Dit is archiefpagina 6 van de rubriek Weetje v/d Week.
Klik verder naar alle eerdere updates, van Weetje 126 tot 150:
150 Een crisis, ruzie, nachtmerries, huilbuien, de depressie nabij en verwijten door de Smurfin
149 Marvano's De Zeven Dwergen in miniatuur
148 Schunniger eerste versie van Titia en Pijpelijn
147 Vertaling Chinese straatreclame in Kuifjes De Blauwe Lotus
146 Het beetje Mézières in Blueberry
145 De onvoltooide Guust-gags
144 Blufpoker voor Bollie en Billie
143 Verloren notities nekten Na de Incal
142 Onvoltooid project (11): hertekening van Johan en Pirrewiet 3 
141 Largo Winch passeert XIII voor parfumreclame
140 Een berooide Philippe Delaby in zak en as, en toen kwam Murena
139 Het werk van André Franquin geplunderd door Spanjaard Francisco Ibañez 
138 Onvoltooid project (10): Blueberry 1900 door François Boucq en Jean Giraud
137 Henk Kuijpers in Baberiba
136 Franquin à gogo
135 Boycot De Blauwbloezen
134 Bange kindjes voeren Rik Ringers-film af
133 Marvin Gayes Sexual Healing met dank aan een erotische strip in Oostende
132 Onvoltooid project (9): Asterix in Caledonië door François Corteggiani
131 Onvoltooid project (8): Advocatenserie van bijna-Sammy-tekenaar Bédu 
130 Onvoltooid project (7): Asterix door Daan Jippes en Lo Hartog van Banda
129 Onvoltooid project (6): Parallelle Alex-reeks door André Taymans en Jacques Martin 
128 Model sheet van Jerom-personage Ingelein
127 De indiaanse roots van Olga Lawina
126 Goedele censureert Manara
 
Een crisis, ruzie, nachtmerries, huilbuien, de depressie nabij en verwijten door de Smurfin
21/06
TOP
Er zijn zo van die anekdotes over stripfiguren die iedereen wel eens gelezen of gehoord heeft. Hoe tekenaar Peyo bijvoorbeeld niet op het woord zoutvat kwam tijdens een ontbijt op vakantie aan de kust en aan zijn beste vriend André Franquin dan maar om de "Schtroumpf" (het Franse woord voor Smurf) vroeg. Hoe amusant dit voorgeschiedenisje was, zo rampzalig voor Peyo was de creatie van de Smurfin, lange tijd de enige vrouwelijke Smurf.

Het begon al met de omschrijving van het recept dat tovenaar Gargamel gebruikte om de Smurfin te scheppen. Zowat alle onhebbelijkheden die een man een vrouw kan toedichten, passeerden de revue. Het was als grap bedoeld door Yvan Delporte, die de teksten schreef, maar het kwam als een boemerang in het gezicht van Peyo gekwakt. Op de redactie van Robbedoes loog Delporte — nota bene de hoofdredacteur van het stripweekblad — dat hij niets te maken had met de inhoud van de tekstballon. Een noot om de verantwoordelijkheid voor dit recept af te wimpelen op de zogezegde schrijver van het toverboek Magicae Formulae van uitgeverij Belzeup vermocht niet dat Peyo's bloedeigen vrouw Nine furieus reageerde door twee weken lang stommetje te spelen tegenover Peyo. Ze behandelde hem als een vrouwenhater terwijl Peyo — altijd wel in voor een grap — er net een schepje bovenop deed om haar nog meer de gordijnen in te jagen. Nine vond de Smurfin onverdraaglijk, nog erger dan Bianca Castafiore! In elk geval viel het personage, een karikatuur van een vrouw zonder kwade bijbedoelingen, net zo min in goede aarde bij de lezeressen. Peyo moest zich dikwijls verantwoorden voor verwijten als misogynie, seksisme en machisme die hem te beurt vielen. Hij begreep dan ook niet waarom een mannelijk personage als Pirrewiet, barstensvol gebreken, ongemoeid bleef. Hij merkte hierbij op: "Maar als je een vrouw als karikatuur neerzet, hola! Dan moet je voorzichtig zijn!"

En nog was Peyo's lijdensweg niet voorbij. Geen enkele Smurf hield van de bemoeizuchtige Smurfin die Gargamel gecreëerd had. Op de duur vond ze zichzelf lelijk, dik, een monster. Maar daar kon Grote Smurf een handje bij helpen. Hij maakte van haar de blonde bom waar elke Smurf bij zwijmelde. Op zijn studio circuleerden wel eens nummers van het blootblad Playboy waar Peyo graag in bladerde. Wanneer Nine die in beslag kwam nemen, reageerde hij schalks dat het hem om de interessante artikels te doen was. Kwam hij dankzij Playboy op het idee voor de nieuwe versie van de Smurfin? Een schoonheidsideaal dat blond, lange haren, een verleidelijke blik en lange oogwimpers dicteerde? Zo makkelijk was het niet.

Om tot haar nieuwe look te komen, doorspartelde Peyo een ware crisis die hem nachtmerries bezorgde. Voor de mooie versie van de Smurfin had hij een totaal gebrek aan inspiratie. Nine getuigde hierover: "Ik zag hem opstaan, op de rand van het bed zitten, en onophoudelijk snikken: de platen moesten geleverd worden en hij kwam op niets! Hij stond aan de rand van de depressie!" Studiomedewerker François Walthéry preciseerde: "Hij zat volledig vast want hij had een vrouwenmagazine in avantpremère een schets van de Smurfin beloofd voordat ze in Robbedoes zou verschjnen... En hij had niets om hen op te sturen!" Om tijd te winnen, rekte Peyo de suspens in het weekblad. Hij liet Grote Smurf in zijn laboratorium zwoegen terwijl de Smurfen het resultaat afwachtten. De uiteindelijke onthulling was voor de week erna.

Intussen had Peyo een wezentje op papier gezet met weelderige blonde haren en mascara op haar oogleden, maar hij was er niet van overtigd. De enthousiaste reacties van zijn toenmalige medewerkers, Gos en Walthéry, zeer laat op de avond, overtuigden hem net zo min. En Peyo herbegon een tweede, derde, vierde keer. Walthéry vond de eerste schets nog altijd de beste, maar dat durfde hij zijn baas niet te zeggen. De twee assitenten verklaarden dat ze te moe waren om een juist oordeel te vellen. De plaat moest desalniettemin afgewerkt worden en Peyo ging uitgeput op bed liggen om een potje te huilen.

Wanneer in nood, was er nog altijd Franquin die Peyo opbelde. 's Morgens kwam Franquin, bekeek de eerste schets en zei tegen Peyo: "Maar deze is perfect! Niet meer aankomen, laat het zoals het is!" De plaat kon eindelijk geïnkt worden door Gos waarop Peyo de rest van de dag in zijn bed kroop om slaap in te halen. Later gaf hij toe dat hij het liet betijen want hij hield er nog altijd niet van. Nine gaf sowieso de voorkeur aan de oorspronkelijke, zogezegd lelijke versie. De blonde versie vond ze te gladjes, te gesofistikeerd, zoals een Amerikaanse cheerleader.
(Bron: Hugues Dayez — Les Schtroumpfs L'Intégrale 1, 2013)



Marvano's De Zeven Dwergen in miniatuur
14/06
TOP
Wat doe je dan als vliegtuigmodelbouwer én stripfan? Dan bouw je toch gewoon een vliegtuig uit een strip na, compleet met miniatuuruitvoeringen van personages op schaal 1:72! In april 2014 voltooide een Duitse lezer van Marvano's De Zeven Dwergen (oorspronkelijk verschenen in de collectie Vrije Vlucht en daarna heruitgegeven als eerste deel van de trilogie Berlijn) een getrouwe kopie van een Avro Lancaster Mk.III. In de strip komen voldoende verschillende standpunten voor om het vliegtuig tot in de kleinste details na te bouwen. Hoe waanzinnig meticuleus de Duitser te werk ging, kan je op de foto's hieronder zien. Hij besteedde zelfs aandacht aan de klaprozen!
Het monnikenwerk dat hij er veil voor had, is een pluim op de hoed van Marvano want de Duitser verklaarde ten zeerste door het verhaal ontroerd te zijn.











































Schunniger eerste versie van Titia en Pijpelijn
07/06
TOP
Niet elke pagina staat er bij de eerste aanval van een striptekenaar op het papier. André Franquin gooide eerste versies of andere aanzetjes gewoon in de prullenmand. Andere tekenaars houden ze bij. Zo ook Marc Hardy die in zijn archief dook en bovenstaande eerste versie van een gag uit het eerste album van Titia en Pijpelijn (een eerste keer door Farao uitgegeven als Lolo en Suzette) haalde. Voor de uiteindelijke versie, die je hieronder kan zien, herschikte hij de plaatjes, verschafte een minder expliciete inkijk op de tweede prent van de tweede strook en liet het derde plaatje vallen. Een beetje minder bloot dus voor de komische stripserie over twee stoephoeren.



Vertaling Chinese straatreclame
in Kuifjes De Blauwe Lotus
01/06
TOP
Om zijn waardering voor onze site uit te drukken, werkte lezer Ton van Sligter spontaan onderstaand overzicht voor ons uit. Het zijn vertalingen van Chinese straatreclames in een prent van het Kuifje-album De Blauwe Lotus. Voor deze slogans kreeg Hergé de hulp van Tchang Tchong-Jen, die aan de Brusselse kunstacademie studeerde en met wie Hergé in 1934 bevriend raakte. In andere scènes waagde de Chinees zich aan meer politiek beladen slogans in plaats van knipoogjes naar de job van zijn vrouw Germaine Kiekens of naar Brusselse straatnamen.

Tijdens de creatie van het verhaal woedde de Chinees-Japanse oorlog in alle hevigheid. Authentieke feitelijke elementen en gebeurtenissen vonden hun weg naar De Blauwe Lotus. De westerse pers stond aan de kant van Japan, maar door gesprekken met Tchang en duidelijke inzichten in de Chinese situatie was Hergé een andere mening toegedaan. Het resulteerde in een negatieve voorstelling van de Japanse bezetter. Tchangs gekalligrafeerde, Chinese boodschappen riepen in andere scènes op tot een boycot van Japanse producten, ze vielen het imperialisme aan of wezen op de grondbeginselen van de regering van Soen Yat-sen. De Japanse ambassade in Brussel las het verhaal in voorpublicatie en tekende protest aan. Een Belgische generaal, die de Belgisch-Chinese verstandhouding nochtans toegenegen was, verzoekt de directeur van Le XXe Siècle de publicatie van het verhaal stop te zetten. De Chinese leiders waren dan weer vol lof en nodigden Hergé in 1939 officieel uit in hun land. Vijfendertig jaar later bezocht hij effectief het dan communistische land.



Het beetje Mézières in Blueberry
24/05
TOP
Voordat Jean-Claude Mézières zijn leven zag veranderen dankzij de stripreeks Ravian en Laureline werkte hij als cowboy voor de Dugout-ranch in de Amerikaanse staat Utah. In dezelfde staat werkte zijn jeugdvriend Pierre Christin aan de universiteit van Salt Lake City om er colleges Franse literatuur te onderwijzen. Mézières trok naar de VS om er anderhalf jaar rond te reizen, vooral om te fotograferen. Mézières kon toen twee maanden lang bij Christin logeren. Verder deed hij er niet veel. Om wat geld te verdienen, maakte hij in 1966 op scenario van Christin een strip van zes pagina's, Le Rhum du Punch, die ze naar hun vriend Jean Giraud opstuurden. Giraud maakte voor het Franse striptijdschrift Pilote toen al Blueberry. Hij legde de platen van Mézières en Christin voor aan hoofdredacteur René Goscinny en die wilde ze wel plaatsen. Ze stuurden bijkomende, losse experimenten en probeersels naar Pilote. Goscinny zag dat het goed was en publiceerde ze. Met de inkomsten kon het duo een ticket huiswaarts bekostigen. Bij zijn terugkeer in Frankrijk hertekende Mézières drie verhaaltjes en na ongeveer een jaar besloten hij en Christin om met Ravian te beginnen.

Van Giraud is al wel langer geweten dat hij gretig gebruik maakt van foto's om ze na te tekenen voor zijn strips, voor affiches, portfolio's en andere soorten illustraties. Vele voorbeelden passeerden al in deze rubriek. Een foto van Mézières kwam ook van pas. Bovenstaand portret van Mézières op zijn paard in Utah gebruikte Giraud voor de schutbladen van de eerste (Franse) hardcoveralbums van Blueberry. Op basis hiervan maakte Mézières de conclusie: "Blueberry, dat ben ik!"


De onvoltooide Guust-gags
17/05
TOP
In 1999 gaf Marsu Productions een laatste album van Guust uit met daarin de laatste restjes die niet eerder in album verschenen, toch niet in de reguliere albumreeks. Het ging om cartoons, losse illustraties, redactiestripjes uit het weekblad Robbedoes, publicitaire gags en de allerlaatste gags die André Franquin er in zijn laatste levensjaren nog wist uit te persen voor Robbedoes. Ook een onafgewerkte gag kon je in het album vinden. Die staat hierboven afgebeeld. Twee plaatjes tekende Franquin niet, de inkting is half uitgevoerd. Maar er bestaat nog een andere onvoltooide gag.


In 2013 gaf Dupuis in het Frans een integrale editie uit van Guust met vier bundels in een verzamelbox. Daarin werden alle gags chronologisch opgenomen. Verzamelaars merkten op dat Dupuis haar huiswerk niet goed had gedaan. In de integrale editie ontbraken vijftien gags. Een deel van deze blunder is op Franquin himself te verhalen want hij beging al eens een fout bij het nummeren van de gags. Wie als koper van de verzamelbox Dupuis aanschreef, kreeg gratis een annexuitgave opgestuurd met daarin alle ontbrekende gags... en enkele verrassingen. Een van die extra's was een nog andere onvoltooide gag die je hierboven ziet staan. Hieronder staan de kleurindicaties. Dit is gag 908 die werd gerapporteerd als een ontbrekende pagina, maar in feite nooit werd gepubliceerd. Franquin had die abusievelijk nummer 907 gegeven.



Blufpoker voor Bollie en Billie
03/05
TOP
In 1958 publiceerde Jean Roba zijn eerste stripverhalen in het weekblad Robbedoes. Het ging om twee realistisch getekende Oom Wim-verhalen die in inkt werden gezet door Eddy Paape. Roba kwam uit de reclamesector waar toen nog veel vraag was naar goede tekenaars. Voor Studio Creas leidde hij een studio van vier en later zes werknemers. De uitgever van Robbedoes, Charles Dupuis, liep niet hoog op met reclametekenaars. Hij vond ze te weinig artiest. Roba moest dus van goeden huize komen, wilde hij zijn eigen strips geplaatst zien in het weekblad.

Terwijl hij zijn dagtaak had opgezegd om voor André Franquin aan Robbedoes en Kwabbernoot mee te werken (meerbepaald voor de verhalen Tembo Taboe, Robbedoes en de Bobbelmannen en De Miniatuurtjes), ontwikkelde hij eigen stripverhalen op scenario van Yvan Delporte: Jo de Dokter voor het eerste en enige nummer van het weekblad Junior, De Gebroeders Fratelli (bedoeld voor het tweede nummer van Junior dat er dus nooit kwam) en op eigen scenario Tioe de Kleine Sioux.

Maar het was allemaal niet zijn kopje thee. Bovendien bleven zijn voorstellen systematisch geweigerd worden door Charles Dupuis. Roba was het zat en wilde naar Kuifje overstappen om daar eventueel wèl gepubliceerd te worden. Maurice Rosy, de creatieve decision maker van het weekblad en de artistieke rechterhand van hoofdredacteur Delporte, was integendeel wel overtuigd van Roba's kwaliteiten en wilde hem bij Robbedoes houden. Voor zijn nieuwe voorstel zocht Roba naarstig naar een held waar hij als debutant mee kon uitpakken. Hij wist dat hij graag kinderen tekende en dieren, voornamelijk honden. Hij zocht het niet te ver en bedacht een microkosmos met een papa, een mama, een zoon en een hond. Bollie baseerde hij op zijn zoon Philippe, bijgenaamd Boule (de Franse naam van Bollie), en Billie op de cocker spaniël des huizes. Rosy was overtuigd, nu Dupuis nog. Hij schreef voor Roba een gag voor Bollie en Billie die Roba tekende. Rosy liet de plaat verkleinen tot het formaat van het weekblad, inkleuren en bewerken alsof het een gedrukte pagina betrof. Hij gleed de pagina zonder Roba's handtekening bij proefdrukken van het Robbedoes-nummer waar de redactie net aan werkte. Rosy stond op Charles Dupuis' vingers te kijken terwijl hij door de drukproeven bladerde. Bij de gag van Bollie en Billie riep de uitgever in extase uit: "Van wie is dit?" En Rosy antwoordde: "Hij staat in de gang...Mag ik hem halen?" Roba kwam binnen. Het staaltje blufpoker werkte. Rosy mocht een plaatsje zoeken voor Bollie en Billie in het blad.

Ondertussen broedde Delporte op een concept om miniboekjes in het midden van het weekblad te voegen die lezers zelf moesten vouwen en nieten om er een mini-album van te maken. Debuterende tekenaars konden zo een kans krijgen en er kon al eens gefreewheeld worden. Met De Smurfen bijvoorbeeld, die hun eerste avonturen buiten de reeks Johan en Pirrewiet in microverhalen beleefden.

Op 24 december 1959, in Spirou nummer 1132, kwam Bollie en Billie aan de beurt met het verhaal Boule Contre les Mini-Requins. De microverhaaltjes liepen in het Nederlands pas vanaf nummer 1135 waardoor het allereerste verhaal van Bollie en Billie aan de Nederlandstaligen verloren ging. Maurice Rosy hielp Roba met de decoupage en het verhaal. Pas veertien weken later verwelkomde het weekblad op de eigen pagina's het eerste kortverhaaltje van Bollie en Billie: Alle Visjes Vliegen, ook in vertaling. En daarna duurde het nog eens 23 weken voor de volgende gag. Van dan af werd Bollie en Billie een vaste waarde, een graag gelezen, populaire gagserie en een albumreeks waar meer dan 25 miljoen exemplaren van verkocht raakten.

In 1985 gaf Dupuis met een hertekende cover het microverhaal van Bollie en Billie opnieuw uit in de collectie Pareltjes uit de Microverhalen. Het verscheen meteen ook voor het eerst in het Nederlands. De collectie schopte het niet verder dan dit eerste gepubliceerde albumpje. Eind april 2014 gaf Dupuis een Franse herdruk uit met het complete microverhaal, de opnieuw ingekleurde, oorspronkelijke cover en een altijd weer interessant achtergronddossier.

O ja, wat is er dan gebeurd met die eerste gag waarmee Rosy Dupuis over de streep trok? Helaas verdween de pagina spoorloos zonder dat het gepubliceerd raakte. Roba, Rosy en meneer Dupuis waren de enige lezers van die gag.


Verloren notities nekten Na de Incal
26/04
TOP
De werkwijze voor de sf-klassieker De Incal verliep onorthodox. Bedenker Alejandro Jodorowsky en uitvoerder Mœbius ontmoetten elkaar. Terwijl de tekenaar notities nam en paginaopzetten in sneltempo schetste, vertelde Jodorowsky het verhaal aan hem en beeldde het voor hem uit. Mœbius hield er niet van als Jodo op een klassieke manier het scenario voor hem schreef. Daarna tekende Mœbius de platen en stuurde ze naar Jodo op. Hij kwam nagenoeg aan één getekende plaat per dag. Jodo ging vervolgens aan de slag om de teksten te finaliseren. Dat ging zes albums, de lengte van de complete Incal-cyclus goed, maar bij de vervolgcyclus Na de Incal liep het grandioos mis.

Als vanouds had Jodo het verhaal gedicteerd waarop Mœbius het scenario bij de uitwerking ervan kwijtspeelde. Hij herwerkte het verhaal op zijn eigen manier en overhandigde Jodo de pagina's zonder dialogen of teksten. Jodo voegde vervolgens teksten toe aan het verhaal dat soms wel, soms niet leek op wat hij oorspronkelijk had bedacht. Uiteindelijk schaamde Jodo zich voor de aanwezigeid van sommige elementen zoals de vier John Difools, maar ook door het wraakroepend idee te lanceren dat de hele De Incal-cyclus 'maar' een droom was. Het duo besloot om ermee te stoppen.

Jaren later hernam Jodo het sequelidee en werkte het uit voor de Mexicaanse tekenaar José Ladrönn. Hij excuseerde zich ineens voor het droomidee. Final Incal kon beginnen. Maar de 'gevaarlijke werkwijze behield hij. Ook Ladrönn noteert en schetst terwijl Jodo het verhaal honderduit aan hem vertelt en lals een acteur de rolletjes vertolkt. De methode werkt omdat beide heren volgens Ladrönn op dezelfde artistieke golflengte zitten. En effectief, van Final Incal bestaan ondertussen drie albums (deel 3 moet nog vertaald worden) die een afgerond geheel vormen. Het verhaal gaat verder in nog eens drie albums waardoor ook Final Incal, net zoals De Incal en de prequelcyclus De Jeugd van John Difool (getekend door Zoran Janjetov), zes delen zal tellen. En nu duimen dat Ladrönn zijn notities niet verliest!

Dit feit doet wat denken aan een ander roemrucht scenarioverlies. Na het Bernard Voorzichtig-verhaal Twee voor Thee was er sprake van een vervolg, hoewel een poll in Pep, waarin het verhaal voorgepubliceerd werd, en de verkoop van het album enigszins tegenvielen en tekenaar Daan Jippes zelf met verhaalvoorstellen rondliep. Twee in Tibet (Thee voor Tibet volgens andere bronnen) zou Bernard naar een monnikenklooster in de Himalaya voeren. De Deense uitgever van het album vroeg begin jaren 1980 om met een eigen scenarist en tekenaar de serie verder te zetten, maar Martin Lodewijk weigerde: "Het was echt niks". De buitenlandse belangstelling moedigde het duo wel aan om het te proberen met een andere, jonge tekenaar. In overleg met Jippes zette Rob Phiellix zich aan het werk. Het project strandde snel. Het heilige vuur ontbrak. Later ging de map met het volledig uitgeschreven scenario van Twee in Tibet met wat adressen en aantekeningen verloren, vermoedelijk in een telefooncel aan de Theems vlakbij Cleopatra's Needle. Toen Lodewijk het verlies bemerkte, keerde hij met een taxi terug, maar de map was verdwenen. Een tweede versie van het scenario bleef een 'spookverhaal' want het lukte hem niet enkele essentiële onderdelen van de plot te reconstrueren. Lodewijk beweerde later dat er voldoende elementen inzaten voor een langlopende reeks. We zouden Bernard en Contance ouder zien worden terwijl het verhaal kon voortduren tot de Eerste Wereldoorlog en nog verder tot in de jaren 1930.
(Bron: Damien Perez — Casemate 69, april 2014)


Onvoltooid project (11): hertekening van Johan en Pirrewiet 3
19/04
TOP
Mocht je een exemplaar hebben van het album Johan en Pirrewiet 3: De Dwerg in het Rotsbos, haal het er dan eens bij. Vergelijk vervolgens de eerste zes pagina's met de versies die je onderaan dit artikel kan bekijken door op de afbeeldingen te klikken. Het gaat inderdaad om compleet hertekende platen.

De eerste druk van het album verscheen in 1955, zowel in het Frans als in het Nederlands als softcover. Voor een latere herdruk had Peyo het plan opgevat een van zijn grootste succesnummers, het verhaal waarin Johan (de schildknaap van de koning) de dwerg Pirrewiet leert kennen, te hertekenen voor een geplande herdruk van het album in 1967 — in het Frans voor het eerst in gekartonneerde vorm. Zo kon het aansluiten bij zijn toenmalige tekenstijl die ronder oogde. Oudere verhalen van De Smurfen, die als microboekjes in het weekblad Robbedoes verschenen, begon Peyo met zijn studiomedewerkers in de jaren 1960 ook te herkenenen voor de albumuitgaven. Bovendien hermaakte de door Peyo zo bewonderde Hergé en zijn studio ook systematisch oudere Kuifje-verhalen.

Als test mocht de jonge studiomedewerker François Walthéry een paar halve platen tekenen naar het oorspronkelijke voorbeeld. Hij was er zelf niet van overtuigd, Peyo net zo min. De schepper van Johan en Pirrewiet vertrouwde het hertekenwerk achteraf nog toe aan zijn andere studiomedewerker Derib. Meer dan zes platen raakten er niet hertekend. Een nieuwe coverillustratie was wel een optie. Sindsdien verschenen alle herdrukken met de gemoderniseerde coverversie. De inhoud was dezelfde zoals in 1955. Walthéry's versie vind je onder de zes platen.
(Bron: Hugues Dayez / Alain De Kuyssche — Johan et Pirlouit L'Intégrale 1, december 2013)





Largo Winch passeert XIII voor parfumreclame
12/04
TOP
William Vance startte zijn carrière als illustrator voor reclamebureaus. Pas na zes jaar waagde hij zich aan strips. Een illustratie voor een reclamecampagne van Christian Dior, voor het mannenparfum Eau Sauvage, had in 2001 dus een kolfje naar zijn hand moeten zijn. Vance werd specifiek gevraagd om de populaire stripheld XIII te gebruiken. Maar uiteindelijk viel de keuze op een ander strippersonage voor het campagnebeeld: Largo Winch.


Het niet-gebruikte originele schilderij van XIII dook later op op een stripveiling van Millon & Associés. Volgens schatting had het tussen de 4.500 en 5.000 euro moeten opbrengen, maar de illustratie raakte niet verkocht. Bij Artcurial vond het wel een koper. De verwachtingen lagen lager, tussen 2.500 en 3.500 euro, en een koper had er 4.337 euro voor over.

Het Franse Dior heeft een traditie opgebouwd om bekende koppen in te zetten voor de promotie van het parfum. Acteur Alain Delon, voetballer Zinédine Zidane, zanger Johnny Hallyday, allen met een zwarte trui met grote rolkraag waar het parfum in is doordrongen. En ook Corto Maltese van de Italiaanse tekenaar Hugo Pratt achtte Dior cool genoeg voor de promotie van Eau Sauvage, een van de best verkochte mannenparfums.



Een berooide Philippe Delaby in zak en as, en toen kwam Murena
05/04
TOP
Philippe Delaby en Jean Dufaux als Romeinse generaal en senator, getekend door Delaby

Bij het ophalen van herinneringen aan de op 29 januari 2014 overleden tekenaar Philippe Delaby raakten ook minder fraaie passages in zijn carrière bekend. Over hoe hij na het stopzetten van De Poolster op zwart zaad zat, op straat kwam te staan en bij zijn uitgever moest logeren. Die uitgever, Yves Schlirf, getuigt:

"Philippe Delaby nam deel aan het avontuur Dargaud Benelux vanaf het oprichten ervan, of toch ongeveer. Het was een periode dat we nog zelf de parlofoon beantwoordden. Op een winteravond belde Delaby om ons te vertellen dat hij in de buurt is en dat hij geen geld meer heeft om te leven. We onthaalden hem natuurlijk om zijn moraal op te krikken. Tot zijn grote verbazing stelden we hem voor dat hij kon overnachten op de zetel die we in de gang hadden geplaatst. We hebben hem enkele weken lang te eten en te slapen gegeven, totdat er een oplossing was gevonden. En omdat hij in die periode last had om te kunnen werken, liet ik hem achter mijn bureau plaatsnemen.
Bijna twee jaar lang tekende hij Murena aan het bureau achter mij. Toen de situatie verbeterde, vonden we voor hem een hotel dichtbij het Noordstation voordat we hem hielpen te verhuizen naar een appartelent in het Kuifje-gebouw. Zo kon hij beetje bij beetje uit het dal klimmen."

Om die reden bleef Delaby uitgeverij Dargaud trouw, zo vertelde Schlirf nog verder, hoewel andere uitgeverijen hem gouden bergen beloofden. Ook de band met Jean Dufaux was zeer sterk. Aan hem en dankzij het voorstel om Murena te tekenen, raakte de tekenaar pas goed gelanceerd. Na het voltooien van elk album bood Delaby zijn uitgever een originele plaat aan, uit erkentelijkheid voor de geboden hulp.

Delaby's laatste album in de tweede cyclus van De Klaagzang van de Verloren Gewesten was nog niet afgewerkt. In eerste instantie werd zijn voormalige assistent Jérémy Petiqueux gevraagd om de laatste 21 platen te tekenen. Nadat hij weigerde kwam Dargaud terecht bij Grzegorz Rosinski, de tekenaar van de eerste cyclus. Hij liet de kelk eveneens aan zich voorbijgaan omwille van tijdsgebrek voor zijn eigen stripreeks Thorgal. Het zag er vervolgens even naar uit dat Mohamed Aouamri de uitverkoren tekenaar zou worden, tot Jérémy uiteindelijk toch toezegde.

Wat Murena betreft, willen zowel Delaby's echtgenote Valérie als Dufaux de reeks voortzetten en beëindigen. Maar een beslissing tot een overname is er nog niet genomen.
(Bron: Frédéric Bosser — dBD 82, april 2014)


Het werk van André Franquin geplunderd door Spanjaard Francisco Ibañez
15/03
TOP
In de jaren 1970 en 1980 konden we in vertaling kennismaken met de albums van de Spaanse auteur Francisco Ibañez. Tientallen albums van het slapstickdetectiveduo Paling en Ko en enkele van Tom Tiger + Co kwamen op de markt terecht. Dat Ibañez zich toetste aan het werk van André Franquin viel flagrant op in de figuur van het luie kantoorhulpje Tom Tiger die eruitziet als Guust Flater in het pakje van Robbedoes.

Maar de 'hommage' gaat verder, veel vedrer. Ibañez schroomde zich niet om tientallen gags van Guust, grappen uit Robbedoes en Kwabbernoot, personages, wagens, trams, decors en andere zaken uit beide reeksen van Franquin klakkeloos over te nemen in zijn eigen strips. Op deze website hield een Fransmande plundertocht bij.

Ibañez kon er in eigen land makkelijk mee weglopen. Onder de dictatuur van generaal Franco, die regeerde tot zijn dood in 1975, werden er bitter weinig buitenlandse tijdschriften in de Spaanse kranten of in album gepubliceerd. Kuifje, Asterix en Lucky Luke waren uitzonderingen. Pas later volgden Robbedoes en Kwabbernoot en Guust.

Maar wat vond Franquin zelf van deze imitatie? In De F van Flater liet hij in 1982 optekenen: "Ja, Tom Tiger, dat vind ik erg leuk. Ik ben een keer in Spanje geweest en toen heb ik die strip dar gezien. Ik moest er erg om lachen, de grappen zijn goed, geloof ik. Ik heb zelfs eens aan de hoofdredacteur van Robbedoes voorgesteld een aflevering van Tom Tiger in Robbedoes te laten publiceren, met als onderschrift dat Guust een neef heeft in Spanje."

Een laconieke reactie dus, en je kon hem er niet kwaad mee krijgen. Franquin was zelfs begripvol en nam het sportief op. De interviewer probeerde het nog met de vraag "Het is toch pure imitatie?": "Ja, maar de tekenaar heeft een eigen persoonlijkheid en zijn tekenstijl is heel anders. Dat maakt een groot verschil. Waarschijnlijk heeft zijn uitgever tegen hem gezegd: 'Kijk, dit is Guust, kun je voor mij niet iets dergelijks maken?' En dat heeft hij toen gedaan, in zijn eigen stijl. In het Frans wordt Tom Tiger niet gepubliceerd, dus veel heb ik er niet van gezien. Het gekste vind ik wel dat de hoofdfiguur het gezicht heeft van Guust, maar dan zonder zijn haar, en het kostuum van Robbedoes. Het zou een goede grap zijn als ik op mijn beurt een van de grappen uit die strip in Guust zou verwerken!"


Onvoltooid project (10): Blueberry 1900 door François Boucq en Jean Giraud
08/03
TOP
Op een expo van Jean-Claude Mézières in Brussel ontmoetten François Boucq en Jean Giraud elkaar. Boucq kwam net terug van een reis naar Arizona waarover hij honderduit vertelde en er ter plaatse gemaakte aquarellen van liet tonen. Giraud op zijn beurt vertelde over een ideetje dat hij had voor een spin-off van Blueberry die Blueberry 1900 zou heten. Het idee vloeide voort uit een dagdroom die Giraud had in 1981 toen hij nog in de Pyreneeën woonde ten tijde van De Lange Mars dat hij met Michel Rouge maakte. In Blueberry 1900 was er sprake sprake van de zoon van Blueberry (die geen grote rol zou spelen) en er kwamen gewelddadige, sjamanistische hallucinaties in voor. Maar dat stootte tegen de borst van Philippe Charlier, de zoon van Blueberry-bedenker Jean-Michel Charlier die erover waakt dat de westernreeks van zijn vader zijn down to earth-karakter behoudt. Hij stelde zijn veto tegen Blueberry 1900.

Philippe Charlier had ook iets tegen het scenario van Fort Mescalero, een Blueberry-verhaal vol magie en droomwerelden waar Giraud in 1999 aan werkte. Er mocht van rechtswege geen enkel Blueberry-verhaal verschijnen zonder dat Philippe daar ook zijn zegen over heeft gegeven. Hij is voor vijftig procent eigenaar van het personage en moet om die reden over alle beslissingen in verband met het personage, de reeks en de nevenpersonages worden ingelicht. Als voorbeeld voor de weigering van Blueberry 1900 gaf hij aan dat hij niet houdt van een totaal passieve, mediterende Blueberry en een president die onder de bezwering staat van Hopi-indianen en begint te leviteren in het Witte Huis (het ging over de moord op president William McKinley). Dit was niet naar de geest van zijn vader, vond Philippe. Boucq had wel al voorbereidende schetsen gemaakt waarvan je er hier twee ziet staan.



Boucqs Blueberry in het jaar 1900 kreeg het uiterlijk van de hiernaast afgebeelde Franse zeiler Eric Tabarly op het eind van zijn leven. Hij verdween op zee verdween en werd vijf weken later dood teruggevonden nabij Ierland. De bedoeling was om Blueberry 1900 in vijf albums te vertellen. Voor Boucq waren er dat te veel, liever in drie. Kort daarop was het tijd voor een nieuw album van Maankop op scenario van Alejandro Jodorowsky, maar er waren moeilijkheden met uitgeverij Casterman. Na het Maankop-album verhuisden ze naar Les Humanoïdes Associés om er de westernreeks Bouncer voor te stellen... Het werd dus aangenomen. Of hoe Blueberry Boucq alsnog in de richting van het westerngenre duwde.


Henk Kuijpers in Baberiba
01/03
TOP
In 1974 gaf uitgeverij Oberon een proefnummer uit van het stripblad Baberiba dat een maandblad moest worden. Het bleef bij dit ene nummer. Fred Julsing ontwierp een meisje dat het gezicht van het blad was. Zij introduceerde elk van de kortverhalen in een toegevoegd plaatje boven, in of radicaal op de eerste strippagina van elk verhaal. Julsing tekende ook een kortverhaal, net zoals Don Lawrence (met het verhaal De Zoon van de Jager), die toen bekend was van Trigië, Jos Looman en Henk Kuijpers. Kortverhalen van buitenlandse tekenaars haalde Baberiba uit onder meer het Franse Pilote. Het zijn verhalen of gags van Alexis, Claire Bretécher, Fred, Marcel Gotlib, Florenci Clavé, Benito Jacovitti en de verdwaalde Amerikaan Dik Browne met ene gag van Hägar.

Henk Kuijpers' vier pagina's tellende verhaal Talentenjacht maakte hij op scenario van redacteur Jan van Erp. Hij tekende het tussendoor terwijl hij aan zijn eerste vervolgverhaal voor Pep werkte. Pas een jaar voordien, in 1973, klopte de autodidact bij de redactie van Pep aan. Drie kortverhalen verschenen vervolgens in het weekblad. En in 1974 startte Het Misdaad Museum met Franka als nevenpersonage. Het basisidee van Talentenjacht, over een vermommingskunstenaar en imitator, kwam later nog van pas voor het verhaal Circus Santekraam, deel 5 in de reeks Franka. In de luxe-editie van Circus Santekraam werd Talentenjacht opgenomen. Klik op de afbeeldingen hieronder en lees het complete kortverhaal zoals het in Baberiba verscheen.



Franquin à gogo
22/02
TOP
In 1969 liep op de Waalse openbare omroep RTBF het tv-programma Comics à Gogo, een amusementsprogramma met muziekclipjes die in een stripthema werden geforceerd. Zo werd de geboorte en ontwikkeling van een strip uitgelegd, van het ontwerp van een figuurtje over het drukken van een strip tot het verspreiden ervan in boekenwinkels. Voor elk van deze etappes kwamen zangers, zangeressen of groepjes het verhaal achter een strip opluisteren. Yves Duval, de veelschrijver die meer dan duizendvijfhonderd verhalen schreef voor onder meer William Vance, Berck, Édouard Aidans, Dino Attanasio, Eddy Paape, Philippe Delaby en vele andere tekenaars die voor Kuifje werkten, was verantwoordelijk voor het script van het tv-programma.

Niemand minder dan André Franquin verzorgde de illustraties voor de openingssequenties en de aftiteling. Zo werden onder meer The Flirtations, Sadi, Wallis, Les Clodettes (de danseressen van Claude François), The Blossom Toes, Jacques Dutronc, Virginia Vee en Marie Laforêt aangekondigd. De tekeningen werden ook ingeschakeld voor clipjes. Bekijk hier eens het clipje van Marie Laforêt. Het liedje wordt voorafgegaan door André Franquin die in een futuristisch decor een originele tekening van het voor het programma ontworpen figuurtje aan een jongetje geeft. Vervolgens zie je dat figuurtje als decor voor het clipje in interactie met de zangeres.


Boycot De Blauwbloezen!
15/02
TOP
"Je mag lachen met alles, maar niet met iedereen", is een uitspraak van de Franse komiek Pierre Desproges (1939-1988) die gekend stond om zijn zwarte humor en heel wat gevallen van censuur. Niet iedereen lustte zijn uitlatingen. Ook stripscenarist Raoul Cauvin diende in zijn lange schrijfcarrière enig weerwerk te slikken. In De Blauwbloezen 20: Black Face nam hij resoluut standpunt in tegen de behandeling van zwarten tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog door zowel de Zuidelijken (die zwarten als slaven hielden) en de Noordelijken (die heus geen oorlog begonnen om de zwarten te bevrijden). In het album waren de zwarte soldaten in het Noordelijke leger maar goed genoeg om graven te delven. Het album verscheen in 1983 en veroorzaakte geen deining.


Polemiek
Anders was het gesteld met De Blauwbloezen 35: Kapitein Nepel dat exact tien jaar later verscheen, in 1993. Cauvin schreef het verhaal over een racistische kapitein om zich te amuseren. Tekenaar Willy Lambil kreeg echter schrik want de Franse televisie kwam hem en ook Cauvin interviewen over het vileine personage dat deed denken aan Jean-Marie Le Pen, de frontman van het Front National, de Franse extreemrechtse partij. Een verwijzing naar het zwarte ooglapje lag er dik op. Le Pen verloor in 1957 zijn linkeroog in een gevecht met een politiek tegenstander en droeg lange tijd een ooglapje. Cauvin ontving enkele brieven waarin zijn keuze om Le Pen ten tonele te voeren als strippersonage werd betreurd en hij kreeg ook enkele artikels uit extremistische kranten onder ogen waarin werd opgeroepen om de aanschaf van al zijn series te boycotten. Ook het Waalse Front National wilde De Blauwbloezen in de ban slaan. Dat de verkoop er drastisch onder leed was niet bepaald het geval. Een rechtstreeks gevolg was wel dat de auteurs zich sindsdien gedeisd hielden om verdere polemieken te vermijden.


Cauvin racist!
Cauvin kreeg zelf ook ooit het verwijt naar zijn hoofd geslingerd als zou hij een vuile racist en een afgrijselijke vrouwenhater zijn. In een verhaal van Vrouwen in 't Wit liet hij een patiënt sterven waarop een dokter tegen de verpleegster zegt zijn vrouw erbij te halen zodat ze hem in zijn laatste momenten kan bijstaan. Daarop stormt een tiental vrouwen de kamer binnen want de stervende is een emir.

Met dank aan de Zuidelijken
Voor het album Duel in het Kanaal blokkeerde Lambil compleet toen hij de schepen Alabama en Kearsarge moest tekenen. Cauvin maakte er zich in zijn scenario vanaf door Lambil erop te wijzen gewone schepen te tekenen, maar voor Lambil moest het kloppen. Hij wordt er immers op afgerekend als historische details niet kloppen. Beide schepen leken op elkaar, maar op welke manier onderscheidden ze zich van elkaar? Hij slaagde er niet in om enkele platen af te werken todat hij hulp kreeg... van een Waalse club gepassioneerden voor het Zuidelijke leger. De CHAB, The Confederate Historical Association of Belgium, kwam de tekenaar te hulp. De voorzitter leende hem een maquette uit en hij kon gebruik maken van een gedetailleerd strategieplan voor een beter begrip van de slag tussen beide schepen. Uiteindelijk koos Lambil toch voor het scenario van Cauvin, enkele fouten incluis. Voor latere albums kwam ook de Franse club van Geconfedereerden en Federalen van pas om documentatie op te vragen.

Diefstal
Een crimineel, maar in feite ook wel duidelijk eerbetoon aan het werk van Lambil uitte zich in een diefstal. In zijn woonplaats Sambreville, in de provincie Namen, verwelkomen diverse plakkaten met De Blauwbloezen de bezoekers van het stadje. Dat was een ideetje van toenmalig prins Filip. Tijdens een bezoek werd de prins voorgesteld aan Lambil en Cauvin. Hij suggereerde aan de burgemeester om een welkomstbord aan de ingang van de stad te plaatsen. Er kwam een dozijn plakkaten. Een maand later rukte een 'verzamelaar' er een uit. Daarna werden de andere borden vastgelast.



Bange kindjes voeren Rik Ringers-film af
01/02
TOP
Nadat Rik Ringers in 1955 voor het eerst in het weekblad Kuifje verscheen, won de detectivereeks stormenderhand de gunst van het publiek. In een eerste referendum bereikte Rik Ringers de vierde plaats, op slechts één puntje van Kuifje van tienduizend getelde punten. Jaar na jaar klom de held van Tibet en André-Paul Duchâteau op om uiteindelijk de meest geliefde reeks van het weekblad te worden. En fier dat de auteurs waren!

Het succes ontging natuurlijk ook de uitgever niet. Al behoorlijk vroeg, in 1967, zag Raymond Leblanc, de zaakvoerder van Le Lombard, uitgever van het weekblad Kuifje, en de grote baas van animatiebedrijf Belvision, een cinematografisch leven in Rik Ringers. Om het realisme van Tibet alle eer aan te doen, leek een film met acteurs meer aan de orde dan een tekenfilm. De jonge Patrick Ledoux, gespecialiseerd in films voor televisie, blikte een kortfilm van 26 minuten in, zwart-wit, bestemd voor televisie. Jacques Lippe, die in die tijd enige bekendheid genoot in Wallonië, vertolkte Baardemakers terwijl de jonge Daniel Vigo als Rik Ringers ten eerste al zijn gelijkenis meehad met het strippersonage.

Het verhaal van Signé Caméléon was gebaseerd op een ouder verhaal, De Ontvoering, waarin commissaris Baardemakers wordt bestolen. Er is een topsecretdossier uit zijn appartement ontvreemd. Baardemakers herkent het werk van Otto Nader, maar dat heerschap overleed drie jaar geleden in de gevangenis. Rik zet zijn tanden in de zaak en ontmaskert na een avontuur vol suspens de dief alias de Kameleon. De film moest televisiezenders ervan overtuigen dat er een langere televisiereeks in zat. Daar was hun steun voor nodig als coproducer. Maar de zenders zagen er integendeel geen potentieel in. Het bleef bij deze ene televisiefilm.



Uiteindelijk belandde de kortfilm in de cinema als voorfilm van de succesvolle tekenfilmadaptatie van Asterix en Celopatra, een andere productie van Belvision. Helaas maakte een close-up van het enge masker van de Kameleon de jeugdige toeschouwers bang. Ook de dreigende muziek zorgde ervoor dat de film onmiddellijk uit roulatie werd genomen.

Rechts bovenaan dit artikel zie je een illustratie van Tibet die hij speciaal voor het storyboard van de film maakte. Op de linkse foto hieronder flankeren Tibet (links) en André-Paul Duchâteau (rechts) als figuranten Mireille Baert, de actrice die Nadine, het nichtje van Baardemakers, speelde.
(Bron: Daniel Couvreur — Belvision "Le Hollywood Européen du Dessin Animé", 2013)



Marvin Gayes Sexual Healing met dank aan een erotische strip in Oostende
11/01
TOP
Sexual Healing, een song van Marvin Gaye uit 1982, is een van de beste liedjes aller tijden. Neem het niet van ons aan, het gezaghebbende muziekmagazine Rolling Stone nam het meermaals op in een overzicht van de vijfhonderd "greatest songs of all time". Laatst zagen we de clip ook nog passeren in een Duits muziekprogramma over de honderd meest invloedrijke muziekvideo's aller tijden. En wat blijkt? Er zou een erotische strip aan de basis liggen voor de titelkeuze.

Zoals de muziekgeschiedenis je leert, bleef Marvin Gaye in de winter van 1981 in Oostende hangen na een Europese tournee, moeilijkhednen met de IRS en het einde van zijn tweede huwelijk. Hij worstelde met een depressie en een cocaïneverslaving. In Oostende raakte hij van er weer bovenop en brak met platenlabel Motown. Na een kleine tournee in Engeland en twee optredens in het Casino Kursaal van Oostende bleven twee van Gayes muzikanten, Gordon Banks en Odell Brown, eveneens in Oostende plakken. Gaye had nieuwe plannen na het beluisteren van reggaemuziek in Engeland. Terwijl hij werkte aan een lied kwam Rolling Stone-journalist David Ritz hem bezoeken.

 
Ritz beweerde later dat hij een verzameling sadomasochistische strips zag die Marvin Gaye verzamelde. Het ging om onder meer Paulette van Georges Pichard op scenario van Georges Wolinski. Paulette was eind jaren 1970, begin jaren 1980 hot. Ook in vertaling verschenen alle zeven albums bij Loeb. In 1986 draaide Claude Confortès er een filmversie van: Paulette, la Pauvre Petite Milliardaire. Ritz adviseerde Gaye na het bekijken van de strips, die welig tierden van bondage, sm en ander liederlijk vertier, "sexual healing". Toen Ritz aan Gaye verder uitlegde wat hij daarmee bedoelde, vroeg Gaye hem er een gedicht over te schrijven. Hij bedacht er een melodie bij.

Mooie claim van Ritz, maar in een interview uit 1994 met Oostendenaar Freddy Cousaert, part-time concertpromotor die Gaye onder zijn hoede nam, luidt het enigszins anders. Gaye en Odell Brown schreven gewoon de lyrics. Ritz' bijdrage bleef beperkt tot de titel. In een interview in 2012 vertelde Gordon Banks dan weer dat Gayes stripverzameling niet het onderwerp was voor het gesprek tussen de zanger en de journalist, maar wel zijn fascinatie voor de Amsterdamse Walletjes. Hoe dan ook gaf Gaye de credits voor de titelkeuze aan Ritz. Deze laatste wilde die erkenning ook graag in geld uitbetaald zien. Hij kloeg Marvin Gaye aan voor 15 miljoen dollar voor de gedeeltelijke credits op de song. Een regeling kwam er pas na Gayes dood, hoewel zijn aanklacht onontvankelijk werd verklaard in 1983 wegens gebrek aan bewijs.

In elk geval betekende Sexual Healing en het in België opgenomen album Midgnight Love zijn comeback... zijn immense comeback zeg maar. Sexual Healing won twee Grammy's (de enige die Gaye in zijn carrière won!) en haalde platina in de States voor de verkoop van meer dan twee miljoen exemplaren. Het werd opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. Van het album Midnight Love gingen wereldwijd meer dan zes miljoen exemplaren over de toonbank. De clip van Sexual Healing werd trouwens opgenomen in het Casino Kursaal.


Onvoltooid project (9): Asterix in Caledonië door François Corteggiani
04/01
TOP
In 2010 kregen diverse scenaristen het voorstel om een nieuw verhaal van Asterix te schrijven. Acht gingen op het voorstel in. Onder hen Christophe Arleston, Julien Berjeaut (die onder het pseudoniem Jul cartoons voor de pers en komische reeksen als Silex and the City publiceert) en dus ook Jean-Yves Ferri die het van de anderen won. Ook François Corteggiani waagde zijn kans. Van de drie voorstellen die hij uitwerkte, was er eentje waarin hij Asterix liet reizen naar Caledonië, de naam die de Romeinen gaven aan het gebied in het hedendaagse Schotland. Op datzelfde idee kwam dus ook Ferri met zijn Asterix bij de Picten.

Corteggiani stelde op zijn blog het gedetailleerde synopsis van zijn Asterix in Caledonië voor met daarbij de eerste acht pagina's van het scenario met alle dialogen waarvan hij de eerste twee ook als storyboard uitschetste. Er komt een zwaard in voor dat later bekend zal worden als Excalibur.


Onvoltooid project (8): Advocatenserie van bijna-Sammy-tekenaar Bédu
28/12
TOP
In een eerdere update hadden we het over Mischa, een 'geheime' serie van Berck die hij exclusief voor de Duitse markt maakte. Tegelijk tekende de noeste Vlaamse tekenaar ook nog de reeksen Sammy voor Robbedoes, De Donderpadjes en Lowietje voor Sjors en diverse verhalen voor Zonneland. Te veel voor één tekenaar, dus kwam er een soort Berck-studio. Een van zijn assistenten was Bédu, en hij getuigt hierover: "Berck verdeelde het werk en elk maakte het bij zich thuis. Er heerste een beetje een omerta bij hem. We zagen elkaar niet, we kenden elkaar zelfs niet. Er waren in feite veel Vlaamse tekenaars die met hem werkten. Ik was quasi de enige Franstalige." Dat laatste klopt niet. Hurey was een van die Vlaamse tekenaars. Jean-Pol werd meermaals gevraagd, maar dat heeft hij steeds geweigerd want hij had zelf al genoeg eigen series lopen. Guy Bollen, Francis Bertrand, Armand Sorret, Lucien De Gieter, Léo Loedts, Willy Ophalvens en anderen doorliepen ook assistentenrolletjes bij Berck.

Dat assistentenwerk bestond voornamelijk uit het inkten van de door Berck geschetste personages en het toevoegen van het decor. Op een blauwe maandag hielp François Walthéry een enkele keer Berck uit de nood voor een aflevering van Lowietje in Eppo. In februari 2013 raakte bekend dat ook Yann en Conrad eventjes insprongen voor Lowietje. In 1979-1980 maakten ze bovendien enkele testpagina's voor Sammy. Een langduriger samenwerking was dus weggelegd voor Bédu. Vier jaar lang om precies te zijn, te beginnen met Mischa (waarmee hij zijn plan moest treken op basis van het scenario dat hij van Berck kreeg doorgespeeld) en daarna De Donderpadjes en Lowietje.

Lowietje was geschreven door Raoul Cauvin, maar om contractuele redenen mocht dat niet bekend zijn. Cauvins naam stond er dus niet bij vermeld. Bédu herkende al wel de manier hoe Cauvin scenario's aan zijn tekenaars leverde want die kwamen overeen met de scenario's van Mischa die Cauvin anoniem voor Berck schreef. Assistenten moesten sowieso niet rekenen op een naamsvermelding. Bédu: "Berck gebruikte zijn tekenaars. Ik weet niet meer wie me voorafging. Op een keer vroeg hij me om op korte termijn de reeks Sammy over te nemen. Ik begon meerbepaald op plaat 28 van Lijfwachten en Koning Dollar. Ik tekende de decors en deed het inktwerk. Datzelfde werk deed ik voor Lijfwacht in de Kostschool en Heibel in de Woestijn. Onze samenwerking stopte bij het daaropvolgende deel omdat ik erin geslaagd was een project bij het weekblad Kuifje te lanceren." Dat project was Wakkie de Wasbeer in 1975.

Na achtereenvolgens de lanceringen van Proffie (1977), Ali Bamba (1979) en Hugo (1981) volgde Bédu in 1983 Turk op als tekenaar van Clifton op scenario van Bob de Groot. Tot 1989 maakten ze vier verhalen alvorens Bédu het zeel volledig naar zich toetrok tot 1993 voor nog eens drie verhalen. Tussendoor kwam er iets nieuws voor de tekenaar aangewaaid: De Psy. Die gagreeks kwam er op voorspraak van Philippe Vandooren, hoofdredacteur bij Robbedoes, na een ontmoeting op een stripfestival. Vandooren wilde Bédu best verwelkomen in het weekblad Robbedoes, maar Bédu zei dat hij zich niet onderlegd genoeg voelde om de techniek van gags van één pagina te beheersen. Vandooren stelde voor om samen te werken met Cauvin, maar Bédu was er niet te happig op om opnieuw met een scenarist in zee te gaan. De veranderingen bij het weekblad Kuifje in de jaren 1990, zeg maar de aankomende stopzetting ervan, bespoedigde Bédu's beslissing om te kijken of het gras aan de overkant groener is. Clifton tekende hij nog wel verder voor uitgeverij Le Lombard.

Bij hun eerste werkelijke ontmoeting keek Cauvin ervan op dat Bédu jaren tevoren al Sammy had getekend. Dat wist hij niet! Berck hield veel voor Cauvin verborgen wat de taakverdeling voor diens reeksen betrof. In het verlengde van Vrouwen in 't Wit en G. Raf Zerk wilde Cauvin een nieuwe komische serie maken voor adolescenten en volwassenen. Waarom niet over advocaten? Bédu maakte daar enkele ontwerpschetsen van (zie afbeelding bovenaan dit artikel) naar Cauvins suggesties. Hij documenteerde zich op toga's en andere kledij. Bij hun volgende ontmoeting was Cauvin niet meer overtuigd van zijn voorstel, Bédu net zo min. De scenarist zocht het nu meer in de richting van de psychologische experten die soms tijdens een proces worden ingeschakeld. Daar had hij al enkele gags over bedacht. Dat nieuwe idee werd uiteindelijk uitgewerkt als De Psy en van dan af ging het allemaal wel snel voor de reeks. Op 1 januari 1992 stond in Robbedoes de eerste aflevering. Cauvin had tussendoor ook voorgesteld om de scenario's van Hugo voor Bédu te schrijven, maar dat was geen optie voor de ambitieuze tekenaar.

En dan, in 1994, ging Berck met pensioen. Dupuis kocht de grafische rechten op de reeks en mocht bijgevolg zelf beslissen wie de nieuwe tekenaar zou worden, in samenspraak met Cauvin. Toen Bédu op een dag zijn platen van De Psy kwam afgeven op de redactie van Robbedoes, stelde Vandooren hem voor om Sammy over te nemen als volwaardig tekenaar. Berck was het idee genegen, meer zelfs: hij had de verantwoordelijken gezegd dat alleen Bédu de personages kon overnemen. Maar Bédu zag dat niet zitten. Hij tekende tegelijk de series Clifton en De Psy en wilde niet nog eens herbeginnen met een reeks. Datzelfde jaar verscheen het eerste album van De Psy en hij wist als geen ander dat hij zijn aandacht niet over te veel verschillende reeksen mocht verdelen wilde De Psy als bij voorkeur regelmatig verschijnende albumreeks een succes worden. Ook Cauvin had liever dat Bédu zich concentreerde op De Psy. Sammy ging naar Jean-Pol, eveneens een logische keuze gezien de gelijkaardige tekenstijl. Later werkte Cauvin zijn advocatengagserie alsnog uit, maar nu voor Arthur Piroton, de realistische tekenaar van Jess Long, die om werk verlegen zat. De eerste aflevering van twee gagplaten waren in 1996 ook meteen de laatste. Piroton overleed in januari 1996. De twee platen verschenen postuum op 28 februari 1998.


Onvoltooid project (7): Asterix door Daan Jippes en Lo Hartog van Banda
21/12
TOP
Sinds 6 december 2013 is in het Nederlandse Museum Meermanno een belangrijke vondst van stripjournalist en -all rounder Ger Apeldoorn terug te vinden. Hij ontdekte de scripts van Lo Hartog van Banda die bij het door Daan Jippes begonnen Asterix-verhaal De Lucullus Maaltijden horen. Apeldoorn vond die in het archief van Frits van der Heide, voormalig hoofdredacteur van Eppo nadat de stripbladen Pep en Sjors samengingen in Eppo. Apeldoorn schreef namelijk een boek over Pep dat in 2014 zal verschijnen.

De Lucullus Maaltijden, dat 32 pagina's moest tellen, bestaat als synopsis in drie pagina's. Vier pagina's schreef Lo ervan uit in dialogen. De eerste pagina tekende Daan Jippes in 1981, pagina 2 bestaat alleen in potloodvorm (zie hieronder). Hierboven zie je een reproductie van zijn geïnkte pagina die Daan Jippes eerder dit jaar als een gezeefdrukte poster uitgaf op slechts tien genummerde exemplaren. Lo schreef ook nog vijf gags van één pagina.


Begin jaren 1980 was het de bedoeling dat bij Dargaud het stripmaandblad Astérix Mensuel zou verschijnen om nog meer garen te spinnen uit de populariteit van de stripheld. Lo zag hierin een kans en bedacht losse gags en een verhaal waarin de Romeinen proberen de Galliërs uit hun dorp te verdrijven door een kunstmatige everzwijnenschaarste te creëren. Maar Astérix Mensuel kwam niet van de grond, bijgevolg bleef ook het Asterix-verhaal van Daan Jippes en Lo Hartog van Banda onafgewerkt. Hoe het ook kan uitgelegd worden, staat hier vermeld. Daar lees je ook hoe Lo Hartog van Banda van Asterix bij Lucky Luke verzeilde...

In het boek over Pep zullen trouwens heel wat covers staan die Daan Jippes van Asterix schilderde. Hieronder zie je de originele tekening voor de voorpublicatie van Asterix en het 1ste Legioen.



Onvoltooid project (6): Parallelle Alex-reeks door André Taymans en Jacques Martin
14/12
TOP
Op zijn blog trok André Taymans zijn archief open om uitleg te geven over zijn naar eigen zeggen kortstondige en tumultueuze samenwerking met Jacques Martin. In eerste instantie werd de tekenara van Caroline Baldwin benaderd om Alex te tekenen, en niet Lefranc waar het uiteindelijk op zou uitdraaien. Het zou meerbepaald draaien om een parallelle reeks van Alex die naast de door Rafael Moralès reeks zou lopen, allebei op scenario van Jacques Martin.

De Verdwenen Stad was bedoeld als eerste deel van die tweede reeks met Taymans als tekenaar. Het idee voor twee reeksen door twee verschillende tekenaars kwam van uitgeverij Casterman om het oponthoud tussen twee Alex-albums in te korten. Jacques Martin volgde aanvankelijk, maar bedacht zich later. Jaren nadien verscheen het album gewoon als deel 28 in de reeks, maar dan wel getekend oor Ferry en uitgeschreven door Patrick Weber. Behalve de titel bleef er niet veel over van het originele verhaal. Hierboven zie je achtereenvolgens de decoupage van Jacques Martin van de eerste twee platen, de in potlood uitgewerkte versies van André Taymans en tot slot de eerste plaat in inkt. Klik erop voor groter versies.

Enkele jaren later kwam men opnieuw aankloppen bij Taymans, maar deze keer voor Lefranc, die andere grote serie van Jacques Martin. Opnieuw bestond het voorstel uit een nieuwe reeks naast de bestaande, getekend door Francis Carin, met verhalen die zijn gesitueerd in de jaren 1950. Voor het eerste album wilde men gebruikmaken van een ongebruikt scenario van Jacques Martin uit 1952: De Meester van het Atoom. Dit scenario werd verder uitgeschreven door Michel Jacquemart. Hieronder vind je achtereenvolgens een testpagina van André Taymans, een in potlood opgezette plaat van Jacques Martin, een eerste geïnkte versie van Taymans en tot slot de definitieve versie met extra decors van Erwin Drèze. Taymans beweert dat zijn De Meester van het Atoom het best verkochte jaren 1950-album is na die van Jacques Martin.


Model sheet van Jerom-personage Ingelein
07/12
TOP
In november kon er op Catawiki.nl op een speciale Vandersteen-veiling geboden worden op bovenstaande originele tekening uit de jaren 1970. De illustratie in aquarel behaalde 340 euro. Volgens de info betrof het een voorstudie voor wat een spin-off moest worden van Jerom in zijn Gouden Stuntman-periode, dus zelf al een spin-off van de reeks Suske en Wiske. Ingelein is een nevenpersnage uit de reeks en is een zelfbewuste vrouw met enkele zwakheden (bang voor muizen is er dus een van). Paul Geerts is er de tekenaar van. Hij was toen al actief bij Studio Vandersteen, te beginnen met de Duitse productie van Jerom. Maar wat verkeerdelijk als spin-off werd voorgesteld, is niet meer dan een model sheet van het personage Ingelein als geheugensteuntje voor de andere studiotekenaars. Merho bijvoorbeeld heeft deze tekeningen meermaals in handen gehad.


De indiaanse roots van Olga Lawina
30/11
TOP
Dat de naam van de Zwitserse Olga Lawina, de rondborstige sidekick van Agent 327, is gebaseerd op een jodelzangeres uit de jaren 1950 is genoegzaam bekend. Maar wist je ook dat Martin Lodewijk even overwoog van het boomlange personage een indiaanse te maken? Op de eerste ontwerpschetsen tekende hij een knappe indiaanse in seventiesoutfit, al net zo behendig omspringend met een geweer en eveneens behept met een fraai voorsteven als het uiteindelijke personage. Lodewijk noteerde er de namen Indian Summer en Indian Lovecall bij.


Goedele censureert Manara
26/10
TOP
Bij een nummer van het inmiddels ter ziele gegane maandblad Goedele kon je in juli 2011 een "unieke, luxueuze heruitgave" kopen van "de beste erotische strip aller tijden". Het ging om deel 1 van Het Spel van Mino Manara, beter gekend als De Schakelaar. In deze specifieke hardcovereditie verscheen het verhaal nog niet in het Nederlands. De inkleuring en ook de cover waren volledig nieuw. Het album was geen coproductie met Sombrero of MaXima, twee eerdere uitgevers van het album. Het betrof een eigen uitgave van Sanoma, het immense bedrijf dat onder meer Goedele uitgaf.

Het erotische verhaal wordt halverwege onderbroken met een pagina waarop wordt uitgelegd dat er drie pagina's uit het originele verhaal niet zijn gepubliceerd "vanwege de gevoelige aard". De beslissing werd gemaakt in overleg met Manara en de uitgever. In de plaats kreeg de lezer twee bijkomende pagina's met los artwork van Manara. Deze beslissing viel te begrijpen want in de gewraakte of gecensureerde pagina's wordt een balorig jongetje door zijn moeder aangemaand te kalmeren door zich te masturberen. Omdat de opvarenden van het schip, waarop ook het hoofdpersonage Claudia een passagierster is, dit moeilijk kunnen geloven, dwingt de moeder haar zoontje dit te demonstreren. Maar omdat het niet wil lukken — ook niet nadat de moeder een handje helpt — springt Claudia in door haar mond te gebruiken. Het meneertje met de schakelaar, waarmee Claudia's seksuele driften worden opgevoerd, kijkt geamuseerd toe in de struiken van het strand waar de passagiers een pauze nemen. Voor de moeder gaat Claudia's lippendienst toch te ver.

Deze scène kwam in vertaling wel voor in de zwart-witversies van Blue Circle uit 1984 en Sombrero uit 1987 en de ingekleurde editie van Loempia uit 1993, maar niet meer in de zwart-witheruitgave van MaXima in de Lambada-collectie uit 2004 en de Manara-collectie uit 2008. Deze laatste heruitgaven kenden nog een paar andere afwijkingen van het origineel. De censuur in Goedeles heruitgave was dus zeker niet nieuw.

Hieronder vind je de bewuste, gecensureerde scène uit De Schakelaar tussen de pagina's uit Het Spel. Je kan de pagina's in het groot zien door erop te klikken. Hier past een waarschuwing bij die we bij monde van toenmalig Goedele-hoofdredacteur Danny Ilegems kopiëren uit een artikel van De Morgen door journalist Geert De Weyer: "Tja, het is een scène met pedofiele en incestueuze taferelen, en dat konden we niet maken. Vreemd genoeg lijken die beelden nu schokkender dan toen het werk in 1983 uitkwam. We hebben deze herdruk met instemming van Manara uitgebracht. Hij vertelde ons dat de Lage Landen zonder al te veel ophef reageerden bij de eerste editie ervan in 1984, maar dat het in Italië (waar het album een jaar eerder officieel gepubliceerd werd, GDW) wel negatieve reacties veroorzaakte. We hebben er dus niet lang over moeten nadenken."


Inmiddels zijn zowel Goedele als opvolger GDL door tegenvallende advertentie-inkomsten van de markt gehaald.

Het Spel
Gecensureerde versie uit De Schakelaar
Het Spel

Na de publicatie van dit artikel, schreef lezer Rob Minnes ons met de volgende aanvulling:
"Goedele was niet de eerste die De Schakelaar 1 heeft gecensureerd. Twintig jaar eerder was het album ook al aan de beurt toen het in de VS werd gepubliceerd. Nou is dat in dat behoorlijk puriteinse — Goedele zou waarschijnlijk de term "seksueel gefrusteerde" gebruiken — land niet
verwonderlijk. Het is eerder verwonderlijk dat in een land waar Janet Jacksons blote boobie een grotere crisis heeft veroorzaakt dan Obamacare dat het boek überhaupt is gepubliceerd. Des te opmerkelijker is het dat bij de eerste zwart-witpublicatie de censuur blijkbaar heeft lopen pitten. De eerst uitgave van Catalan Communications in 1985 is in zijn geheel uitgegeven, maar acht jaar later, in 1992, was het album aan de beurt. Vanaf toen misten de Amerikaanse uitgaven de gewraakte pagina's, te beginnen met de kleurenuitgave van Eurotica (= NBM). De Amerikanen gingen één stapje verder door ook de direct voorgaande pagina, waarin de moeder het balorig ventje tot bedaren bracht, weg te laten. In tegenstelling tot Goedeles uitgave werden de vier pagina's zonder opgaaf van redenen weggelaten."