niet gepubliceerd... toch niet onder die vorm en met tekeningen van Jannin. In zijn verhaal was een bar in de ruimte ook de plaats van actie. Een oudere man komt er binnen met een jonge vrouw. Ze nemen iets speciaals om te roken. Terwijl de man tijdens het roken zienderogen jonger wordt, gaat het omgekeerde op voor de vrouw. Ze belanden in bed waar de nu hoogbejaarde vrouw vervolgens alle levensenergie uit de man pijpt. De vrouw is opnieuw jong. Je vindt de originele platen van het gewraakte stripje hieronder. Klik erop voor een grotere versie.
Let op de patron van de zaak. Je herkent 'm ook enigszins in het verhaal van Martin Lodewijk want inderdaad, (A Suivre) kwam bij Lodewijk terecht voor een gloednieuwe versie van het verhaal. Enkel de ruimtebar werd behouden en er kwam nog een knipoog aan het einde waarbij katholieken niet lang hoeven na te denken over wie deze aliens voorstellen.
En dan zijn we er nog niet. Franquin en Delporte vonden de ruimteherberg blijkbaar een goeie vondst. Dat leiden we toch af uit het album Isabel 5: Een Rijk van Tien Morgen dat ze schreven voor Will. Het album verscheen in 1980. De voorpublicatie van dit verhaal liep in Robbedoes in 1978-1979, dezelfde periode als het bovenvermelde kortverhaal dus.
In dit verhaal reizen de mooie heks Calendula en oom Hermes door de ruimte en komen in het Hemels Trefpunt terecht, exact dezelfde ruimtebar die in de versie van Martin Lodewijk nog de Herberg van de Hemel wordt genoemd. Een illustratie van deze bar staat al in zijn volle glorie op de cover van het album. Op pagina 22 staat het nog grootser op papier. Het uitzicht ervan is gelijkaardig aan de versie van Lodewijk.
De verwijzingen of de knipogen houden niet op bij enkel de bar. Ook in dit verhaal is de man achter de toog (dan moet je even je ogen weghouden van de knappe dames die Will tekende) dezelfde als van Lodewijk en Jannin. Let bovendien op de Britse piloot met rosse snor aan de bar in zowel de versie van Lodewijk en die van Will.

(met dank aan Michiel Prior voor zijn opmerkingsgave)


 
26/06
 
 
Bernard Prince alias Rob Palland
1966 was het jaar waarin het weekblad Kuifje het eerste avontuur van Bernard Prince publiceerde. Toen was hij nog een agent van Interpol wier avonturen in kortverhalen werden verteld, te beginnen met Kaartjes met een Verrassing. Maar eigenlijk gaat de geschiedenis van Bernard Prince terug naar het jaar 1958.

Voor het ondertussen verdwenen maandblad IMA, l’Ami des Jeunes schreef Greg verhalen over een zekere Bob Francval, een inspecteur van Interpol... met steeds een jonge hindoe in de buurt die Djinn heette. Deze strips werden getekend door Louis Haché. Slechts twee verhalen duurde de samenwerking. In het dertig pagina's tellende Terreur sur le Pacifique komt het stripduo in aanvaring met gevaarlijke spionnen op eilanden in de Stille Oceaan. Het verhaal Opération Jeunes Mariés telde vier pagina's waarvan Greg het scenario later recycleerde voor het derde kortverhaal van Bernard Prince dat onder de titel Operatie Pas Getrouwd staat opgenomen in het album Gisteren en Vandaag. Van een derde verhaal, Danger à Vendre, verschenen acht pagina's, maar het eindigde voortijdig en bleef onafgewerkt omdat IMA, l’Ami des Jeunes ophield te bestaan.

Een eerste samenwerking tussen Greg en Hermann gebeurde al in de jaren 1960. Veelschrijver Greg mocht zich van 1965 tot 1974 hoofdredacteur van Kuifje noemen, een creatieve periode waarin alle taalversies van het weekblad samen goed waren voor een half miljoen lezers. De jonge Hermann viel hem op en hij nodigde hem uit om een halfjaar lang op proef te komen tekenen in zijn Studio Greg, een studio die een groot appartement besloeg met een fotokopieerapparaat op de gang en een lichtbak in de badkamer. Op de studio werken ook nog Dany, Dupa en Jean-Marie Brouyère. Hermann combineerde er het tekenen voor een architect met het tekenen van strips in de namiddag. Op de studio werkte hij aan hun eerste project, Valéry Valérian (zie afbeelding), waarvan hij twee pagina’s afwerkte. In het hoofdpersonage herkennen we al een voorloper van Bernard Prince. Het project werd geweigerd door René Goscinny, hoofdredacteur van Pilote. Hermann koesterde op dat moment heel wat antipathie voor de gevierde Asterix-scenarist, maar gaf later toe dat zijn stripkunsten nog lang niet op punt stonden.

Het eerste verhaal van Bernard Prince.

Hermann kon zich tegelijk wijden aan geschiedenisverhalen van Oom Wim voor Robbedoes. In 1966 begon vervolgens het grotere werk voor Kuifje met een reeks kortverhalen over een Franse inspecteur van Interpol, Bernard Prince. De reeks en zijn succes groeide. Al snel bereikte het de hoogste regionen in de populariteitsreferenda die het weekblad regelmatig organiseerde. Bernard erfde van een oom een boot, de Cormoran, en koos het ruime sop voor langere avonturen in vervolgverhalen. Het jongetje Djinn en Barney Jordan (eigenlijk een soort Kapitein Haddock naast de brave held) vervoegden de vaste cast.

Van een overleden oom erft Bernard Prince de Cormoran, een boot waarmee Bernard wil van gaan leven.

De reden dat Bernard Prince als reeks van aanpak veranderde en het personage ontslag deed nemen als inspecteur, is te zoeken bij Tibet. De tekenaar van speurder Rik Ringers duldde geen concurrentie in het genre en in hetzelfde blad. Na een klaagzang bij Greg en de uitgever, vond deze laatste dat het inderdaad niet opportuun was om twee politieseries tegelijk in het blad te publiceren.

Greg moest er iets anders op vinden en liet de serie in een ander register evolueren waarin meer exotiek paste. Hermann had op dat moment al een resem foto's genomen van een origineel schip dat in de haven van de Vlaamse kuststad Nieuwpoort aangemeerd lag. Omdat er een ervaren zeerot nodig was om de boot naar exotische wateren te varen, bedacht Greg het rosse personage Barney Jordan. En plots deed het trio denken aan een gelijkaardig drietal uit De Blauwe Sperwer van tekenaar Sirius dat in Robbedoes verscheen. Naar het Indische jongetje Sheba dat in De Blauwe Sperwer voorkwam knipoogde Greg al in een ander scenario dat niet van de grond kwam. In Bernard Prince recupereerde hij dat personage. Tussendoor illustreerde Hermann ook nog tekstverhalen van Bernard Prince die werden geschreven door Jacques Acar.

Bernard Prince en Djinn ontmoeten Barney Jordan die net tevoren uit een café werd gekegeld.

Greg kwam ook tegemoet aan de vraag van Hermann om locaties met veel natuurgeweld te gebruiken en andere natuurkrachten een belangrijk verhaalelement toe te kennen. Helaas kon het niet verhelen dat Hermann zich na verloop van tijd begon te vervelen. Bij het tekenen van een verhaal kende hij al lang het vervolg; Hij had zin om iets anders te doen. Comanche, dat hij ook nog tekende op scenario van Greg, wilde hij nog niet stopzetten, maar zelf ging hij al wel aan de slag als volwaardig auteur voor Jeremiah. Hermann liet Bernard Prince vallen om meer tijd te kunnen spenderen aan zijn andere reeksen. Achtereenvolgens Dany en Edouard Aidans namen de serie over, zonder het succes van weleer. Voor Aidans betekende Bernard Prince trouwens een vernieuwde kennismaking want indertijd weigerde hij scenario's van Greg voor zijn De Familie Kleester wegens niet goed genoeg. Net die verhalen herwerkte Greg naar scenario's voor de eerste van Bernard Prince.

Al vroeg, in 1966, verscheen Bernard Prince ook in het Nederlandse weekblad Pep dat wel meer series uit Kuifje, Robbedoes en Pilote overnam om aan de Nederlandse lezers aan te bieden. In nummer 22 van dat jaar verscheen het kortverhaal Routinezaak. Drie jaar later volgde een tweede verhaal, De Piraten van Lokanga (= Generaal Satan) waarin Prince zijn gabber Barney Jordan voor 't eerst ontmoette. Maar de reeksnaam was plots — zonder opgave van reden — veranderd in Rob Palland. Jarenlang werd aangenomen dat de naamsverandering er kwam om het personage niet te verwarren mert Prins Bernhard, wat ook klopt.

Het duurde tot 2004 vooraleer de volledige waarheid over de naamsverandering uit de doeken werd gedaan. Dat gebeurde in een lezersbrief in het Nederlandse stripinfoblad Stripschrift 364 van november 2004. Rob Aalpol is een voormalig redacteur van Pep en lichtte een en ander toe. Op vraag van hoofdredacteur Hetty Hagebeuk en op last van de voorzichtige uitgever De Geïllustreerde Pers diende een andere naam gevonden te worden voor Bernard Prince omdat die te veel leek op Prins Bernhard. Aan Aalpol om suggesties te leveren.
Het Nederlandse zangduo Niina en Frederik van Palland.
"Dus kwam ik met een lijstje met bijvoorbeeld Tim of Timmy Tanger, iets oriëntaals of mediterraans. Toegegeven, allemaal niet erg creatief, en zoals gebruikelijk vond Hetty het allemaal maar niets en wij moesten op zoek gaan naar wat beters. Dagelijkse hoogtepunten op de redactie waren altijd de bezoekjes van tekenaars en schrijvers: Carol Voges, Henk Albers, Hans G. Kresse, Dick Matena en Martin Lodewijk. De gezelligste was Willy Lohmann. Hij maakte onder andere Pep-spotters. Toen hij die dag binnenviel werd hem, ik meen door Jan van Gelderen (onze chefredacteur), gevraagd of hij niet een leuke naam wist voor een avontuurlijke held met een boot. In die tijd werden bij Pep de Vlaamse strips 'vertaald' in het Nederlands, wij zeggen soms bepaalde dingen nu eenmaal wat anders en bepaalde woorden zijn bij ons niet in zwang. Dus werden ongeveer alle ballonteksten herschreven en opnieuw gemonteerd. Ik moest als nieuwbakken redacteur Bernard Prince vertalen. Toen Willy informeerde wie verantwoordelijk was voor deze strip, was het antwoord: Rob Aalpol. Rob vond hij een keurige naam voor een held en daarmee was de helft van de vraag al beantwoord. Ik voelde me gevleid. Nu nog een echte Hollandse naam. Die jaren was er een zangduo: Nina en Frederik van Palland (zie afbeelding), hij was van oude maar Hollandse adel. En waarom niet? Dus werd het Rob Palland. Weinig stoer. Ik vond het niets, dan was het altijd nog Rob van Palland. Maar ja, eigen schuld, dikke bult, wie heet er dan ook Bernard Prince, dat klinkt toch ook niet? En hij was even kleurloos als Kuifje, zelfs zijn haar was wit en hij trok op met een figuur die ook verdacht veel leek op Haddock."

In het stripblad Wham! heette Bernard Prince dan weer Andy Morgan zoals hij in het Duits ook heet. Wham! is van oorsprong een blad dat uit Duitsland kwam overwaaien.


 
05/06
 
 
Dreigende Dinges bedreigde Japanners
In 1872 publiceerde de Engelse schrijfster Ouida (het pseudoniem van Marie Louise de la Ramée) de novelle A Dog of Flanders over het straatarme weesjongetje Nello uit Hoboken nabij Antwerpen en zijn hond Patrasche. Het boek vertelt het fictieve verhaal van de vijftienjarige arme Nello die de eindjes aan elkaar probeert te knopen door met een kar, getrokken door Patrasche, melk naar de stad te voeren. Het is zijn grote droom om kunstenaar te worden, maar de stedelingen erkennen zijn talent niet en uiteindelijk sterft hij van ontbering tijdens de kerstnacht, samen met zijn hond, in de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal van Antwerpen, voor het schilderij De Kruisafneming van Rubens dat Nello zo bewondert. Het boek groeide uit tot een klassieker in Groot-Brittanië en de Verenigde Staten waar het tussen 1914 en 1999 tot vijf keer toe werd verfilmd (steeds met een veranderd, happy end) door Hollywood. Er werden sinds 1872 meer dan honderd miljoen exemplaren gedrukt. In de VS circuleren ongeveer honderd verschillende edities.

Er kwam ook een Japanse vertaling onder de naam Furandâsu No Inu waarvan zo'n driehonderd verschillende edities beschikbaar zijn. 46 jaar lang publiceerde een Japans magazine het verhaal (dat niet meer dan 65 pagina's telt) opnieuw en opnieuw en opnieuw. In Japan wordt de novelle zo'n beetje als het beste boek aller tijden beschouwd. Die status verwierf het grotendeels door een tekenfilmserie uit 1975 die door zomaar eventjes 33 miljoen Japanners werd gevolgd. Nog steeds komen Japanse toeristen naar de Onze-Lieve-Vrouwe-kathedraal afgezakt om het schilderij De Kruisafneming te bewonderen. Mede door het tragische einde, die de Japanners als een eervolle dood aanzien, kent het verhaal er een blijvende populariteit.



In 1985 besloot de toeristische dienst van Antwerpen om inderhaast een standbeeldje van Nello en Patrasche te plaatsen in Hoboken. De Japanners bleven echter weg. "Zij stelden zich Nello voor als een blij kind met een grote hond en niet als een treurig jongetje met een zielig klein beestje", aldus Didier Volckaert, maker van de documentaire Patrasche, a Dog of Flanders - Made in Japan. Het beeldje moest tegelijk dienen om het verhaal bekender te maken bij Vlamingen, maar dat is nooit echt gelukt. Toch niet in de oorspronkelijke vorm.

Als strip doet het verhaal alsnog belletjes rinkelen. Ook nog in 1985 publiceerde Willy Vandersteen en zijn studiomedewerkers namelijk het Suske en Wiske-album Het Dreigende Dinges waarin het verhaal wordt herverteld met een andere intrige als hoofdverhaal. Het Japanse meisje Miako wil haar jongere zusje, dat aan een onbekende ziekte lijdt, helpen door het verhaal waar ze zo verknocht aan is beeld voor beeld te laten herbeleven zoals het vroeger echt gebeurd moet zijn. Door middel van een uitvinding van haar vader kan ze in haar opzet slagen. Die uitvinding heet K.C., kort voor Kruipende Camera, een op rupsbanden rijdende, gerobotiseerde camera met een eigen karaktertje dat botst met dat van Wiske. Uiteraard helpen Suske, Wiske en de anderen Miako.

Aan Willy Vandersteen hebben we trouwens ook de eerste Nederlandse vertaling van het boek te danken. Het werd uitgegeven door Standaard Uitgeverij en trok helaas op niet veel volgens Volckaert. Eind april 2010 verscheen bij Lannoo een gloednieuwe, tekstgetrouwe vertaling door Tom Naegels aangevuld met een grondige studie over het fenomeen en met aandacht voor de strip.

Van Het Dreigende Dinges op zijn beurt werd een Japanse vertaling gefabriceerd, maar dat was een fiasco. Clichés over Japanners getuigden van een grote onzorgvuldigheid. Didier Volckaert verklaart: "Het doelpubliek was kwaad, omdat de Japanners in dat album felgeel gekleurd zijn en allemaal voorovergebogen lopen. En op pagina één staat een Japans meisje in een kimono voor mannen, mét haar voeten open! Daar kunnen ze in Japan niet mee lachen, hoor."

Maar een mooie strip blijft het wel!


(Bron: Humo 3634, 27 april 2010)


 
29/05
 
 
Durango-voorloper
In 1979 waagde de pas afgestudeerde Yves Swolfs zich aan zijn eerste volwaardige album dat in 1981 verscheen. Durango 1: Sterven als een Hond in de Sneeuw sloeg in als een bom. Het album raakte in één week volledig uitverkocht. Omdat Swolfs niet de klassieke weg bewandelde door eerst te proefdraaien in weekbladen als Kuifje of Robbedoes en meteen een album publiceerde, zaaide hij met zijn album twijfel bij de vakpers. "Is Yves Swolfs geen pseudoniem van Jean Giraud, de meesterlijke tekenaar van Blueberry?", zo werd gedacht. Het is een misverstand én een compliment dat kon tellen.


Minder bekend is dat er in 1980, een jaar vóór het eerste album van Durango, een eerste versie verscheen in de Franse collectie Sexstar waarin geweld en een beetje bloot niet geschuwd werden. Dit eerste verhaal, een soort nulnummer, heette Viol à Grey Rock (Verkrachting in Grey Rock) en kende volgnummer 3 in de collectie. De uitgever was Archers, tevens de latere uitgever van Durango. De uitvoering was kleiner dan een standaardalbum, telde 96 pagina's in zwart-wit en in softcover. Het was pulp zoals er in die periode wel meer verscheen, dikwijls nog erotischer, zelfs pornografischer, van aard.

Voor het echte eerste album van Durango hertekende Swolfs de Sexstar-uitgave. Het scenario bleef nagenoeg ongewijzigd. De expliciete seksscènes werden uiteraard geschrapt. Zo was het meer geschikt voor een groter publiek.

Swolfs heeft het zelden tot nooit over deze jeugdzonde in interviews. Het grappige is dat het album ondertussen dermate zeldzaam is (als je er een vindt op veilingsites moet je er een paar honderd euro voor willen neertellen), dat zelfs Swolfs er geen exemplaar meer van heeft. Hieronder vind je een paar uittreksels.


(Bron: http://www.stripinfo.be/strip.php?strip=64323 // Dossier Swolfs — Les Dossiers de la Bande Dessinee, juni 2003)


 
22/05
 
 
Soda in andere handen
In 1987 verscheen het eerste album van Soda, toen nog zonder het logo van de collectie Spotlight die nog moest worden gecreëerd. Al op de eerste plaat is de actie verzekerd met een dolle achtervolging door een politiewagen en een lijkwagen in de straten van New York.Op plaat 3 komt David Solomon, kortweg Soda, een eerste keer in beeld. Hij is duidelijk een flik, een luitenant zelfs. Op plaat 11 vermomt hij zich in de lift van het flatgebouw waar hij en zijn moedertje Mary samenhokken. Hij verkleedt zich als een priester en meteen krijgt de serie een originele wending én een rode draad zoals Agent 327 aan praktisch elk begin van een album vermomd aanklopt bij de Nederlandse geheime dienst.
Alsof dat geheim dat hij voor zijn moeder in stand houdt nog niet genoeg is, heeft Soda aan zijn linkerhand twee ontbrekende vingers. Daarom draagt hij een handschoen. Een reden daarvoor wordt niet opgegeven. Het moet alleszins uit zijn periode in New York dateren. In deel 2, Brieven voor Satan, wordt teruggeblikt tot acht jaar geleden wanneer David naar New York verhuisde om er een baantje te vinden. Toen had hij nog al zijn vingers. Het mysterie over het ongeluk of wat dan ook de oorzaak is voor de ontbrekende vingers houdt nog steeds stand.
Soda bewees snel dat het een sterke serie is. Maar op het moment dat het succes nog moest pieken hield tekenaar Luc Warnant er van de ene dag op de andere mee op. Dat gebeurde na plaat 11 van het derde verhaal Gij Zult niet Schieten. Bruno Gazzotti nam het van Warnant over. De overgang mag als onberispelijk beschouwd worden, hoewel Gazzotti zijn nevenpersonages minder grotesk tekent. Warnant durfde zijn personages al eens beheppen met opzichtige tandenrijen, gigantische oren en andere karikaturale deformaties. Gazzotti tekent gladder en trok sinds zijn overname van de reeks meer en meer de semikarikaturale toer op. Maar waarom kapte Warnant er zo snel mee?

Plaat 11 uit Soda 3, Warnants laatste.
Plaat 12 uit Soda 3, Gazzotti's eerste.

Warnant hield het na een jaar Saint-Luc voor bekeken. Hij vond dat er te veel algemene vakken waren en dat er te weinig getekend werd. Hij koos voor de Academie van Schone Kunsten en zette er zijn opleiding verder. Nog tijdens zijn studies mocht hij werken op de studio van Edouard Aidans. Dat duurde zo'n twee jaar. Hij stond in voor een herneming van een serie voor kinderen. De tussenpersoon die Warnant bij Aidans introduceerde, heette André Beckers, een striptekenaar die her en der publiceerde, ook bij Robbedoes. Aan hem heeft Warnant zowat alles te danken, beweerde hij. Het leren tekenen, het verzorgen van contacten met uitgevers. Een toonbeeld van doorzettingsvermogen was-ie ook want eind jaren 1960 kreeg Beckers een ernstig auto-ongeluk die 'm een handicap aan zijn hand bezorgde (ligt hier een inspiratiebron voor Soda?) waardoor hij niet meer met een penseel kon werken. Hij moest zijn tekenstijl aanpassen.

In 1989 gaf Oranje het enige album van Timothey O. Wang uit.
Voor tekenaar Mittéï tekende hij in die periode ook nog een kortverhaal voor een paasnummer van Kuifje en werkte mee aan een verhaal van Tante Zenobie die Mittéï zelf als assistent voor Maurice Maréchal tekende. Dat kortverhaaltje tekende Warnant helemaal zelf op scenario van Mittéï die de platen ondertekende. Die platen moesten nog dienen om ze voor te leggen aan Warnants leraren, maar Mittéï had ze achter Warnants rug verkocht. Zijn handtekening heeft hij verborgen op een boomstam op de eerste plaat waar Mittéï ze nooit zou opmerken.
Na een eerste Vrij Vel voor een nummer van Robbedoes in 1974, kon Warnant dankzij tekenaar Gos snel aan de bak bij Dupuis. In de zomer volgend op zijn afstudering, ontmoette hij tijdens een vakantie in Frankrijk de tekenaar van De Katamarom die toen ook nog Guus Slim tekende op scenario van Maurice Tillieux, de oorspronkelijke auteur van de serie. Dat contact en de gesprekken met Gos vielen zodanig goed mee dat Gos aan Warnant voorstelde om Guus Slim over te nemen. Warnant tekende enkele proefplaten die werden voorgesteld aan uitgever Charles Dupuis en Robbedoes-hoofdredacteur Thierry Martens. Martens hield ervan en zag brood in een overname. Dupuis hield meer van de platen met een personage dat Warnant tevoren schiep: Timothey O. Wang. Warnant luisterde naar Dupuis en een eerste verhaal van twintig pagina's verscheen in 1981 in Robbedoes.

Omdat hij in eenzelfde nerveuze stijl als André Franquin werkte, viel het deze laatste ook op. Franquin belde Warnant op en stelde voor om voor hem te komen werken. Franquin was in die tijd artistiek directeur van het politieke blad Pour waarin hij onder meer Zwartkijken verscheen. Warnant was toen net bezig met een lang verhaal van 44 pagina's van Timothey O. Wang. Hij zou te weinig kunnen produceren voor Franquin en moest het voorstel derhalve afwijzen.
Na het eerste avontuur van Timothey O. Wang begon het voor Warnant te dagen dat hij met een scenarist in zee moest gaan. Hij tekende bovendien liever dan verhalen schrijven.
Yann
kwam op zijn pad en stelde een verthaal voor dat zich zou afspelen in Vietnam. Het enthousiasme was er, een afgewerkt scenario kwam er, hij toog zich aan het werk, hij tekende enkele platen en vele voorstudies, maar het was toch wat te volwassen van aard voor de tekenaar. Dupuis weigerde bovendien een publicatie ervan omdat het de humor van Yann als te hard ervaarde. Warnant haakte vervolgens af en het project ging een nieuw leven leiden als Pin-Up voor tekenaar Philippe Berthet.

Bij zijn zoektocht naar een andere scenarist kwam Warnant bij Tome terecht van wie hij de overname van Robbedoes en Kwabbernoot erg kon smaken. Het kwam goed uit dat Tome tevens van Warnants werk hield. Tome werkte al geruime tijd aan een nieuw project en vond in Warnant een geschikte tekenaar. Het duurde toch nog tot 1986 vooraleer de eerste platen getoond konden worden. En die bevielen Tome enorm. Het idee van de flik die zich als priester voordoet bij zijn moeder komt van Tome. De drie vingers zijn een idee van Warnant. Uiteindelijk was Soda gewelddadiger dan het project met Yann, maar de tekenaar vond het verhaal van Tome beter en hij wilde iets trashy doen. De ondertussen nieuwe hoofdredacteur Philippe Vandooren maande 'm wel aan tot meer kalmte in zijn tekeningen.


Na een eerste verhaal volgde een tweede en ook een derde. Het was er een te veel. Er begon iets te veranderen bij Warnant zelf. Na telkens twee potloodfases, een inktfase en te veel fases per plaat waarin hij het voornoemde helemaal opnieuw deed per plaat begon hij extreem veel tijd te verliezen. Bij het bekijken van de resultaten vond hij dat ze niet overeenkwamen met wat hij eigenlijk wilde vertellen. Dat begon zwaar door te wegen. Ook de eenzaamheid om opgesloten in een kamer en gebogen over een plaat te zitten, begon 'm ferm tegen te staan. Hij verloor de zin om te tekenen. Hij wilde met mensen om zich heen werken, anders dan op een tekenstudio waar het nog steeds een solitair karwei blijft.
De frustraties stapelden zich op, hij had het uiterste van zijn energie aangesproken, hij forceerde zich om er alles nog uit te persen maar bij plaat 11 van het derde verhaal zette hij een punt achter zijn carrière als striptekenaar net toen de serie heel goed begon te lopen.
Tome moest niet veer zoeken naar een nieuwe tekenaar. Bruno Gazzotti assisteerde Janry voor De Kleine Robbe en kon de taak aan. Warnant voelde zich nog steeds slecht bij zijn beslissing — want striptekenen was zijn leven — en betekende amper een hulp voor Gazzotti. Op een grote tekening met de juiste verhoudingen van Soda na als indicatie en twee of drie ontmoetingen, moest Gazzotti het alleen zien te klaren. Warnant verkocht al zijn rechten op de serie.

Gelukkig voor hem vond hij een andere interesse: de digitale tekening. Het stond in de jaren 1980 nog volledig in de kinderschoenen, maar Warnant zag meteen in dat dit het was voor hem. Het experimentele ervan vond hij een aantrekkelijk aspect en het had iets van sculpteren (een passie van 'm) op de computer. Met een partner, ook een stripliefhebber, gingen ze samen het avontuur aan om digitale personages te creëren die er beter moesten uitzien dan de creaties die toen gangbaar waren.
De twee vonden snel geld voor hun verdere onderzoeken bij een Waals industrieel en kregen er nog subsidies bovenop van het Waals gewest. Het bleek dat de industrieel het zelf zo had aangekaart dat het nieuwe bedrijfje van Warnant iets kon betekenen voor het Luikse bedrijf Trident Technologies dat later nog verwikkeld zou zijn in het fraudeschandaal rond de Agusta-helikopters. Voor het bedrijf ontwikkelde Warnant een systeem om organische materialen te digitaliseren voor gebruik in de filmwereld.
Door een externe consultant kon het duo weg bij Trident Technologies bij wie het budget snel opraakte. In het Luikse bedrijf Neurones vonden de twee een nieuwe werkgever. Het bedrijf was actief in de wereld van medische apparatuur en toonde veel interesse voor het werk van Warnant. Het was nochtans onder de vlag Neurones Cartoon dat er werd geïnvesteerd in het maken van 2D- en 3D-animatiefilms en verdere research. Warnant bekleede de functie van artistiek directeur en directeur 3D-modelleren, onder meer voor de Luxemburgse animatiefilm Tristan et Iseut (Tristan en Isolde) van regisseur Thierry Schiel uit 2002 die overigens zwaar flopte. Maar Warnant zat eindelijk tussen de mensen. Tristan en Isolde was de eerste Europese animatiefilm waarin de personages digitaal werden geanimeerd met een traditionele 2D-look. Animatiestudio Oniria Pictures produceerde tevoren Kirikou en de Heks.
Na vele jaren koos hij voor een nieuwe uitdaging in de hogeschool van Namen waar hij sindsdien 3D-modellering doceert.

In een bijlage bij het Franse nummer van Spirou 2560 stond bovenstaande gag van Guust Flater (zonder Guust weliswaar) door Luc Warnant.
Een strip tekenen wil hij nooit meer doen. Hij gelooft dat 3D de toekomst is van de strip. Sinds enkele jaren werkt hij wel — op zijn gemak — aan een strip in 3D die op een dag misschien zal gepubliceerd worden. Soda heeft hij nooit gelezen, zelfs niet de albums die hij zelf tekende. Elke keer hij iets van Soda ziet, voelt hij zich ondergedompeld in een bad vol tristesse. Treurnis omdat hij de serie heeft laten vallen.
Tussendoor vernam hij van Yann dat Franquin indertijd graag had gehad dat Warnant op een dag Guust Flater zou voortzetten. Een hommage aan Guust voor een speciaal nummer van Spirou zou Franquin ervan overtuigd hebben dat Warnant hier de geschikte man voor was.

En waarom Soda maar drie vingers heeft aan zijn linkerhand, weten we nog steeds niet. Momenteel heeft Gazzotti al zijn zinnen gezet op Alleen op scenario van Fabien Vehlmann die productiever voor de dag komt dan Tome. De scenarist zou regelmatig lijden aan een writer's block. Van een nieuw Soda-verhaal zit hij naar verluidt niet verder dan een dozijn pagina's.

(Bron: Stéphane L. — BrusselsBdTour, augustus 2007)


 
15/05
 
 
Filmfotoverzamelaar Jean Giraud
Welkom in ons — niet in het minst complete — overzichtje van de invloed die westernfilms hadden en hebben op het tekenwerk van Blueberry-tekenaar Jean Giraud. Alle foto's hebben we her en der bijeengescharreld uit publicaties, van websites en dergelijke meer. In het bijzonder vermelden we Stripjaarboek '89 en Leo Wildschut als bron. Speciale dank is er voor Rob Minnes voor de tientallen aanvullingen.

Beginnen we met een eerste foto uit de western Santa Fe Saddlemates uit 1945 met Linda Sterling en Sunset Carson. Vergelijk deze met de cover van Jim Cutlass: Mississippi River uit 1980.

Giraud wilde hetzelfde foefje misschien niet uithalen in Duitsland waar hij een andere cover tekende voor Jim Cutlass: Mississippi River. Hiervoor ging hij te rade bij Conquest of Cheyenne met Bill Elliot als Red Ryder en Peggy Stewart.

Op de foto van slechte kwaliteit moet je je best doen om John Wayne te herkennen in de film The Horse Soldiers uit 1959. Waar we minder moeite voor moeten doen, is om er de gelijkenissen uit te halen uit een prentje in de Blueberry-reeks. Let bijvoorbeeld op de witte zadelfles, het paard, de houding van de ruiter. Toeval?... Kom kom.

Klein maar fijn. Links is een foto uit de film Hondo and the Apaches (1967) met Ralph Taeger als Hondo. Zelfs het franje aan de linkermouw heeft Giraud trouw nagetekend.

Het verschil tussen deze twee afbeeldingen zit 'm in de lasso en de houding van de ruiter. In de foto uit de film South of Caliente (1951) met Roy Rogers gebruikt de cowboy 'm waarvoor hij dient. In het Blueberry-album Het Einde van de Lange Rit hangt deze netjes opgerold.

Links een portret van de acteurs Don Terry, Lon Chaney Jr. en Noah Beery Jr. uit de film Overland Mail uit 1942. Rechts een prent uit een portfolio met de heren Redneck, Blueberry en Mc Clure.

Opnieuw een filmscène, nu uit Vera Cruz (1954) met Burt Lancaster en Gary Cooper, die opduikt in Het Einde van de Lange Rit. Moeten we je echt wijzen op bijvoorbeeld de mouw, de lichte vorm van kikvorsperspectief, de manier waarop hij het geweer vasthoudt?

Afbeelding uit de westernklassieker The Wild Bunch (1969) van regisseur Sam Peckinpah. En Giraud maakte de tekening rechts, nogmaals naar het voorbeeld van een foto. Zijn creativiteit bestond er in om drie personen van de foto te herschikken of te spiegelen voor een 'eigen' compositie. Gehurkte baardmans met geweer, baardmans met hoed in hand en baardmans met hoed op hoofd en gekruiste armen zijn qua lichaamshouding rechtstreeks weggeplukt uit de foto.

Walter Brennan en Henry Fonda uit My Darling Clementine (1946) van regisseur John Ford werden ook vereeuwigd.

En hier zien we meteen op welk filmmagazine Giraud was geabonneerd. Het maandblad Star-Ciné Bravoure bracht een cover dat resulteerde in een stripcover van Blueberry: De Man met de Zilveren Ster uit 1973.

Niet alleen dankzij de film heeft Giraud een documentatiebibliotheek bijeenvergaard. Oude foto's uit die tijd worden naarstig gerecycleerd, zelfs in een dédicace voor een fan. Let niet alleen op het decor van de tekening, maar ook op de houding en de kledij van Blueberry. De man op de foto die als tweede van links "Cheese" moet zeggen naar de camera was Girauds voorbeeld.

Deze zwart-wittekening kent zijn voorbeeld in een zoveelste filmfoto. Hier van Charlton Heston uit de film Will Penny (1968).

Jean-Paul Belmondo was een eerste inspiratiebron voor de looks van Blueberry. Giraud benadrukte dat nog eens door een foto van de Franse acteur na te tekenen voor de achterkant van de albums.

Het moet wel gezegd dat Giraud zijn klassiekers kent. Hij tekende bijna een eregalerij bij elkaar met verwijzingen naar het neusje van de zalm op westerngebied. Bovenstaande foto met John Wayne en Jeffry Hunter uit The Searchers (1956) is min of meer te herkennen op de cover van Ballade voor een Doodskist.

Frederic Remington was een legandarisch schilder van westerntaferelen. Zijn werk herkennen we ook op de cover van De Jonge Jaren van Blueberry: Blauwjas.

Nagetekend schilderij van Remington voor een affiche.

Edmund O'Brien en William Holden uit The Wild Bunch voor een ex-libris uit 1999.

John Wayne uit Howard Hawks' Rio Bravo (1959) voor een poster van het maandblad Lucky Luke dat een tijdlang liep.

Natuurfoto's uit bijvoorbeeld het tijdschrift National Geographic zijn ook handig om te gebruiken. Spoor de vogel op in het album Gebroken Neus.

Natuurfoto's konden zelfs meermaals hun dienst bewijzen.

Een van de mooiste/beste stripcovers is beslist die van Chihuahua Pearl. Het idee voor de coverafbeelding vond Giraud bij ofwel een publicitaire foto van actrice Rita Scherrer uit de jaren 1970 ofwel bij een advertentie voor tandpasta uit dezelfde periode ofwel bij allebei. De gelijkenissen zijn alleszins frappant.

Andermans vakantiekiekjes kwamen ook van pas. De ruiter is niemand minder dan Jean-Claude Mézières (Ravian) die in getekende vorm de schutbladen van Franse hardcoveredities van Blueberry siert. De foto dateert van 1966.

Ook onder zijn alter ego Mœbius put Giraud niet alleen uit zijn eigen fantasie, maar net zo goed uit alles wat qua beeldmateriaal in zijn bereik komt. Voor een speciaal album over De Incal nam hij een foto van Enki Bilal als voorbeeld voor de coverillustratie. Bilal als John Difool!

Zonder woorden.

Muziek verzacht de zeden.

Met deze na-aperij liep Giraud tegen de lamp. In 1997 was het hek helemaal van de dam en werd hij officieel voor de rechter gesleept door Jean-Noël Coghe wegens plagiaat. In 1967 debuteerde Coghe als persfotograaf voor muziektijdschriften als Disco Revue en later Rock'n Folk. Hij ontmoette dat jaar de legendarische, maar toen nog onbekende gitaarspeler en zanger Jimi Hendrix op zijn eerste tournee. Hij nam onder meer bovenstaande foto van Hendrix die een maaltijd nuttigde in een Brusselse club. De foto raakte gepubliceerd in een boek, maar zonder vermelding van de fotograaf. In 1992 dook het opnieuw op in een expo over Hendrix. De foto met de titel Voodoo Soup hing er broederlijk naast een tekening van Mœbius. Deze klakkeloos nagetekende tekening werd halverwege de jaren 1970 gebruikt op de achterkant van de platenhoes Jimi Hendrix/1 Are You Experienced, Axis: Bold As Love waarvoor Mœbius de hoesillustraties verzorgde. Hij had er wel kleur aan gegeven en bijkomende experimentele elementen. Na een gesprek met een bevriende advocaat kloeg Coghe Mœbius aan en eiste een bedrag van omgerekend 262.500 euro voor het ongeoorloofd gebruik van auteursrechten. In eerste instantie won Mœbius onder het mom van parodie, wat legaal is. Er was namelijk een precedent van een foto van het agentschap AFP die Morris had nagetekend voor een Lucky Luke-album. Omdat het hier duidelijk om een tekening ging, konden er geen auteursrechten op de voorbeeldfoto gelden. Coghe tekende geen beroep aan. Scenarist en vriend Alejandro Jodorowsky stelde daarna voor dat het verder in der minne werd geregeld door het uitbrengen van een portfolio met andere foto's als basis voor een reeks zeefdrukken. De fotograaf hapte toe waarna het boek Émotions Électriques, een lofzang op Hendrix, het licht zag.

Bovenstaande foto is ondertussen een gekende foto van een naakte Madonna uit haar prille carrière. De fotograaf verpatste ze later aan Playboy, het blad waar behoorlijk wat tekenaars een abonnement op hadden voor het bestuderen van vrouwelijke anatomie. We zijn bloedserieus!

Advertenties kwamen net zo goed terecht in de documentatiemappen van GIraud.

National Geographic versus De Ogen van de Kat, een meesterwerk van Mœbius in sterk zwart-witpointillisme.

Had je haar herkend? Patti Smith als Jerry Cornelius in Majoor Fataal?

Moving on...

... and on.

In tijdschriften over fotografie vind je natuurlijk de beste beelden... of modellen. In dit geval voor het artbook Venise Celeste.

En hier dus opnieuw voor hetzelfde artbook.


 
08/05
 
 
Flaterfoon op waar formaat
In gag 448 van Guust uit 1967 maakt een ontstelde Kwabbernoot kennis met een gedrochtelijk muziekinstrument dat Guust Flater heeft uitgevonden. Hij maakte het hoogstwaarschijnlijk tijdens de werkuren. Zijn bedoeling was om de muziekwereld met een nieuw muziekinstrument en nieuwe klanken te verrijken. Het toen nog naamloze instrument, dat Kwabbernoot prompt Brontosaurofoon doopt, is volgens Flater "geïnspireerd op de Afrikaanse instrumenten, maar geperfectioneerd". Dat klopt ook want zijn tekenaar André Franquin was al met Afrikaanse instrumenten vertrouwd. Vergelijk de Flaterfoon maar eens met de instrumenten op onderstaande afbeelding uit het verhaal Robbedoes bij de Pygmeeën uit 1949-1950 (te lezen in het eerste album, 4 Avonturen van Robbedoes... en Kwabbernoot).



De eerste klanken die de Flaterfoon voortbrengt, doen Guusts broek zakken en het plafond van de vijfde verdieping net onder hen naar beneden vallen. In latere gags vallen verhuiswagens uiteen, bladert het behangpapier van de muren, vluchten mollen én koeien van weilanden, vernietigt de losgeknipte gekromde tak een peperduur 118-delig Meissenerservies van meneer Dupuis, komt het leger eraan te pas omdat het een wapen ziet in het instrument dat hun jachtvliegtuigen door elkaar doet trillen en vernielen Guust en zijn vrienden met gelijkaardige instrumenten zelfs het volledige gebouw waarin de kantoren van uitgeverij Dupuis zijn gehuisvest. Ook een miniatuurversie van de Flaterfoon, die Guust zogezegd van een lezer kreeg, maakt brokken. Een prestigieuze maquette met een vernieuwd kantoorgebouw van twintig verdiepingen tuimelt ineen. De Mesmaeker moet er van schaterlachen en zo zien we 'm toch niet vaak als Guust in de buurt is.

Het brengt ons gelijk bij de grote wedstrijd die het blad Robbedoes in 1968 organiseerde. De lezers werden opgeroepen om de Flaterfoon na te bouwen. De jury pikte er een winnaar uit die niets minder dan de wagen van Guust Flater won, een echt rijdende replica die werd gemaakt naar de tekeningen van Franquin. Het is eens wat anders dan een koe die lezers bij een andere wedstrijd konden winnen.

Tussen de inzendingen, die allen op een expo werden getoond, bevonden zich al net zo lelijke gedrochten als het origineel. Een Nederlander presteerde het om een 325 kilo wegend gevaarte met de post aan de redactie te bezorgen. Iemand anders had een volledig in metaal gefabriceerde versie gemaakt met pedalen waarop men kon spelen. Hoofdredacteur Yvan Delporte, die aan de basis van het gekke wedstrijdidee stond, bleef er met plezier Beethoven-melodieën op spelen hoewel het instrument geen enkele juiste noot kon aanslaan. Op YouTube vond een bezoeker van het Stripster-forum het volgende filmpje waarin een Franse deelnemer zijn creatie naar Parijs vervoerde. Zie 'm rijden in de straten van de Franse hoofdstad.



 
02/05
 
 
Geweigerde Blake en Mortimer-verhalen
 
Philippe Wurm + Jean Dufaux
Auteurs genoeg die de laatste jaren aan Blake en Mortimer werken. Ook auteurs genoeg die door de uitgeverij of betrokkenen werden gevraagd om proefplaten te maken. Dirk Stallaert werd op basis van Nino indertijd gepolst om Edgar-Pierre Jacobs' laatste verhaal te voltooien, maar dat zag de Vlaamse tekenaar niet zitten. En dan zijn er nog de auteurs die zichzelf kandidaat stelden. Het eerste wapenfeit in de stripcarrière van Jean-Claude Bartoll (scenarist van Insiders, Diamanten, MX-22,...) bijvoorbeeld was een scenario van Blake en Mortimer in de periode dat Yves Sente nog net niet was uitverkoren om met André Juillard een vast team te vormen.
Ook de Zwitserse tekenaar Philippe Wurm en de Belgische successcenarsit Jean Dufaux voelden zich geroepen om een album te maken. Dat gebeurde volgens inkleurder Benoît Bekaert (die de platen van gepaste kleurtjes voorzag) kort na het stopzetten van de serie De Rochesters in 2009 die in vertaling al werd stopgezet na deel 3. Op de enige twee bekende proefplaten van hun project (bekijk ze in het groot door te klikken op de afbeeldingen hierboven) valt af te leiden dat Dufaux zich wilde focussen op Olrik en een erfeniskwestie. Meer zelfs, Olriks zuster Lavinia en zijn nichtje Olivia speelt een rol. Aangekomen op het domein van de overleden Sir Darkfield voelt hij volgens de tekst van Dufaux geen greintje nostalgie. Hij moet er dus zijn opgegroeid. Tegelijk is kapitein Francis Blake geïnteresseerd in de afkomst van Olrik waarover niets is geweten door de Britse spionagedienst MI5. Ondertussen lijkt professor Mortimer verdwenen. Hij liet alleszins al een maand niets weten omtrent zijn whereabouts. Kolonel Cartwright laat aan Blake weten dat hij vindt dat Mortimer sinds de historie met het Gele Teken veranderd was.
Nu goed, er zal geen gevolg gegeven worden aan het opzet van Dufaux want de uitgeverij toonde geen verdere interesse.

 
Émile Bravo + Joann Sfar
In deze rubriek past ook de poging van Émile Bravo (de gevierde tauteur van het Robbedoes-verhaal Het Dagboek van een Fantast) en Joann Sfar die begin jaren 2000 serieus van plan waren om een eigen avontuur van Blake en Mortimer te maken. Sfar, een rabiate fan van Asterix en Corto Maltese, is dat veel minder voor de strikte Blake en Mortimer, waardoor hij hen altijd als vreemdelingen of bizarre volwassenen beschouwde. Net daarom wilde hij een verhaal over hen vertellen. De versie van Jacobs’ opvolgers spelen in op de nostalgie van de lezers. De versie van Sfar zou meer de kaart trekken van het thriller-, historische - en ja zelfs, horroraspect. Met aandacht voor het privéleven van het duo, want een wetenschapper en een militair die onder hetzelfde dak leven, daar moeten toch wel eens harde woorden vallen?
Bravo was al begonnen aan het uittekenen van een verhaal over Blake die kort na de Tweede Wereldoorlog moet samenwerken met een nazigeleerde. Sfar liet in een interview uitschijnen dat de verovering van de ruimte door de Amerikanen te danken is aan uitgeweken naziwetenschappers. Een ander potentieel verhaal ging over de oprichting van de staat Israël.
Eigenlijk was dit project bedoeld als bezigheid, als tussendoortje, als grap. Nochtans liet het duo de platen zien aan de uitgever... die Bravo contacteerde om 'm voor te stellen Ted Benoit, die er na zijn tweede album mee zou ophouden, als tekenaar op te volgen. Bravo weigerde: “Als ik een Blake en Mortimer maak, is het met Sfar of anders niet”.
De uitgeverij en ook de erfgenamen haakten af, mede door de gevoelige verhaalthema's. Het project strandde bij een ingekleurde plaat en eentje in zwart-wit. Je kan ze hieronder allebei aanklikken voor een grotere weergave.

 
Johan De Moor (links) en Jérôme Presti (rechts)
Op 7 februari 2010 dook op een veiling van het huis Kahn-Dumousset een testpagina in potlood op van tekenaar Johan De Moor voor een eventuele overname van de reeks. Tot zijn laatste verwezenlijkingen van Johans vader, Bob De Moor, hoorde het voltooien van het tweeluik De 3 Formules van Professor Sato. Maar de reeks bleef dus niet in de familie.
Rechts hierboven staat een proefpagina van een zekere Jérôme Presti die ook een tijdlang rondliep met een avontuur van Blake en Mortimer. vandaag werkt de illustrator/tekenaar mee aan albums van De Reizen van Loïs voor de studio van Jacques Martin, zie ook hieronder.

 
André Taymans + Yann / Alain De Kuyssche
Een verrassende combinatie had de samenwerking van André Taymans + Yann en Alain De Kuyssche kunnen opleveren. Taymans beheerst beslist de klare lijn die hij al toepaste in Caroline Baldwin. In de trilogie De Dochters van Afrodite, meerbepaald deel 1: Dood à la Carte (zie afbeelding hieronder), liet hij Blake en Mortimer zelfs in een cameo opdraven. Het verbond dateert van 2006 en kwam enkele maanden voor de dood van René Sterne opnieuw op tafel te liggen bij uitgeverij Dargaud. Deze weigerde het project omdat men vond dat twee teams wel volstonden. Het tweede team naast René Sterne en Jean Van Hamme was dan André Juillard en Yves Sente.
Het verhaal was opgezet als een rechtstreeks vervolg op Het Gele Teken met een in de riolen van Londen vluchtende Olrik als beginpunt. Ook zijn er al enkele elementen te herkennen die zouden leiden naar Het Raadsel van Atlantis, Edgar-Pierre Jacobs' volgende album na Het Gele Teken.
Oké, dat album kwam er dus niet, maar ondertussen kon Taymans wel zijn ei kwijt als nieuwe tekenaar van Lefranc. Voor het album Londen in Gevaar trad Alain De Kuyssche op als scenarist, zonder evenwel officieel in het album vernoemd te worden. De Kuyssche was lange tijd een naaste medewerker van Jacques Martin, schreef boeken over hem en schreef ook de befaamde Alex-romans (met illustraties van Jean-François Charles). Tegelijk houdt hij zich achter de schermen nog steeds bezig met de dagelijkse werking van de Jacques Martin-studio.
En nu wordt het interessant want in 2004 schreef De Kuyssche al een eerste verhaal over een jonge Lefranc (gesitueerd in de jaren 1950) voor tekenaar Bruno Marchand. Dat idee bleef behouden voor de albums die Taymans maakt naast de nieuwe verhalen die zich in het heden afspelen. Het verhaal leek inwisselbaar voor Blake en Mortimer want ook daarin lag de gekozen periode in het begin van de jaren 1950 met Londen als prooi van een dreiging, ondergrondse locaties (die trouwens vaak voorkomen in Blake en Mortimer), enzovoort. In 2008 werd het verhaal definitief een Lefranc-album, Londen in Gevaar.

 
René Sterne + Yves Sente (links) en Stanislas + Yves Sente (rechts)
Toen Yves Sente voor Jean Van Hamme een nieuwe tekenaar zocht om Ted Benoit te vervangen die er de brui aan gaf, werd René Sterne gekozen na het maken van een paar testpagina's op scenario van Sente. Meerdere tekenaars maakten eveneens testpagina's waarover zelden tot nooit wordt gecommuniceerd. Francis Vallès (De Meesters van de Gerst, Rani), Pascal Zanon (Harry Dickson) en Stanislas (zie de voorbeelden hierboven rechts, vergelijk ze met die van Sterne links) waren enkele van hen. De tekenstijl van Sterne was klassieker dan wat Stanislas ervan bakte. Stanislas maakte er te veel een eigen interpretatie van en die richting wilde Dargaud allerminst uitgaan. Stanislas, die Jacobs al eens portretteerde in zijn verstripte Hergé-biografie De Avonturen van Hergé, ving trouwens ook al bot als tekenaar voor een one-shot van Robbedoes en Kwabbernoot en een tweede keer op scenario van Lewis Trondheim.
De twee proefplaten gelden als een soort teaser voor het latere verhaal De Dertig Zilverlingen. Met de teaser werd niets meer gedaan voor het publiek. Enkel de tekenaar wist waar hij zich aan kon verwachten voor het tweeluik dat Van Hamme ging schrijven.
We herkennen professor Mortimer die met de tijdmachine van Miloch uit De Valstrik naar het jaar 33 na Christus reist om er aan de voet van de Acropolis in Griekenland plompverloren in de buurt van de opgehangen Judas Iscariot te belanden. Judas had een tas bij zich die een rover probeert te stelen. Mortimer jaagt 'm weg en treft in de achtergelaten tas een doornenkrans die aan Jezus toebehoorde toen de Romeinen 'm aan het kruis spijkerden.
In de dialogen komen knipogen voor naar de zoektocht naar nieuwe auteurs. Zo verstoort Blake Mortimers diner door 'm te vertellen over een telefoontje dat hij ontving van Philippe Osterman, toenmalig uitgeefdirecteur van Dargaud. Blake vertrouwt zijn vriend toe dat men zoekt naar een nieuwe tekenaar om hun avonturen te tekenen en dat aan Yves Sente werd gevraagd om een scène te schrijven met wat actie in om de capaciteiten van potentiële tekenaars te testen.

(Bron: Blake, Jacobs et Mortimer, http://blake-jacobs-et-mortimer.over-blog.com/categorie-10465293.html)


 
10/04
 
 
De Avonturen van Rikki en Pukki
door Wil(ly Vandersteen)
In 1996 publiceerde het toen gloednieuwe tijdschrift De Tuftuf-Club een opmerkelijk document die Willy Vandersteen-vorsers terugvonden in een stoffige lade in de Kalmthoutse Studio Vandersteen. Het betrof een coverontwerp uit vermoedleijk 1944 van Willy Vandersteen die de illustratie rechtsboven signeerde met "tekst en teekeningen Wil." Over de titel was hij er nog niet volledig uit. De Avonturen van Rikki en Pukki: Rikki Speurder werkte hij typografisch wel uit, maar linksboven noteerde hij een paar alternatieve titels met andere namen die konden dienen voor zijn personages: De Heldendaden van Koen en Wiske of ook Koen en Smoutje. Het gaat hier uiteraard over een voorloper van Rikki en Wiske waarvan Rikki al na één avontuur werd vervangen door Suske.
Maar ook het verhaal dat Vandersteen in gedachte had, week nog af van het uiteindelijke allereerste album van de langlopende serie. In het album Rikki en Wiske in Chocowakije komen geen drakkars voor, laat staan dat het verhaal zich afspeelde aan een woeste kustlijn.
Het duurde nog tot 30 maart 1945 vooraleer het eerste strookje van Rikki en Wiske in de krant verscheen. In 2010 vieren we de 65ste verjaardag van Suske en Wiske of eigenlijk Rikki en Wiske die net zo goed Rikki en Pukki of Koen en Wiske of Koen en Smoutje konden heten.

(Bron: Peter Van Hooydonck — De Tuftuf-Club 1, oktober 1996, 't Vlaams Stripcentrum)


 
03/04
 
 
De klare lijn uitgeklaard
Elke rechtgeaarde striplezer is vertrouwd met de term "klare lijn" waarmee de uitgepuurde tekenstijl van Hergé en zijn vele navolgers wordt bedoeld. De term sloeg zodanig aan dat ook het buitenland (waarmee dan vooral Frankrijk wordt bedoeld) deze overnam en vertaalde naar ligne claire. Maar waar komt de term precies vandaan? Gemakshalve wordt de uitvinding van deze omschrijving toebedeeld aan de Nederlandse illustrator Joost Swarte. We gaan terug naar 1977.

Dat jaar, meerbepaald vanaf 5 februari, organiseerde de Rotterdamse Kunststichting de expo Kuifje in Rotterdam. Har Brok, Ernst Pommerel en Joost Swarte zetten toen een expo op over Hergé met onder meer levensgroot nagebouwde scènes uit de Kuifje-albums. Er was een stukje woestijn te zien, een zicht op een Chinese straat,... Op een wereldkaart gaven lichtjes aan waar de befaamde reporter al was langsgeweest. Boven die wereldkaart zweefde Kuifje in zijn ruimtepak om aan te tonen dat zijn avonturen zich niet alleen op onze aardbol afspeelden. Toch was de grootste trekker een op video vastgelegd interview dat de drie curatoren aflegden van Hergé en zijn naaste medewerker Bob De Moor.

Bij de expo hoorde ook een verkoopsstand. Een reeks van vier boekjes, "schriften" genoemd, raakte in no time uitverkocht. Joos Swartes achtergrond als illustrator, designer en lay-outman maakten van deze uitgaven een mooi hebbeding met veel respect voor de stripreeks Kuifje en de typografie die eigen is aan de covers en het binnenwerk van de albums. Voor de gelegenheid signeerde Joost Swarte de opgeplakte coverillustraties met Esjé naar het voorbeeld van het pseudoniem Hergé die de beginletters van Remi Georges vormden. Georges is uiteraard Hergés voornaam.


Voor de cover van het eerste schrift tekende Swarte een actiescène met Allan Thompson, Abdoellah, Jansen en Jansens, Rastapopoulos, Bobbie en Kuifje en heeft de vrienden en vijanden van Kuifje als onderwerp. Voor het tweede schrift maakte hij een prent waarop twee soldaten iemand aan het afranselen zijn. Wie het lef had de opgeplakte prent eraf te halen ontdekte een tweede prent met hetzelfde tafereel, maar nu met een zwarte die de zweep hanteert, een toeziende nazi en een Jood als slachtoffer. Dit schrift boog zich over de veranderingen in de strips van Hergé en de verbanden met de realiteit. Kwik en Flupke, Jo, Suus en Jokko, Agent 15, Kuifje en Leo en Lea zijn verzameld in een kamer voor de cover van schrift 3 waarin de andere creaties van Hergé aan bod komen.

En dat leidt ons naar het vierde en het voor deze onlinepagina interessantste schrift met een onderwijzende Kuifje terwijl Bob De Moor, Jacques Martin, Edgar-Pierre Jacobs, Joost Swarte, Philip Fermin en Jacques Laudy de les van professor Kuifje volgen. Dit vierde schrift behandelt de invloeden op en van Hergé. Het schrift draagt de titel De Klare Lijn.

Joost Swarte, die als een van zijn laatste grote wapenfeiten voor een groot deel de inrichting van het Hergé-museum uitdokterde, stond effectief aan de basis en is de bedenker van de nu gangbare term klare lijn. Het werk van Har Brok en Ernst Pommerel willen we bij deze eveneens in herinnering brengen. Swarte bedacht later ook nog de term "atoomstijl" waarmee meer het werk van Ever Meulen, Yves Chaland, Serge Clerc, Daniel Torres en consorten wordt beschouwd. De stijl zorgde vooral in de jaren 1980 voor een revival van de klare lijn, gepresenteerd in een retrosausje met een synthese van de tekenstijl uit de jaren 1950 die tekenaars als Jijé, Will, Maurice Tillieux en André Franquin toen gebruikten.

(Bron: Hans van den Boom — Stripschrift 99, 1977)


 
27/03
 
 
Het filmbeest in François Schuiten
Dat François Schuiten van meerdere markten thuis is, is genoegzaam gekend. Naast stripauteur, illustrator, architect, decorontwerper en nog wat creatieve functies meer verleent hij ook meermaals zijn diensten aan de filmindustrie. Zijn medewerking aan de tekenfilm Taxandria (1994) van Raoul Servais is wellicht zijn bekendste wapenfeit. Dat hij ook storyboards heeft getekend voor de film Toto le Héros (1991) van de Belgische regisseur Jaco Van Dormael is al wat minder bekend. Ook voor Van Dormaels recentse film Mr. Nobody (2009) werkte Schuiten actief mee aan het storyboard en het ontwerp van de fururtistische decors. Hij schreef samen met Benoît Peeters mee aan de televisiedocumentaires Le Dossier B. (1995) en L'Affaire Desombres (2002) en kluste bij als production designer voor de computergeanimeerde tv-reeks "Quarxs" (1993) waarvan hij de medebedenker was. Het was de allereerste 3D-serie in HD die in zo'n vijftien landen te zien was. Het won vele internationale prijzen, maar slechts twaalf van de honderd geplande afleveringen van telkens drie minuten werden gefabriceerd. En wist je dat hij als conceptual artist in het departement architectuur ook een handje hielp aan de Amerikaanse film The Golden Compass (2007)? Momenteel heeft hij wat in de pap te brokken bij de Canadese (meerbepaald uit Québec) futuristische film Mars et Avril van Martin Villeneuve die in 2011 uit moet komen. Al enkele jaren treedt hij met Benoît Sokal aan zijn zijde op als coregisseur voor de computergeanimeerde tekenfilm Aquarica. In deze rubriek focussen we op nog een andere film: Gwendoline.


De Canadees John Alexander Scott Coutts, zeg maar John Willie, was een op leder, bondage, korte opwaaiende jurkjes, korsetten en naaldhakken kickende tekenaar en fotograaf. Hij richtte het blad Bizarre op om gelijkgestemde zielen van zijn voorliefdes deelgenoot te maken. Hij is ook de tekenaar van de strip Sweet Gwendoline die weinig meer om het lijf had dan het personage Gwendoline zo vaak mogelijk in geboeide, geknevelde en vastgebonden situaties te brengen, allemaal waarheidsgetrouw getekend naar foto's. Een zweepje op de blote billen waren bijna het summum voor de erotische fantasieën die de tekenaar zelf had. En daar bestond nog filminteresse voor ook! Toch was Willie geen vulgaire tekenaar. Te bloot werd het nooit. Erotische spanning bekwam hij door middel van suggestie.


In 1980 slaagde de Franse uitgever van Gwendoline, Jean Pierre Dionnet, er na veel moeite in om de filmrechten te verkopen aan producer Jean Claude Fleury. Na drie jaar zonder dat er wat mee gebeurde, benaderde de Amerikanase uitgever de wereldberoemde fotograaf Helmut Newton die vaak voor Playboy fotografeerde. Newton wilde wel, maar kon zich niet vrijmaken. Niemand had 'm evenwel vastgekneveld, wees gerust. Uiteindelijk kwam men bij de Franse regisseur Just Jaeckin terecht die in 1974 al eens furore maakte met de film Emmanuelle met de Nederlandse actrice Sylvia Kristel in een glansrol. Een jaar later deed hij het dunnetjes over met een verfilming van het boek Histoire d'O dat prompt in Groot-Brittanië in de ban werd geslagen. Met Lady Chatterley's Lover stond hij er opnieuw in 1981.


Jaeckin hield niet van de strip Sweet Gwendoline. Ook de bondagetoestanden spraken hem niet aan. Met het personage daarentegen kon hij wel mee uit de voeten. Met behulp van scenarist Jean Luc Voulflow kneedde hij het verhaal om naar een meer op fantasy gerichte film. Karren getroken door Amazones, een verboden stad, een oosterse havenplaats, mysterie, moderne helden en een antiek aandoend decor moesten de klus klaren. Het zijn veel elementen voor een verhaal dat eigenlijk ook maar een naïeve Gwendoline presenteerde die met haar vriendin clandestien inscheept op een boot naar de Oriënt om er haar vader, een vlindervanger, terug te vinden. Papa blijkt dood te zijn en met avonturier Willard, aan wie ze haar diensten verkoopt, komen ze na een lange tocht vol avontuur terecht in een verboden stad waar krijgersvrouwen onder het bestuur van een Amazonekoningin de plak zwaaien. In Willard zien ze een leverancier van wat ze nodig hebben om nieuwe krijgstertjes te maken.

Er werden opnames gemaakt in de Filippijnen en andere exotische locaties waaronder dezelfde plaats waar de James Bond-film Moonraker tevoren voor een gedeelte werd opgenomen. Op de resterende fundamenten bouwde men de verboden stad die in de strip helemaal niet voorkwam. De film was daardoor een zeer dure productie. En het waren de Belgische striptekenaars Claude Renard en François Schuiten die de verboden stad ontwierpen. Maar ook de kostuums met de helmen en sexy harnassen (zie ontwerpschets hiernaast) en de karren van de Amazones. Voor de film onderbraken ze even hun werk aan het gemeenschappelijke album De Rail.

Gwendoline werd vertolkt door het voormalige fotomodel Tawny Kitaen (zie foto hiernaast) die we in dezelfde periode nog zagen opduiken in Bachelor Party met Tom Hanks in de hoofdrol en later als sexy vixen in videoclips van de heavy metalgroep Whitesnake. Ze was een drietal jaar getrouwd met de zanger vooraleer ze met enige regelmaat rollen speelde in verschillende tv-reeksen zoals Hercules. In 2006 werd ze opgepakt voor drugsbezit en heeft inmiddels een vast abonnement op de rehabkliniek. Fotomodel en acteur Brent Huff nam de rol van Willard voor zijn rekening. Het Franse fotomodel — het houdt niet op — Zabou Breitman speelde Beth.

Begin 1984 werd de film gereleased. In de Verenigde Staten gebeurde dat onder de wt kinderachtige naam The Perils of Gwendoline in the Land of the Yik Yak. Het was Jaeckins laatste film. In 2006 kwam de dvd-release uit, maar niet in onze taalcontreien. Van wanneer de omschrijving "Barbarella meets Indiana Jones" dateert, weten we niet, maar het klopt grotendeels.

Hieronder vind je de trailer en een langer fragment. Let vooral op de kostumering en de decors met de verboden stad.




(Bron: Kees de Bree — Stripschrift 176, 1983 / Wikipedia / IMDB / YouTube)


 
20/03
 
 
Marc Wasterlain had het niet makkelijk

Het was geen liefde op het eerste zicht toen we Dokter Zwitser voor het eerst lazen in het weekblad Robbedoes. Een vrolijke dokter met een opvallende naaldneus en een grote rode mantel waarmee hij kan vliegen... Wat was dat? Door het realistische kortverhaal Verse Nootjes in een dubbeldik vakantienummer uit 1977 veranderde onze mening op slag. Op amper twaalf pagina's etaleerde Marc Wasterlain een breed gamma van emoties: van nostalgie over jaloezie tot een hartverscheurend drama. Kort samengevat dist Dokter Zwitser herinneringen op aan zijn jeugd waarin hij samen met zijn zwarte adoptiefbroer opgroeit. Op een dag komt er een Vietnamees meisje op school. Ze wordt hun nieuwe klasgenote. Beide broers ontwikkelen een boontje voor haar en dan duikt het groene beest van de jaloezie op. De jonge Zwitser verlaagt zich zelfs tot een enkele racistische uitlating. Net wanneer de ruzie op zijn hoogtepunt is, kan de oorsprong van hun twist het geruzie niet meer aan en vlucht huilend weg. Daarbij wordt ze helaas geschept door een wagen en overleeft het ongeluk niet. Zwitser duikt daarna in de studieboeken, studeert af als dokter en redt daardoor menig mensenleven... Eenzelfde drama overkwam ook Wasterlain. Zijn eerstgeboren zoon raakte verpletterd onder een vrachtwagen in Duitsland.

Op eigen benen na gebroken vingers
Over nog een ander triest feit willen we het verder in deze bijdrage ook nog hebben. Na assistentie te hebben verleend aan tekenaar Dino Attanasio (Ton en Tineke, Johnny Goodbye, Spaghetti) en een gewaardeerde job in de studio van Peyo, waar hij meehielp aan De Smurfen, Steven Sterk, Johan en Pirrewiet, Poesie en andere reeksen van de meester, wilde hij op eigen benen staan net zoals elke ambitieuze striptekenaar. Tussen die eerste twee jobs lag een periode met allerlei tekenklusjes en een kortstondige doortocht op de studio van Kornblum en Rosy, de toenmalige auteurs van Jaap. Met dat weinige geld leidde hij het leven als van een bohemien. Hij trok een halfjaar naar Amsterdam waar hij van zijn tekeningen wilde leven. In de praktijk verkocht hij er voor een habbekrats in vooral restaurants. Bij zijn terugkeer in België kon hij een tijdje terecht bij kunstenaar Marcel Broodthaers, die bekenheid genoot via zijn ready mades die de kunstwereld op de korrel namen. In Amsterdam kreeg hij een bericht van uitgever Charles Dupuis die in naam van Peyo een nieuwe assistent zocht omdat Gos de studio ging verlaten. Op diezelfde studio kwam André Franquin regelmatig langs want hij en Peyo waren de beste vrienden. Franquin was Wasterlains idool.



Met een eigen project, getiteld Bob Moon en Titiana, trok Wasterlain naar het concurrerende blad Kuifje. Geruggensteund door Yvan Delporte (die net ontslagen was als hoofdredacteur bij Robbedoes en voor andere bladen begon te schrijven waaronder het Nederlandse Eppo) geraakte hij binnen. Vier verhalen raakten gepubliceerd. In 1974 echter was hij drie maanden uitgeschakeld omdat zijn vingers gebroken waren na een ongeval. Peyo had net een Nederlandse klant willen afschepen die gags van De Smurfen verlangde. Omdat hij er echt geen tijd en zin voor had, vroeg hij drie keer meer dan gewoonlijk. Helaas voor hem accepteerde de klant. Peyo rekende vervolgens vooral op Wasterlain om de klus te klaren. Door het ongeluk was zijn tekenstijl niet meer zo rond en gezellig zoals voorheen en dus zoals de stijl van Peyo. En dàt kwam Wasterlain dan weer goed uit. Ondertussen rukte de nieuwe Franse strip op met vootrekkers als Marcel Gotlib, Reiser en Mœbius. Zelfs Franquin maakte dergelijke uitstapjes met Zwartkijken. Wasterlain wilde daar deel van uitmaken. Opnieuw voor Kuifje creëerde hij Kereltje met een duidelijk ecologische inslag. Na een aantal korte verhalen vloog hij als een van de eersten uit het blad nadat uitgever Raymond Leblanc zijn zoon Guy in de directeursstoel plantte. Guy hield niet van niet-commerciële, poëtische strips en moeide zich meer en meer met de taak van hoofdredacteur Greg die kort daarop uitgeverij Lombard zou verlaten om bij Dargaud emplooi te vinden als literair directeur.

Van een depressie gered door Franquin
De stopzetting was een schok voor Wasterlain. Met zijn hand kon hij nog steeds niet optimaal tekenen, hij verloor zijn zoon en het ging 'm niet voor de wind. Met de weinige losse stripverhaaltjes die hij nog maakte en met studio Peyo op stand by in afwachting van nieuwe verhalen kon hij naar eigen zeggen nog wel eten en drinken kopen, maar de zwaarste periode was de winter wanneer het appartement niet verwarmd was. Een wanhopige Wasterlain nam een dosis pillen. Hij moest naar het ziekenhuis. Op de avond wanneer hij naar zijn woonst terug mocht keren, belde Franquin 'm op met een uitnodiging om te gaan eten. In het restaurant opende Franquin een grote map met knipsels. Het zijn allemaal tekeningen van Wasterlain en het waren werkelijk alle gepubliceerde tekeningen, tot de allerkleinste illustratie, die in de map staken. Franquin verklaarde dat hij verzamelingen aanlegde. Van auteurs wier werk hem interesseerde, knipte hij alles uit en hield het bij. Vervolgens vroeg hij aan een verbouwereerde Wasterlain geschikte technieken om met een pen te tekenen.

Zo was Franquin. Hij kende het probleem van Wasterlain want zelf doorliep hij ook vele depressieve buien, van kindsaf al. Aan Yann vertrouwde hij eens toe dat hij vaak aarzelde om zich van een brug boven een spoorlijn te gooien. Maar voor Wasterlain wilde hij een steun, een hulp zijn. Een redder dus zelfs. Later liet Franquin het volgende over de geplaagde tekenaar optekenen: "Wasterlain is een van de grootste auteurs die ik ken. (...) Als ik mocht kiezen dan zou ik willen tekenen zoals Wasterlain!" Het was geen uitspraak waarmee nota bene Wasterlain vrienden maakte bij jaloerse collega's. Niettemin groeide hij uit tot een voorbeeld voor anderen. Zijn stijl week af van die van andere zonder in extremen te vervallen, de verhalen kenden een unieke, geslaagde mix van poëzie, romantiek, humor en avontuur. Het zijn elementen die een weeslag vonden in het werk van André Geerts, Benn, Bernard Hislaire, Frank Pé, Bosse, Christian Darasse, Alain Maury, Frank Le Gall,...

Helaas heeft Wasterlains eigen werk vandaag aan belang ingeboet. Op privégebied is het momenteel weeral niet beter met 'm gesteld. Hij heeft een zware echtscheiding en een verhuis achter de rug waardoor er veel van zijn originele tekeningen (die hij nooit echt goed heeft bijgehouden, enkele platen gebruikte hij naar verluidt zelfs om een lekkend dak te stoppen) zijn verloren. Tekenen blijft hij echter nog steeds doen. Les Pixels is een nieuwe serie, hij heeft zin en inspiratie om Dokter Zwitser opnieuw op te pikken voor nieuwe avonturen, er staan verschillende projecten op stapel en sinds kort bestaat er zelfs een fanblad van 'm dat oude verhalen in zwart-wit heruitgeeft, duikt in archieven voor onuitgegeven zaken en afwijkende versies om de verschillen aan te tonen tussen weekblad- en albumplaten.

Mocht je ooit het album Verse Nootjes of het dubbelalbum Kattenplaneet en De Reus die Vragen Stelde (Wasterlains eigen favoriete verhaal) te pakken krijgen, aarzel dan niet. Je vindt ze vast spotgoedkoop in winkels met een tweedehands aanbod. Je zal ze na lezing koesteren als een grote aanwinst.

(Bron: Didier Pasamonik — Docteur Poche L'Intégrale 1, Dupuis, 2010)


 
13/03
 
 
De oorsprong van de ex-libris bij strips
Van de oorspronkelijke betekenis van een ex-libris (meervoud ex-librissen) blijft niet veel meer over. Eigenlijk was een ex-libris een aan de binnenkant van een boek opgekleefd vignet waarop de naam van de eigenaar werd geschreven. Nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst schreven de eerste 'bibliofielen' in Latijnse letters "unus ex-libris ..." (= "dit boek behoort toe aan ...") gevolgd door de naam van de bezitter. Sta ons even toe om nog wat meer historische feiten te geven, nu stripgerelateerd.

Al decennia lang moeten striphandelaars hun klanten tevreden en trouw houden met kortingen, promoties, signeeracties en diverse meer terwijl de concurrentie om de hoek een ware prijzenoorlog voert. Een onhoudbare situatie. Zeker in grote steden waar meer dan één striphandelaar het stripaanbod bepaalt. In 1981 kwam de Brusselse stripzaak Schlirf Book op het idee om een gratis extraatje weg te schenken bij de aankoop van een bepaald album, specifiek naar aanleiding van het verschijnen van Inspecteur Canardo 1: Moord in de Berm. Op 150 exemplaren verscheen een kleine ex-libris in zwart-wit, genummerd en gesigneerd door de auteur (Benoît Sokal dus), opgeplakt in de binnenkant van het album.

Kort daarop — uiteraard kende deze marketingtruc een gigantisch succes — volgden andere, zeg maar àlle andere stripspeciaalzaken in Brussel hetzelfde voorbeeld. Voor nieuwe titels werden ex-librissen uitgegeven tussen de 50 en 400 exemplaren. In plaats van de toen toegestane concurrentiekortingen van 20% te geven voor albums zonder ex-libris, betaalde de klant de door de uitgever vastgelegde prijs voor albums mét ex-libris. Het publiek vroeg meer en ook de grote auteurs speelden het spel mee. Tegenwoordig zijn ex-librissen in zeer sterke mate bepalend voor de winst van veel Brusselse stripspeciaalzaken.

In Frankrijk kenden ze al vanaf 1981 de door de wet Lang vastgelegde vaste boekenprijs waardoor dergelijke uitgavezottigheden zoals in België financieel niet rendabel leken. Het was pas in 1994 dat twee Parijse stripspeciaalzaken de handen in elkaar sloegen en gezamenlijk een ex-libris uitgaven om ten eerste het hoofd te bieden aan de supermarkten en grote ketens (same old story). Mœbius (voor het album Stel) en François Boucq (voor Fré van der Mugge 3: De Tanden van de Haai) genoten de eer de eerste Franse stripex-librissen te mogen maken.

Meestal wordt een ex-libris gedrukt op kwaliteitsvoller papier dan de albumuitgave. De tekening komt meestal niet voor in het album en is dus specifiek gemaakt voor het ex-libris.

In de loop der tijden evolueerde het ex-libris en concurreerden de stripspeciaalzaken als vanouds met zo origineel en creatief mogelijke uitgaves: grote formaten, zeefdrukken, als puzzel, schetsboekjes, losse bijgevoegde katernen, kalkvellen, T-shirtjes, postzegelvellen, een doos met originele bedrukking waarin het album past, metalen platen,... Van vastkleving in het album is al lang geen sprake meer en soms worden ex-librissen zonder bijhorend album verkocht en kadert het in een spaaractie of is het bedoeld voor een unieke gelegenheid.

Later kwamen daar de niet-genummerde en niet-gesigneerde ex-librissen bij, meestal uitgegeven door de uitgever en op een hogere oplage (van 1000 en meer exemplaren). De collectie De Zwarte Loge kende een tijd lang mee ingebonden ex-librissen, getekend door een zogenaamde peter van het album. En van De Wraak van Graaf Skarbek verscheen een tweede editie mét setje van vier verschillende ex-librissen bij aankoop van het eerste album.

Tevens is het ex-libris geëvolueerd van een gratuit klantenlokkertje met een kleine meerwaarde naar een gewild verzamelobject, tenminste in tijden zonder gevolgen van een economische recessie.


 
08/03
 
 
Asterix en Guust Flater door Daan Jippes
Dat Daan Jippes (Bernard Voorzichtig, Havank) een supergetalenteerde tekenaar is, staat buiten kijf. Doorheen zijn carrière heeft hij zich steeds gretig laten beïnvloeden door anderen. Of hij beheerste alleszins de tekenstijl van meerdere sterren van de Negende Kunst. Voor het Nederlandse stripweekblad Pep opereerde hij van 1968 tot 1974 op de lay-outafdeling. Hij tekende er covers, gags, illustraties en occasionele kortverhaaltjes. Onder andere een resem Asterix-covers voor het blad zijn van zijn hand om de voorpublicatie van de reeks in het blad te promoten.


Een Pep-cover uit 1969 van de hand van Daan Jippes.


Dit originele gouacheschilderij met de coverillustratie voor een nummer van Pep uit 1968 is in het bezit van Wilbert Plijnaar die het inscande.

Uitgeverij Oberon kreeg omstreeks 1981 van de merchandisingagent van Asterix het verzoek een paar proefpagina's te laten maken voor een kortverhaal van Asterix. De redactie vroeg Lo Hartog van Banda om een scenario te schrijven. Hij bedacht iets over een Romeinse kok die wordt ontvoerd. Daan Jippes zou het uittekenen. Maar wanneer Jippes en Lo Hartog van Banda te horen kregen dat ze enkel als een soort ghostwriters zouden fungeren zonder naamvermelding, zonder mogelijkheid tot albumpublicatie en nog wat nadelen erbovenop, kapte het gelegenheidsduo ermee. Het project strandde na twee proefpagina's waarvan je ze hieronder allebei ziet staan (klik erop voor een grotere afbeelding).
Volgens een andere bron en een andere, meer kwaadsprekende overlevering schrok Uderzo van de proefpagina's omdat die er beter uitzagen dan het origineel en hij dacht dat Jippes er populairder mee zou worden dan Uderzo zelf. De mogelijkheid tot verdere uitwerking en publicatie van het verhaal in Pep werd daarom tegengewerkt, zelfs verboden door Uderzo. Maar dit is dus een andere versie van de feiten.
Lo Hartog van Banda probeerde het dan maar stoutmoedig met een andere creatie van René Goscinny. Overlopend van zelfzekerheid en in een drang om zichzelf te bewijzen, nam hij via een brief contact op met Morris om kritiek te leveren op diens verderzetting van Lucky Luke. Op dat moment liep het verhaal De Eénarmige Bandiet (1981) op scenario van Bob de Groot. Morris was het gedeeltelijk eens met de kritiek, maar hij daagde Lo Hartog van Banda ook uit om dan maar wat beters te laten zien met Lucky Luke. Tussen 1983 en 1992 schreef hij vervolgens drie verhalen. Fingers was het meest memorabele ervan.

Maar nu terug naar Jippes. We doen nog wat meer aan namedropping. In onze Toppers-rubriek De Wereld rond Franquin vertelde Jippes over twee van de drie ontmoetingen die hij had met André Franquin. Over de eerste schreef hij: "Een keer, in 1983, heb ik een Guust-klus die hij voor de Nederlandse Postbank moest klaren, voor hem afgemaakt en geïnkt: een Guust-boekje van zo'n acht-negen plaatjes. Met 't afgemaakte werk ben ik toen naar zijn huis nabij Brussel getogen. Daarna, zoals kennelijk gebruikelijk, met zijn vrouw naar hun favoriete Thaïse restaurant voor de lunch."
Hieronder vind je een schets van Franquin voor deze reclameopdracht waarvoor Franquin weinig tijd en zin had met daaronder het geïnkte en ingekleurde resultaat (klik erop voor grotere afbeeldingen). Zo werd het begin jaren 1990 gepubliceerd in het Nederlandse stripinfoblad Stripofiel.
Over nog een ontmoeting met Franquin, vertelde Jippes het volgende: "Een andere keer, in 1991, heb ik hem, op zijn verzoek, in mijn hoedanigheid van storyboarder bij Disney, daar in Burbank op de werkvloer rondgeleid en hem 't voorbereidende werk voor Aladdin laten zien. Hij was daar toen, vergezeld van Jean-François Moyersoen (de uitgever van Marsu Productions die de rechten op de Marsupilami bezit, red.) en zijn vrouw Liliane, voor de contractuele bezegeling van Disneys komende Marsupilami-project."

En al die tijd bleef Jippes voor verschillende publicaties van Disney verhalen en illustraties van Mickey Mouse, Donald Duck en andere figuren uit het Disney-universum tekenen. Daarnaast werd hij ook ingeschakeld op de animatieafdeling van het bedrijf. Jippes verhuisde in 1981 voor een lange tijd naar Amerika en werkte er onder andere als scenarist, regisseur of character designer aan tekenfilms als The Black Cauldron, The Rescuers Down Under, The Prince and the Pauper, Beauty and the Beast, Aladdin en Mulan. Hij werkte er ook aan het storyboard van onder andere The Lion King II, Pocahontas II en Mickey's Once Upon a Christmas.
Hieronder zie je enkele voorbeelden met respectievelijk Mickey Mouse door Jippes, een voorbereidende illustratie voor zijn versie van The Beast uit Beauty and the Beast voor de toenmalige regisseur Richard Purdom en een storyboardtekening voor Mulan.

And that's all, folks!
Over Daan Jippes' versie van Robbedoes op scenario van Yann hebben we het later en elders nog...


 
27/02
 
 
De geboorte van Largo Winch in drie etappes
Op een novembernacht in 1973 was er voor het eerst sprake van Largo Winch. Vandaag kennen we 'm voornamelijk als strip- en filmheld en proberen we 'm te vergeten als held in een weinig gesmaakte televisieserie. Geïnteresseerden zullen ook wel weet hebben van de romans die Jean Van Hamme over de multimiljardair schreef. Nog daarvóór was het de bedoeling dat hij de held zou worden in een door een Amerikaanse artiest getekende stripreeks voor de Amerikaanse én Europese markt... Dit is het verhaal over de geboorte van Largo Winch in drie etappes.

ETAPPE 1: Amerikaans-Europese stripheld

In de jaren 1970 hield Greg een kantoor van Dargaud en Le Lombard open in New York met de bedoeling de Amerikaanse stripmarkt te veroveren met Europese stripproducties. In november 1973 kwam het tot een afspraak met Jean Van Hamme en twee Amerikaanse striptekenaars aan wie Greg een nieuw concept wilde uitleggen. De Amerikaanse markt werd gedomineerd door superheldencomics en krantenstrips. Op welke manier konden groteneuzenstrips en reeksen met een frequentie van amper één album per jaar hun plaats vinden in dit interessante afzetgebied? Greg dacht dat door Amerikaanse tekenaars te overhalen met Europese scenaristen samen te werken het resultaat in zowel de Verenigde Staten als Europa kon worden gepubliceerd.

Van Hamme zat erbij om Greg bij te staan. Op dat moment was Van Hamme nog lang niet de gevierde stripscenarist van nu met meer dan 35 miljoen verkochte strips op zijn naam. Hij debuteerde met Epoxy (getekend door Paul Cuvelier) in 1968. Dat was een van de eerste erotische strips voor een groter volwassen publiek. Tussendoor schreef hij wat scenario's voor onder meer Domino en Mr. Magellan en experimenteerde met tot dan toe zelden gebruikte one-shotstructuren in Avontuur zonder Helden (getekend door Dany), maar dan zijn we al in 1976. Hier rijk van worden, was uitgesloten. Dat hoefde ook niet want in het bedrijfswezen was hij aan een snelle klim op de corporate ladder bezig. Dat hij goed zijn Engels kon, kwam Greg goed uit.

Een eerste onmoeting gebeurde met Stanley Drake voor wie Greg Cannonball Carmody zou schrijven. John Prentice, een veteraan die sinds 1956 dagelijks de door Alex Raymond gecreëerde detectivereeks Rip Kirby tekende, zou met Jean Van Hamme moeten samenwerken. Op die ontmoeting was het de bedoeling dat Van Hamme zijn verhaalconcept uit zou leggen, maar dat had-ie nog niet! Het was pas op de vooravond van de dag waarop de ontmoeting plaatsvond dat hij op het idee kwam van een avonturier die nu eens geen reporter, detective, jachtpiloot, cowboy, ridder, zeevaarder of wat voor stripheldcliché dan ook was. Greg of Van Hamme zei in de loop van de nacht dat geld niet gelukkig maakt waarop Van Hamme op de juiste piste zat voor een reeks in de bedrijfswereld met een steenrijke held die net door die rijkdom ook heel wat problemen aantrekt. En "steenrijke man" werd al gauw "een van de rijkste mannen ter wereld". Bovendien was er geen beter speelveld te bedenken dan de internationale zaken- en financiële wereld dat meer dan ooit aan een wereldwijde opmars bezig was. Van Hamme wist door zijn eigen beroep goed genoeg hoe het eraan toeging met valstrikken, geheime commissies, onderhandelingen achter gesloten deuren, industriële spionage, commerciële verraderspraktijken,... Tot dan toe kwam het niet aan bod in een stripverhaal.

Omstreeks 6.00 uur in de ochtend stond het personage van Largo en de grote lijnen van zijn eerste avonturen op papier. Dat Van Hamme in zijn jeugd een Joegoslavische vriend had, bood inspiratie om Largo's afkomst een buitengewoon karakter te geven. Amper drie uur later was de afspraak met tekenaar Prentice gepland. De naam Largo Winch vond Van Hamme na verschillende probeersels die hij op een vel papier noteerde om de beste klanken te vinden.


John Prentice leefde in een klein huis in New Jersey. Een mobilhome in de tuin deed dienst als atelier. Zijn wereld kon niet verder liggen dan die van de fictieve rijkaard Largo Winch. Bij de ontmoeting was Van hamme niet echt onder de indruk van de oudere Prentice. Toch stelde hij het verhaal aan hem voor. En John Prentice hapte toe. Wellicht ook omdat de betalingsvoorwaarden veel beter waren om te werken voor de Europese markt dan voor de eigen markt waar hij enkel een loonslaaf was zonder deelname in de winsten afhankelijk van de verkoop van de strips die hij tekende.

Bij zijn terugkeer in België toog Van Hamme zich aan het werk. Dat duurde lang en het was complex om zijn verhalen in zowel het Frans als het Engels te moeten schrijven. Snel volgden de eerste platen. Jean Van Hamme vond ze... "afschuwelijk". Hij is de Franco-Belgische strip gewend waarbij de auteurs ook veel tijd en aandacht schenken aan details en uitgewerkte decors. Vooral omdat de decors slechts rudimentair aanwezig waren in Prentice' geleverde platen en omdat hij zich bediende van uitgemolken trucen van de Amerikaanse foor bij artiesten die elke dag hun stroken moesten inleveren en tegen de klok moesten werken, gaven voor de scenarist de doorslag dat dit niet ging werken. Dat Prentice qua sfeerschepping ook nog de bal missloeg door een New York te tonen dat hij zelf kent uit zijn grauwe detectivestripreeks, nam hij er nog bij. Daar waar het moest schitteren, tekende Prentice het integendeel somber.

Jean Van Hamme stopte meteen met de transatlantische samenwerking, zegde het contract met Le Lombard op en kocht zelfs de tien originele platen van Prentice af van de uitgeverij. Twee ervan staan hierboven afgebeeld.

ETAPPE 2: Romanfiguur
Drie jaar na het mislukte Amerikaverhaal was Van Hamme opgeklommen tot directeur huishoudapparaten bij Philips België. Op de dertiende verdieping in een kantoorgebouw in Brussel zetelde hij in een riant bureau. Al die tijd heeft Largo Winch 'm niet losgelaten. Maar Van Hamme, die de wereld rondreisde om contracten af te sluiten en daarbij dikwijls exotische locaties aandeed, verveelde zich enorm. Op zijn 35ste begon hij te twijfelen aan zijn professionele keuzes in zijn leven en het parcours dat hij normaal gezien nog kon afleggen als algemeen directeur tot ceo. Hij zou ongetwijfeld rijk worden, lid zijn van de Rotary Club, golf spelen en alles wat rijkaards doen. En hij zou zich nog meer vervelen. Het was toen dat hij zich afvroeg of hij niet beter van zijn hobby zijn beroep zou maken.

Op 1 april 1976 scheef hij zijn ontslagbrief. Daarna schreef hij niet meteen nieuwe stripverhalen. Op dat moment zag hij nog steeds geen dagelijks brood als stripschrijver. Dat lukte misschien wel als bestsellerauteur van romans. Met één goed verkopende titel om de drie jaar zou hij kunnen rondkomen en tussen twee titels door helemaal niets uitvreten. Uit zijn lade haalde hij Largo Winch in wie Van Hamme een ideale actieromanfiguur zag. De volgende stap was het overtuigen van een uitgever. En daar kwam zijn economische achtergrond weer van pas.

Om te beginnen koos hij Franse uitgeverijen die een garantie boden op een uitgebreide distributie. Daarna zette hij een doordacht aanvalsplan op want om te kunnen opvallen tussen de paar honderd manuscripten die een uitgeverij maandelijks ontvangt, is strategisch intellect nodig. Hij selecteerde zelf tien uitgevers die voor hem geschikt leken. Hij achterhaalde de naam van elke literaire directeur aan wie hij een eerste brief schreef. Er volgde een tweede en een derde brief, telkens een maand later. In elke brief gaf hij een stand van zaken over de ontwikkeling van en details over zijn eerste roman. Pas bij de zesde brief stuurde hij het afgewerkte manuscript mee. Deze direct mailing werkte wonderwel. Al snel kwam een eerste positieve reactie van Mercure de France waarna nog eens vijf andere uitgevers iets zagen in Van Hammes roman. Drie andere uitgeverijen rageerden negatief. Slechts één uitgeverij reageerde niet. In november 1976, amper twee maanden na het versturen van zijn manuscript, tekende hij een contract bij Mercure de France.

Largo Winch et Groupe W was de eerste titel van de romanreeks. Het verscheen in april 1977, een jaar na zijn ontslag bij Philips. Hij schreef er vier maanden aan. De frivole coverafbeelding deed denken aan de succesvolle romanreeks SAS van Gérard de Villiers waarop telkens een halfnaakte babe met een geweer poseert. Hoewel hij meesurfte op de tendenzen van die periode, keek Van Hamme toch al vooruit. Hij voorzag dat na de tijd van de hippies die van de yuppies zou komen. De jaren 1980 stonden inderdaad in het teken van het kapitaal, drugs, fraude en productie in lageloonlanden. Van Hamme kon dus voluit putten uit zijn eigen ervaring. Ook zijn Joegoslavische jeugdvriend zat net zoals Largo in zijn eerste verhaal enkele dagen in een gevangenis in Istanboel, maar dan wel voor minder ernstige daden.


Met het boek introduceerde hij min of meer een nieuw genre dat zijn uitgever omschreef als een "financiële western". Helaas leverde het hem niet de verwachte topinkomsten op. Van zijn eerste boek gingen weliswaar meer dan elfduizend exemplaren over de toonbank, maar dat is in de Franse taal geen bestseller. Nog vijf andere boeken volgden. Tegelijk begon hij zijn stripcarrière meer en meer uit de grond te stampen. Thorgal groeide snel uit tot een hit en medio jaren 1980 startte hij met XIII dat na meerdere albums uitgroeide tot een nog groter commercieel succes. Tussendoor richtte hij als uitgeefdirecteur van Dupuis de auteurscollectie Vrije Vlucht op waarin hij voor Vlaming Griffo de trilogie SOS Geluk schreef. Dat hij wist wat een goed one-shot of een verhaal van beperkte albumomvang was, bewees hij al eerder met De Chninkel. Tien jaar na het eerste boek met Largo Winch was hij een van de meest gelezen stripauteurs in Frankrijk en België. Ondertussen was ook de wereld om hem heen veranderd. De Berlijnse Muur viel, het communisme liep op zijn laatste benen, expansie was het toverwoord. Maar Van Hamme had door dat mondialisering niet overal en steeds een heuglijk iets was zoals veel analisten toen beweerden.

ETAPPE 3: Stripfiguur
Op een ochtend in maart 1989 belde Philippe Francq hem op. Hij was technisch werkloos na de flops Vrouwen en Steden (op scenario van Bob de Groot) en Léo Tomasini (op scenario van Francis Delvaux). Hij zocht een scenarist met wie hij een strip kon maken. En waarom niet Jean Van Hamme, fluisterde de vrouw van Francq in? Het kwam daags nadien tot een afspraak en tot zijn grote verbazing kreeg Francq van de scenarist het voorstel om een stripserie te maken. Francq hoopte ten hoogste op het scenario van een one-shot. Op deze eerste afspraak gaf Van Hamme een exemplaar van Largo Winch et Groupe W mee. Francq las het boek op één dag uit en vond er alle elementen in voor een goeie stripserie. Hij zag alleen het universum van Largo Winch niet zitten met de wolkenkrabbers, immense vergaderzalen en gedoe over beurskoersen. Het stond allemaal ver van de tekenaar die nochtans enkele jaren daarvóór op aanraden van Bob de Groot een zelfgeschreven verhaal opstuurde naar Dargaud over een miljardair wiens broer een financieel imperium leidt. Francq wilde liever een avonturenverhaal pur sang tekenen dat zich 't liefst in een natuurlijk decor afspeelt zoals een woestijn, een woud, in de bergen, enzovoort. Zijn motivatie om strips te tekenen kwam door Hermann van wie hij graag Jeremiah en Bernard Prince (in het bijzonder Guerrilla voor een Spook dat een eye opener was) las en die hij een viertal keer ontmoette op zijn vijftiende. Hij leerde toen meer van Hermann dan drie jaar Sint-Lucas waar hij les kreeg van zijn stripdocenten Claude Renard en François Schuiten. Van Hamme stelde hem echter gerust. De stad is slechts een vertrekpunt want Largo zou veel reizen. In elk album zou hij andere landen aandoen. Franq was overtugd.

Aan de vormgeving van de nieuwe stripheld werd danig gesleuteld. In zijn romans was Largo een kind van zijn tijd: een beetje een hippie met lange haren. Een decennium later waren er andere te volgen modes. Francq behield enkel de kastanjebruine ogen. Van Hamme vond dat het personage gerust een fragiele kant mocht tonen en suggereerde een bril. Dit idee werd snel afgevoerd zodat Largo zich meer op zijn gemak zou voelen in actiesituaties. Het kapsel doorliep alle stadia van kleuren en lengtes tot hoe we het personage nu kennen. Aanvankelijk waren de haren net lang genoeg zodat hij zich zou kunnen onderscheiden in een vergaderzaal met de Big Board. Voor het gezicht liet Francq zich vrijelijk inspireren op die van bekende acteurs. Na vele faxen en brieven met Van Hamme kwamen ze op een mix van Patrick Swayze en Kurt Russell, meerbepaald uit de film Tequila Sunrise.


Voor de nieuwe intrige van het eerste tweeluik herschreef Van Hamme zijn eerste roman, maar veranderde er toch heel wat aan om meer raakpunten met de vernieuwde geopolitiek te beogen. Enkele nevenpersonages kregen ook een nieuwe identiteit. Israëlier Simon Ben Chaïm werd de Zwitser Simon Ovronnaz terwijl de Zwitser Freddy Kaplan nu een Israëlier is. De rode stift om te schrappen, paste Van Hamme toe op de soms expliciete erotische scènes. Francq vond dat een goed marcherende stripreeks het best kon stellen zonder een held over wiens seksleven de lezer alles weet. Dat zou nog veranderen in de loop van de reeks waarin de auteurs zich meer en meer konden permitteren, al werden er nooit echt expliciete scènes getoond, toch niet met Largo. In bepaalde voorpublicaties kwam het anders wel eens tot censuur. In een lesbische scène bijvoorbeeld werd de schaar gezet.

Nu goed, op 1 november 1990, exact zeventien jaar na de creatie van Largo Winch in New York, rolde het eerste stripverhaal van de drukpersen bij Dupuis. Voor Philippe Francq betekende het zijn grote doorbraak en lachte het leven hem ook financieel veel meer toe. In die mate zelfs dat hij 25.000 euro over heeft voor de prestaties van zijn inkleurster die hij sinds een paar albums geleden inruilde voor Fred Besson, een vaste medewerker van Crisse. We kunnen alleen maar gissen hoeveel hij er zelf aan verdient.

(Bron: Rodolphe Lachat — 20 Ans Largo Winch: L'Héritier / Le Groupe W, "Largo Winch, Genèse d'une Saga Légendaire", Dupuis)



 
13/02
 
 
TikTak-tekenen met Morris, Roba,
Franquin en Peyo
Morris, Roba, Franquin en Peyo. Een line-up waarbij een notoir handtekeningenjager het zweet van in de klamme handen zou krijgen. Dat alle vier heerschappen ondertussen overleden zijn, moet 'm dan wel nog aan het verstand gebracht worden. En dat de manier van handtekeningen zetten met bijhorend tekeningetje te danken is aan twee van die heren (met name Roba en Franquin) is een ander verhaal...
Enfin, in de jaren 1980 vond een kiene tv-producer het een goed idee om enkele striptekenaars uit te nodigen in een tv-studio en hun te laten "TikTak-tekenen". De volledige uitleg daarvan krijg je hieronder te zien. Het voorbeeld in de onderstaande vier pagina's toont zowel het destructieve karakter als het helende temperament van de vier grootmeesters. Enerzijds om elkaar de loef af te steken en de opvolger te zien nagelbijten om een vervolg te improviseren en anderzijds om elkaar weer op de goede weg te helpen. Dat moet een memorabel moment geweest zijn in de studio's. En wat zou er gebeurd zijn met de originele tekeningen?

(Bron: Wordt Vervolgd Presenteert — De Koning Boekproducties, 1985)




 
06/02
 
 
Werkloze Leo fantaseerde fauna en flora
Veel tijd is er verstreken tussen de verschillende periodes in het leven van Braziliaan Luiz Edouardo de Oliveira waarvan de initialen diens pseudoniem Leo vormen. Als militante, revolutionaire marxist in Brazilië vanaf 1967 kon hij niettemin een carrière opbouwen als technisch ingenieur (nochtans houdt hij vandaag niet van het tekenen van voertuigen). Na een reeks arrestaties van vrienden en kennissen werd het Leo te heet onder de voeten. Hij verkocht alles en verhuisde in 1971 naar het Chili onder Allende. Een maand vóór de coup van Pinochet in Santiago (1973) ging hij clandestien op de loop naar Argentinië. Daar publiceerde hij het een en ander om ten slotte definitief de grote stap te zetten naar Frankrijk.

Lange, lange periodes van werkloosheid volgden. Zijn tijd vulde hij met boswandelingen en het creëren van vreemde fauna en flora dat hij later als basis gebruikte voor zijn sublieme dieren en planten in zijn sf-reeksen.

Een oud Braziliaans stripproject hertekende hij in Frankrijk volledig, maar daarmee ving hij bot bij àlle uitgevers. Het was nochtans de voorloper van Aldebaran. Via gepubliceerde kortverhalen in L'Echo des Savannes, Pilote en Okapi en volledig in de ban van zijn grote tekenvoorbeeld Jean Giraud/Mœbius startte hij in 1988 met Rodolphe de Canadese mountiesreeks Trent. Spoedig volgen Aldebaran en daarna Betelgeuze, Kenya, Dexter London, Verre Werelden, Antares,... Het succes van elk van deze reeksen zorgde ervoor dat Leo er wijselijk voor koos om in 1999 niet op Girauds vraag in te gaan om De Wereld van Edena te tekenen...

Hiernaast zie je een pagina uit Aldebaran 1: De Ramp met een voorbeeld van Leo's bestiarium. Dargaud en ook Leo zouden graag een soort encyclopedie uitbrengen van alle door Leo gefantaseerde fauna en flora, maar tijdgebrek gooit steevast roet in het eten.


 
30/01
 
 
Oranje Smurfen
Toen we in 2008 het boude plan hadden opgevat om naar aanleiding van 50 jaar De Smurfen hun (voor)geschiedenis van naaldje tot draadje uit de doeken te doen, wisten we nog niet dat die "doeken" een boek had kunnen opleveren. Onze ambities strandden bij een hoop vertalingen van Franse gegevens, opzoekingswerk in talloze boeken, tijdschriften en websites en navraag bij enkele personen. Dat de Smurfen voor 't eerst in het Johan en Pirrewiet-album De Fluit met Zes Smurfen opdoken, is genoegzaam bekend. Dat uit een kinderlijk taalspelletje tussen Peyo en André Franquin tijdens een verblijf aan de Vlaamse kust het woord "schtroumpf" voortkwam, is ook een van die legendarische anekdotes uit de roemruchte geschiedenis van de Franco-Belgische strip. Maar wie kwam op het luminiueuze idee om Les Schtroumpfs (de oorspronkelijke Franse naam dus) te vertalen als De Smurfen. Decennialang werd aangenomen dat dit Karel Cavens was. Na een reflectie bleek dat niet waar kon zijn. Het is dankzij een Nederlander dat we "Smurfen" zeggen tegen de blauwe wezentjes van Peyo.

We vroegen in 2009 aan oud-Robbedoes-redacteur, vertaler en copywriter Erwin Cavens of het klopte dat zijn vader Karel Cavens in 1958 aan de basis stpnd van de vertaling. Voor de Engelse, internationale naamgeving koos men namelijk voor een aanpassing van de Nederlandse naam en da's toch een mooi compliment voor een vertaler. Na een bevestiging kregen we daags nadien een corrigerende mail warauit we citeren: "Dat verhaal als zou mijn vader de naam hebben bedacht, zit al m'n hele leven in m'n hoofd, maar ik miste een paar elementen. In een moment van helderheid — en in de wetenschap dat je die dingen beter goed natrekt voor het helemaal te laat is — belde ik gisteren mijn moeder. Die alles bevestigde, maar er ook bij vertelde dat mijn vader kort na zijn aanstelling als hoofdredacteur van Robbedoes met de winnaars van een Spirou/Robbedoes Apolloconcours naar de VS is getrokken om er de eerste maanlanding mee te maken. Hij was namelijk de enige die Engels sprak. Nu was die maanlanding in 1968. Dat "kort na zijn aanstelling" deed me dus even de wenkbrauwen fronsen. En toen heb ik in een tweede helder moment (het kon niet op, gisteren) mijn oom Peter Middeldorp gemaild, van wie ik meteen een antwoord kreeg. Ik neem aan dat zijn versie de juiste is..."

Nederlander Peter Middeldorp was tot 1965 hoofdredacteur van Robbedoes. In dat jaar trok hij terug naar Nederland met Erwin Cavens' tante, een zuster van Karel en Johan Anthierens (die Vader Abraham van het Smurfenlied nog kwaad deed opstappen in een talkshow toen hij navraag deed naar achtergebleven centen waar Peyo recht op had). Erwins vader Karel trouwde met een andere zuster van de Anthierens-clan.
Nu goed, Middeldorp werd een van de big shots van het uitgeversconcern VNU en werkte er als hoofdredacteur van de jeugdbladen van de Geïllustreerde Pers waaronder Donald Duck, Pep en De Flintstones. Erwin is er pertinent zeker van dat Peter Middeldorp tijdens zijn hoofdredacteurschap in 1958 de bedenker is van de naam De Smurfen. Hij voegde eraan toe dat het eventueel met hulp gebeurde van redacteur Armand Van Raalte.

Het internationale succes van de Belgische creatie De Smurfen (dezer dagen goed voor een miljoenenbusiness) mag dus ook een beetje oranje gekleurd zijn. En we hebben het dan nog niet over wat voornoemde Vader Abraham betekende voor de stripreeks!

Bovenstaand artikel verscheen al eens op onze website, maar we vonden het de moeite waard om het een permanente plaats te geven in de rubriek Weetje v/d Week.


 
23/01
 
 
Jorg de Vos en Yves Swolfs, de samenwerking die er had kunnen zijn
Nederlander Jorg de Vos is vandaag overbekend als inkleurder van de nieuwe Storm-verhalen die hij met Romano Molenaar maakt. Voor recentere verhalen laat hij zich zelfs gelden als scenarist.

Martin Lodewijk
is trouwens niet de eerste topscenarist die zijn pad kruiste. In 1997 ontmoette Jorg de Belgische auteur Yves Swolfs, hier ook overbekend van Legende, De Prins van de Nacht en Durango. Uit de ontmoeting vloeide een proefplaat en vervolgens een scenario waarvan Jorg drie platen tekende. Deze platen van wat een middeleeuwse strip met magische elementen had moeten worden, zie je hierboven. Klik erop voor een grotere weergave per plaat.
Swolfs schreef een paar uitgeverijen aan om het project voor te stellen. Helaas leidde dat niet tot een contract. De uitgevers vonden dat de tijd er niet voor was om nog meer fantasyverhalen in hun fonds te stoppen. Het project werd afgeblazen en iedereen toog zich weer aan zijn eigen drukke bezigheden. Pas een paar jaar later begon de echte fantasydoorbraak en kregen ook mindere goden hun kans om aan de vraag naar meer fantasy te voldoen.
De reeks van Jorg de Vos en Yves Swolfs had vandaag misschien een ware hit kunnen zijn ware het niet dat Swolfs er ondertussen zelf een groot succes van maakte. Het ging namelijk om een voorloper van... Legende.

(Bron: http://jorgdevos.blogspot.com/)


 
16/01
 
 
Jodocus uit Heinz betrokken bij bankoverval

Net zoals de katers Heinz en Frits uit de strookjesstrip Heinz is Jodocus, d-e e-x-t-r-e-e-m t-r-a-a-g s-p-r-e-k-e-n-d-e s-c-h-i-l-d-p-a-d, gebaseerd op een echt huisdier van René Windig. En dat beest heeft een bankoverval meegemaakt, ook echt gebeurd.

In Het Parool van 24 december 1988 vertelt Windig het hele verhaal: "Ik woonde toen nog thuis. Op een zondagochtend gaat de telefoon. Mijn vader neemt de telefoon op. Politiebureau Marnixtraat. 'Heeft u een Citroën met dat en dat kenteken?' Ja, zegt mijn vader. 'Waar is die auto?' Die staat voor de deur, zegt mijn vader. 'Weet u dat heel zeker?' Bleek die auto gebruikt te zijn bij een overval op een bankfiliaal. Die bankoverval mislukte trouwens omdat toen de rovers vluchtten de auto niet wilde starten. Die hebben zich toen schietend uit de voeten gemaakt. Mijn moeder vroeg toen aan mijn vader: 'Vraag of de schildpad er nog in zit'. We zouden die morgen namelijk naar Calandsoog gaan en alle spullen waren de avond daarvoor al in de auto gepakt, ook de schildpad. Jodocus bleek nog steeds op de achterbank te zitten. Hij is dus een van de weinige schildpadden die een bankoverval heeft meegemaakt. We hebben natuurlijk nog over zijn rol in het geheel zitten fantaseren. Voor ons is Jodocus onder het gaspedaal gaan zitten, waardoor de boeven niet konden wegrijden. Een echte held."

(Bron: Heinz: Van H tot Z 1 — Oog & Blik | De Bezige Bij, 2009)