
| |
Dit
is archiefpagina 3 van de rubriek Klare
Taal.
Klik verder naar de volgende updates:
|
|
|
| |
15/09 |
|
 |
| |
The
Boys (besproken door
Peter Moerenhout) |
 |
|
Het
lijkt erop dat vele goede Amerikaanse comicscenaristen
debuteren met één superieure
langlopende reeks en nadien devalueren naar
korter werk. Kijk maar naar Neil Gaiman
(The Sandman), Warren Ellis
(Transmetropolitan) of Grant
Morrison (The Invisibles).
Gelukkig is dat niet zo voor Garth
Ennis. Die nam in 2006 Darick
Robertson, de tekenaar van Transmetropolitan,
onder de arm en begon de reeks The Boys.
Een reeks met als bedoeling, zegt Ennis zelf,
"To out-Preacher Preacher",
zijn eigen doorbraakreeks.
The Boys heeft een even simpele als
geniale premisse: Wat als superhelden gecorrumpeerd
raken door hun sterrenstatus? In deze serie,
die zich afspeelt in een zo realistisch mogelijke
wereld, geen Gotham of Metropolis dus, zijn
superhelden slechts pionnen van de zakenwereld.
Eén groot conglomeraat, Vought-American,
ontwikkelde de superhelden ergens rond de
Tweede Wereldoorlog en gebruikt ze sindsdien
als melkkoeien.
De superhelden in deze reeks zijn volgzame
slaafjes van het bedrijf. Die sturen hen op
missies die de helft van de tijd in scène
gezet worden. Vought-American verkoopt vervolgens
comics en allerhande merchandising met de
beeltenis van de helden op.
De superhelden verdienen daar een aardige
duit aan en hun macht en geld zorgen ervoor
dat ze zich gedragen als verwende sterren
met alle drank, drugs en seks van dien. Spijtig
genoeg is een man met de kracht van tien olifanten
die op drugs zit iets gevaarlijker dan de
doorsnee singersongwriter met een moedercomplex.
Daarom richt de CIA een speciale eenheid op
die de superhelden in het oog moet houden
en waar nodig moet bijsturen: The Boys.
 |
|
Deze opzet maakt dat de reeks veel meer is
dan de zoveelste superheldenreeks. Eerst en
vooral is The Boys een spionagereeks.
Aangezien de leden van The Boys niet zo almachtig
zijn als de superhelden moeten ze hen op een
andere manier onder de duim zien te houden.
Ze verzamelen incriminerende of beschamende
informatie over de superhelden en chanteren
hen daar vervolgens mee. Verborgen microfoontjes,
undercoveroperaties, uitlokking: alle ingrediënten
van goede spionage kan je ook terug vinden
in The Boys.
Ennis mengt ook een hele hoop geschiedenis
in de reeks. Het is algemeen geweten dat Ennis
een gezonde interesse heeft voor oorlog en
hij injecteert een resem echte gebeurtenissen
in de wereld van The Boys, maar dan
wel met allerlei twists en een afwijkende
afloop. De Slag om de Ardennen, 9/11,
de Russische maffia, en dergelijke meer worden
naadloos in de continuïteit van de reeks
verweven.
The Boys is ook een hilarische satire.
Ennis bewees reeds met zijn run op
The Punisher en reeksen als Adventures
in the Riffle Brigade dat hij als geen
ander geweld en humor weet te mixen. Als daar
nog eens een politieke ondertoon bij komt
kijken, zoals in zijn reeksen Dicks en
Goddess dan is het hek helemaal van de
dam. In The Boys neemt hij de media,
de politiek en de zakenwereld zwaar op de
korrel. Hij behandelt zaken als omkoperij,
verkochte verkiezingen, leugens in de pers
en doet dat op een, zelfs voor een superheldencomic,
zeer geloofwaardige manier.
Tegelijkertijd is The Boys één
langgerekte commentaar op de comicwereld.
Lezers van superheldenseries zullen zeer snel
merken dat alle superhelden en superheldenteams
die in The Boys aan bod komen briljante
parodieën zijn op de JLA, The X-Men,
Batman en dergelijke meer. Zelfs de vader
van het Marvel Comics-universum,
Stan Lee, krijgt een opmerkelijke
bijrol als The Legend.
 |
|
Aan Darick Robertson om die zaken geloofwaardig
in beeld te zetten. De stijl van Robertson
verenigt twee zaken die Scott McCloud
in zijn Understanding Comics
aan het licht bracht als geslaagde tekentechnieken:
hoe realistischer de achtergronden in een
comic, hoe geloofwaardiger het geheel overkomt
en: hoe cartoonesker de personages,
hoe meer de lezer zich met hen kan identificeren.
Robertson lijkt deze theorieën deels
te incorporeren in zijn werk. Zijn vliegtuigen,
gebouwen en dergelijke meer zijn in een vrij
realistische stijl getekend, terwijl zijn
personages meer naar karikaturen neigen. Deze
aanpak werkt zeer goed en verfrissend, temeer
daar zijn personages daardoor ook zeer geloofwaardig
kunnen acteren. De overdrijving die dit soort
karikaturen in gezichtsexpressie en dergelijke
kunnen leggen zijn perfect om de humor van
de verhalen van Ennis over te brengen.
Ook zeer lollig is dat een van de personages,
Little Hughie, gebaseerd is op de Britse acteur
Simon Pegg (Shaun of
the Dead, Hot Fuzz en een van de Jansens
in de komende Kuifje-film). Dit personage
is ook min of meer het belangrijkste personage
van de reeks. Hughie is de laatste nieuwe
aanwinst van The Boys en tevens een
soort van Jan met de pet. Samen met hem ontdekken
we hoe de wereld van The Boys in elkaar zit.
 |
|
Spijtig genoeg heeft Robertson blijkbaar niet
de tijd om elke aflevering te tekenen. Zijn
invallers (onder andere Peter Snejbjerg
en Russ Braun) leveren gelukkig
wel steeds uitstekend werk.
De humor in The Boys is van een constant
hoog niveau, technisch gesproken dan. Qua
ritme, pointe en aflevering zijn de grappen
top, maar de onderwerpen zijn vaak van een
lager, maar daarom niet minder grappig niveau.
De verschillende seksuele exploten van de
superhelden, of de zeer expliciete manieren
waarop mensen om het leven komen in The
Boys zou men als plat of vulgair kunnen
bestempelen.
Dat heeft de reeks ook een controversieel
randje meegegeven. The Boys startte
in 2006 bij uitgeverij Wildstorm.
Paul Levitz, toenmalig hoofd
van DC, de uitgeverij waar
Wildstorm deel van uitmaakte, was al een tijdje
bang dat de gebeurtenissen in The Boys
hun echte sterren zoals Superman en Batman
zou kunnen besmeuren. Toen hij een scène
onder ogen kreeg waarin een superheld, ter
vermeerdering van zijn persoonlijke seksuele
genot, een hamster rectaal inbrengt, mochten
Ennis en Robertson hun boeltje pakken. Zij
vonden onderdak bij Dynamite Comics
waar The Boys de best verkopende
serie van die uitgever werd.
 |
|
Aan al de uitgerukte ruggengraten en superheldensmeerlapperij
wordt echter een tegengewicht geboden met
oprecht emotionele momenten. De personages
uit The Boys worden verliefd, worden
verraden, worden kwaad, net zoals wij. Ennis
weet perfect de lijn tussen menselijk drama
en over the top actie en comedy liggen.
Het klinkt raar, maar er zijn momenten waarop
je als lezer een steek in het hart voelt om
wat bepaalde figuren overkomt.
The Boys is dus een cocktail van
een heleboel zaken. Als ook maar één
van de ingrediënten naar jouw smaak is
dan hoef je niet meer twijfelen om deze reeks
op de kop te tikken. Als alle ingrediënten
jouw goedkeuring wegdragen, zoals ze dat doen
bij mij, dan zit je zelfs gebeiteld voor een
zeer interessante en amusante rit.
Favoriete
scène
Deze scène uit The Boys bevat
heel wat van wat ik besproken heb. Butcher,
de leider van The Boys, legt aan Little Hughie
uit hoe Vought-American de superhelden gebruikt
in comics, we zien twee uitbaters van een
comic book-winkel een doorsnee comicfan
een veeg uit de pan geven, er zit een kort
stukje tussen waarin Ennis een parodie op
Batman en Robin weergeeft en een mogelijke
seksuele spanning tussen die twee insinueert
en vervolgens worden we voorgesteld aan het
personage The Legend die dus staat voor Stan
Lee.
'Nuff Said!







Beschikbaarheid
The Boys werd opgezet als een reeks
met een definitief einde en enkele spin-offs
waarin subplots onder de loep worden genomen.
De reguliere reeks zit momenteel aan nummer
58. Ennis zelf zegt dat de reeks ongeveer
72 afleveringen zal tellen. Dat maakt dat
het einde van de reeks ergens rond eind 2012,
begin 2013 zal liggen.
De reeks werd ook verzameld in enkele paperbacks
en hardcovers die ook de spin-offs verzamelen:
Softcover
1. The Name of the Game: The Boys #1-6
2. Get Some: The Boys #7–14
3. Good for the Soul: The Boys #15-22
4. We Gotta Go Now: The Boys #23-30
5. Herogasm: Herogasm #1–6
6. The Self-Preservation The Boys #31–38
7. The Innocents: The Boys #39-47
8. Highland Laddie: Highland Laddie #1-6
9. The Big Ride: The Boys #48-59
Hardcover
1. The Boys: Definitive Edition I The Boys
#1-14
2. The Boys: Definitive Edition II The Boys
#15-30
3. The Boys: Definitive Edition III The Boys
#31-38 + Herogasm
MEER BESPREKINGEN VAN
PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com |
|
| |
10/09 |
|
 |
| |
Marvels
(besproken door Koen
Claeys) |
Marvels
betekende de grote doorbraak voor zowel schrijver
Kurt Busiek (Astro City,
The Avengers, Conan,...) als illustrator
Alex Ross (Kingdom Come,
Justice,...). Het verscheen in 1994,
op creatief vlak een desastreuze periode voor
de superheldenstrip. Tussen al de bagger die
uitgeverij Marvel toen op
de markt losliet verscheen deze vier hoofdstukken
tellende parel, een strip die thans geboekstaafd
staat als een klassieker.
De superheldenfantasieën die
Stan Lee samen met Jack Kirby
decennia eerder voor de jeugd creëerde,
worden hier door Busiek op een uiterst realistische
wijze aangepakt. Hoewel het sindsdien nogal
wat opvolging heeft gekend, was zijn concept
toen uniek: verhalen uit de Marvel-catalogus
vanuit het oogpunt van een gewone man.
Centraal staat Phil Sheldon die als jonge
freelancefotograaf samen met de inwoners van
New York het opduiken van de eerste wezens
met superkrachten beleeft. Eerst aan de beurt
is de androïde Human Torch die door zijn
uitvinder, Phineas Horton, aan het grote publiek
wordt voorgesteld. Kort nadien maakt verwondering
plaats voor angst wanneer steeds meer roekeloze
gevechten tussen deze wezens, met de bijhorende
schade, boven de hoofden van de hulpeloze
bevolking plaatsvinden.

Verwacht zeker geen klassiek avonturenverhaal.
Zo gebeurt het meer dan eens dat we getuige
zijn van een stedelijke veldslag. Maar de
bewoners van de metropool tasten meestal volledig
in het duister naar de motieven van de vechtende
partijen. Hoewel dit boek een zeventiental
jaar eerder verscheen, deed het me denken
aan de feiten van 9/11: uit het niets
komende chaos en vernietiging met machteloze
toekijkers. Deze incidenten laten de New Yorkers
natuurlijk niet onberoerd. Ook bij Phil, als
het ware toeschouwer op de eerste rij, heeft
het zijn impact: hij focust zijn carrière
op deze Marvels (letterlijk vertaald: wonderen),
het beïnvloedt zijn privéleven
en het duurt niet zo lang voor hij ongewild
meer wordt dan een pure observator.

Voor elk hoofdstuk gebruikt Busiek een belangrijke
gebeurtenis uit 35 jaar Marvel-verhalen, vanaf
de oprichting van de uitgeverij (toen nog
onder de benaming Timely Comics)
in 1939 tot 1975. Zelf was ik het meest geraakt
door het tweede hoofdstuk dat zich focust
op de paranoia tegen mutanten. Hierin zien
we Sheldon als personage evolueren naar een
zelfstandig denker in tegenstelling tot J.
Jonah Jameson, zijn jeugdvriend, die als hoofdredacteur
zijn krant The Daily Bugle gebruikt
als een propagandamachine.

Het volledige boek staat vol kleine en grote
verwijzingen naar klassieke Marvel-comics,
wat extra leesplezier moet geven aan ware
Marvel-fanaten. Busiek heeft zijn huiswerk
gedaan, getuige daarvan de opsomming van het
bronnenmateriaal achterin het boek. Laat dit
je echter niet afschrikken: kennis van die
oude comics is absoluut niet nodig om met
volle teugen van dit verhaal te genieten.
Wat natuurlijk meteen opvalt wanneer je deze
strip in handen neemt, is het schilderwerk
van Alex Ross. Elke plaatje op de strippagina's
is een uiterst realistisch ogend meesterwerkje.
Om dit realisme te verhogen, deed hij de nodige
research om het kleinste detail te laten kloppen.
Zo worden we ondergedompeld in de tijdsgeest
van vier verschillende decennia. Daarenboven
maakte hij foto's van poserende vrienden en
familie (al dan niet verkleed) en buitenlocaties
om te gebruiken als referentie. Fotoreferenties
resulteren vaak in stroef tekenwerk, maar
dit is bij Ross totaal niet het geval. De
dynamiek spat werkelijk van de pagina's. Omdat
het verhaal verteld wordt door de ogen van
een fotograaf heeft Ross dan ook een goed
excuus om te spelen met originele perspectieven.
| Mark
Braun (ooit striptekenaar en
tegenwoordig uitgever van tijdschriften)
stond meerdere keren model voor de comics
van Alex Ross. Hiernaast poseert hij
voor het hoofdpersonage uit Marvels,
Phil Sheldon. |
|
 |
In 2008 leverde Kurt Busiek een vervolg: Marvels:
Eye of the Camera, weliswaar zonder medewerking
van Alex Ross. Hierin beleven we alles vanuit
het perspectief van een ondertussen gepensioneerde
Phil Sheldon. Waarschijnlijk kreeg het door
die afwezigheid van Ross (waardig vervangen
door Jay Anacleto) niet dezelfde
aandacht als het origineel ondanks de lovende
kritieken die het te beurt viel.
Marvels
telt 248 pagina's en is meerdere malen uitgegeven
in zowel softcover als hardcover. Voor de
tiende verjaardag bracht Marvel een
buitenmaatse hardcover uit vol bonusmateriaal. |
|
| |
01/09 |
|
 |
| |
Local
(besproken door David Steenhuyse) |
 |
|
Dit
is niet de eerste keer dat een strip van scenarist
Brian Wood in deze rubriek
wordt voorgesteld en het zal zeker niet de
laatste keer zijn. Mijn eerste kennismaking
met Local gebeurde op de vlakte en
in de verte toen de gebundelde editie van
de twaalf verschenen comicdeeltjes als nummer
497 in De
Grenzeloze Top 500 opdook. Inmiddels verduidelijkte
de lezing van het dikke album dat deze positie
veel te laag is, maar dat geldt voor wel meer
anderstalige strips in onze toplijstjes.

Voor de schrijver van Northlanders, DMZ
en Demo is Local Woods meest
realistische serie, en eigenlijk ook wel zijn
beste. Het begint allemaal in 1994 in Portland,
Oregon, met Megan McKeenan die in drie verschillend
uitgewerkte situaties een apotheker bezoekt
om met een vals voorschrift drugs te scoren
voor haar verslaafde vriendje. De climax voor
elk van de situaties loopt op een ontgoocheling
uit. In een vierde situatie verlaat Megan
haar vriendje en vraagt aan de apotheker de
weg naar het treinstation. Vanaf dan wordt
het decor in elk van de afgeronde comicdelen
verlegd naar een andere stad in de Verenigde
Staten of ook Canada. Er ligt telkens één
jaar tussen de verhalen.

De lezer ondervindt dat elke keer het Megan
een beetje voor de wind lijkt te gaan er altijd
wel iets in haar omgeving of uit haar verleden
haar streepje geluk doet verdampen. En dan
vlucht ze daar voor, weer naar een andere
stad waar ze een andere baantje uitoefent
en al eens een vrijer heeft. Een kamergenote
in New York is een obsessieve neuroot die
er strenge eisen en regels op nahoudt. Als
Megan voor een paar dagen op het appartement
moet passen, wordt ze geconfronteerd met een
oerwoud aan post-its om haar te wijzen op
vanalles waar ze mee rekening dient te houden.
Over dat gedrag maakt ze haar beklag in het
café waar ze achter de bar staat. Tijdens
de afwezigheid van haar kamergenote, stelt
een collega van de neuroot zich na zo'n klaagzang
voor. Hij vertelt haar dat haar kamergenote
haar "really nice" vindt.
Megan staat perplex. Ontbreekt het haar aan
mensenkennis en empathie? Is ze te egocentrisch?
Of weet ze gewoon helemaal niet waar zij in
het leven staat? Duidelijk dat laatste. Met
de geëtaleerde zelfkennis is ze er nog
lang niet. Waar dan? Exactly!

Zelfs in de paar verhalen waarin Megan niet
de hoofdrol speelt (bijvoorbeeld over haar
delinquete neef of in een diner langs
de weg waarin een man wraak neemt op zijn
denigrerende broer) krijg je nog steeds de
indruk dat Megan onderweg blijft. Zij is zoekende.
Vanaf het negende hoofdstuk, waarin de relatie
met haar ouders wordt uitgespit, ziet het
ernaaruit dat er een bepaalde richting in
haar leven komt. Ze is ondertussen al een
dertiger en ze heeft door alle omstandigheden
aan maturiteit gewonnen. Maar enkel door zich
(noodgedwongen) te settelen, begint het haar
te dagen dat keuzes maken — ook foute
— bij het leven hoort. Zij kreeg van
haar moeder een groot cadeau waar ze aanvankelijk
mee worstelde omdat het haar niet in liefde
werd gegeven: vrijheid.

Bij het einde begon het mij te dagen dat —
en hier past geen spoiler bij want het is
een persoonlijke mening — content zijn
niet moet onderdoen voor gelukkig zijn. Content
zijn met je leven, content zijn met jezelf,
content zijn met gemaakte keuzes die een positieve
uitkomst geven. Megan heeft er bijna het hele
noorden van de VS voor moeten doorkruisen
om uiteindelijk thuis te vinden wat ze zocht.
Net op die plaats die ze als kind vele malen
dreigde te verlaten en het op een dag effectief
deed.
De extra aantrekkingskracht voor Local
levert tekenaar Ryan Kelly.
Met zijn lekker zwierige penseellijn en zinderende
zwart-witpalet geeft hij kleur aan de lotgevallen
van Megan. Wat hierbij opvalt, is het spontaan
ogende gebruik van plakrasters zonder dat
deze overheersend zijn. Ze zijn aangebracht
op een gelijke manier als een inkleurder schaduwen
op gezichten, dimensies in achtergronden en
sfeer in ruimtes schildert. Maar bovenal is
Kelly een inzichtrijke tekenaar die intelligent
omspringt met close-ups, gezichtspunten (zelfs
vanop de rug gezien, zijn de emoties van een
personage duidelijk af te lezen) en rustmomenten.
Zoals het achteraan in de extra's ergens wordt
vermeld, weet Kelly hoe hij stiltes zijn tijd
kan laten duren. Een zeldzaamheid, want in
de meeste gevallen verhogen lezers automatisch
hun leestempo als er minder tekst op een pagina
voorkomt. De meeste striplezers laten hun
ogen veeleer van tekstballon naar tekstballon
glijden zonder al te veel stil te staan bij
de tekeningen, 't is proefondervindelijk onderzocht
door artiesten als Régis Loisel
en Christophe Arleston.
En toch lezen de 318 strippagina's extreem
vlot. Er volgen daarna nog een zestigtal extra
pagina's met een covergalerij, losse illustraties,
tekeningen van gasttekenaars, essays en terugblikken
van beide auteurs over de evolutie van en
beschouwingen op hun beider werk aan Local.
En laat ik er maar meteen bij zeggen dat Local
een hoogtepunt in hun œuvre is.
De twaalfdelige comicreeks
Local is als een luxueus uitgevoerde
hardcoverbundel met linnen rug uitgegeven
bij ONI Press. |
|
| |
25/08 |
|
 |
| |
Dragon
Head (Doragon Heddo)
(besproken door Jeroen François) |
De
angst voor natuurrampen heeft er bij de Japanners
al altijd ingezeten. Getuige hiervan zijn
de vele rampenfilms- en manga's. Dragon
Head van Minetaro Mochizuki is
hier een goed voorbeeld van. Toen ik eerder
dit jaar de schokkende tv-beelden van de verwoestende
aardbeving in Japan zag, moest ik onmiddellijk
aan deze strip denken.
Dragon Head begint wanneer de tiener
Teru na een schoolreis met de trein naar Tokyo
terugkeert. Maar in een tunnel ontspoort de
trein om onbekende redenen. Teru overleeft
de crash, samen met een andere jongen, Nobuo
en een meisje, Ako. Tot hun ontzetting ontdekken
ze dat beide uitgangen van de tunnel ingestort
zijn. Alle communicatie met de buitenwereld
is verbroken en tevergeefs wachten ze op de
reddingsteams. Wat is er in hemelsnaam gebeurd?
Vaag herinnert Teru zich een lichtflits vlak
voordat de trein de tunnel binnenreed. In
het pikkedonker verliest de doodsbange Nobuo
zijn verstand en vormt zo een bijkomende bedreiging
voor Teru en Ako.
Wanneer Teru en Ako aan Nobuo kunnen ontsnappen
en via een luchtkoker toch uit de tunnel geraken,
komen ze terecht in een totaal verwoeste wereld.
Met mondjesmaat komen ze andere overlevenden
tegen, de ene al wat hulpvaardiger dan de
andere. Teru en Ako besluiten richting Tokyo
te trekken. Het wordt een tocht vol met hindernissen.
En in de Japanse hoofdstad staan hen nog verrassingen
te wachten…
Minetaro Mochizuki maakte een spannende strip
met een psychologische inslag. Hoe reageren
mensen in extreme omstandigheden? Nobuo verliest
zijn zinnen in de donkere tunnel. Nimura,
een militair die Teru en Ako onderweg tegenkomen,
reageert alsof de verwoestingen hem eigenlijk
helemaal niets doen, maar ook hij is doodsbang.
En in Tokyo komen ze mensen tegen die helemaal
geen angst kennen door een specifieke oorzaak
die ik niet ga verklappen. En dat heeft ook
zijn weerslag op hun handelen. Angst en hoe
ermee om te gaan is dan ook het hoofdthema
van deze strip.
| |
NOBUO
VERLIEST ZIJN VERSTAND
IN DE DONKERE TUNNEL |
|
|
|
De eerste drie delen van Dragon Head
die zich in de tunnel afspelen zijn werkelijk
ijzersterk en geenszins geschikt voor mensen
die aan claustrofobie lijden. Mochizuki brengt
de angstaanjagende duisternis zo overtuigend
in beeld dat ik kort na het lezen van die
eerste delen me toch niet echt op mijn gemak
voelde telkens mijn trein 's morgen de tunnel
naar station Brussel-Centraal binnenreed.
Alleen al voor die beklemmende sfeer is Dragon
Head het lezen meer dan waard. Nadat
Teru en Ako de tunnel verlaten hebben, boet
het verhaal wat aan kracht in en wordt het
af en toe wat langdradig. Toch blijft Dragon
Head tot het einde een interessante reeks.
Teru en Ako wisselen elkaar af als hoofdrolspeler.
Eerst neemt Teru Ako op sleeptouw. Maar wanneer
Teru doodziek wordt, gaat Ako op zoek naar
geneesmiddelen. Later volgen we weer Teru
die noodgedwongen op zijn eentje Tokyo probeert
te bereiken. Door deze verschuivingen zorgt
Mochizuki voor de nodige afwisseling in zijn
vertelling.
| |
VAN
TOKYO BLIJFT NIET VEEL
MEER OVER NA DE RAMP |
|
|
|
Over het tekenwerk heb ik wat gemengde gevoelens.
Mensen tekenen is niet echt de specialiteit
van Mochizuki. Vooral die kikkerogen storen
nogal. Maar voor de rest zijn de tekeningen
erg gedetailleerd en verzorgd. Mochizuki is
erin geslaagd het verwoeste Japan erg geloofwaardig
in beeld te brengen. En die verwoesting is
werkelijk totaal, met aardbevingen, tsunami's,
vulkaanuitbarstingen en gigantische stofwolken.
Over de werkelijke oorzaak van de ramp komen
we echter niets te weten. Maar zo belangrijk
is dit ook niet en dit draagt bovendien bij
aan de mysterieuze sfeer die rond deze strip
hangt.
| |
EEN
ALLES VERWOESTENDE TSUNAMI |
|
|
|
Minetaro Mochizuki schreef en tekende Dragon
Head tussen 1995 en 2000. De reeks bestaat
uit tien delen, in het Engels uitgegeven door
Tokyopop (niet meer zo gemakkelijk
te vinden) en in het Frans door Pika,
die de reeks dit jaar opnieuw uitbrengt —
vijf delen zijn er momenteel verschenen, de
rest zal snel volgen. Dragon Head
werd in 2003 verfilmd door Jôji
Iida. Een wel heel vrije bewerking
die helemaal niet kan overtuigen. Te vermijden
dus. Lees liever de strip.
|
|
| |
12/08 |
|
 |
| |
DMZ
(besproken door Peter Moerenhout) |
 |
|
In
de jaren 1990 kwamen bij uitgeverij Vertigo
tal van reeksen uit die meer te bieden hadden
dan entertainment alleen. De makers ervan
hadden iets te zeggen. De thema's varieerden
van politiek (Transmetropolitan),
levensstijl en filosofie (The Invisibles)
tot mentale gezondheid (Shade The Changing
Man), maar ze hadden steeds één
ding gemeen: ze brachten de lezer iets bij.
De laatste tijd bracht Vertigo kwalitatief
zeer goede reeksen uit die echter dat schepje
maatschappijkritiek ontbeerden, Y: The
Last Man misschien buiten beschouwing
gelaten. En dan was daar plots, in 2005, DMZ.
DMZ is een atypische comic, de forte
van Vertigo, in die zin dat de makers de Amerikaanse
politiek en het bedrijfsleven zwaar op de
korrel nemen. Transmetropolitan had
een gelijkaardige invalshoek, een journalist
die wanpraktijken aanklaagt, maar die reeks
werd gepubliceerd in een tijd dat kritiek
op Amerika niet echt zo'n groot punt was.
DMZ debuteerde echter in 2005, nog
geen vier jaar na 9/11, in een tijd
waarin de minste twijfel aan de Stars
and Stripes je onder verdenking van landsverraad
kon plaatsen (bij sommige mensen toch). DMZ
staat voor Demilitarized Zone, een
soort niemandsland tussen twee mogendheden
die in oorlog zijn, het front als het ware.
Het originele aan deze reeks is dat die zone
in dit verhaal de stad New York is.
Het conflict waar het in deze reeks om draait
is een tweede Amerikaanse burgeroorlog. De
aanleiding daarvan is dat in de nabije toekomst
een hele hoop Amerikanen de buitenlandse politiek
van hun land beu zijn. Het continue oorlogvoeren
en het zich bemoeien met elke kleine brandhaard
waar eventueel economische belangen op het
spel staan en de daaraan vasthangende menselijke
en financiële verliezen hangt vele burgers
de keel uit. Langzaam maar zeker ontstaat
er een protestbeweging die begint aan een
campagne om een stuk van het land af te scheuren.
De meesten onder hen zien die actie als iets
symbolisch maar doordat het grootste deel
van het officiële leger in het buitenland
op missie is, wint de beweging, de Free States
genaamd, aan terrein. En plots wordt het bittere
ernst. Net voor New York worden de Free States
tot staan gebracht en wat volgt is een patstelling
met Manhattan als inzet.
Het verhaal begint wanneer Matthew (Matty)
Roth als stagiaire fotografie mee mag met
een bekende oorlogsfotograaf om een reportage
te maken over de DMZ. De helikopter waarmee
ze daarheen vliegen, wordt echter aangevallen
en stort neer. Matty raakt gescheiden van
de rest en gaat ervanuit dat hij de enige
overlevende is. De eerste reflex van Matty
is om zo snel mogelijk weer naar thuis te
raken. Hij spreekt af met het nieuwsnetwerk
waar hij voor werkt dat ze hem zullen oppikken
zodra dat mogelijk is. In de DMZ ontmoet hij
echter Zee, een kranige inwoonster van het
rampgebied. Zij helpt Matty om naar het extractiepunt
te gaan waar hij zal worden opgepikt.
Op weg naar daar merkt Matty dat de DMZ iets
helemaal anders is dan wat hij tot dan toe
door de media werd wijsgemaakt. De reguliere
Amerikaanse media heeft het steeds over rebellen
en opstandelingen die daar zouden ronddwalen.
Het tegengestelde is waar. Het blijkt dat
de evacuatie van de stad indertijd zeer slecht
verlopen is wat maakt dat er zich nog heel
veel gewone burgers op het eiland bevinden.
Omdat er door beide zijden van het conflict
getwijfeld wordt aan hun loyaliteit en ze
dus geen kant opkunnen, of ook omdat ze zelf
geen kant willen kiezen en hun stad niet willen
verlaten, blijven ze in de DMZ wonen.
De media en de overheid liegen de mensen voor
om hun eigen acties te vergoelijken en hun
fouten toe te dekken. Op dat ogenblik beslist
Matty om in de DMZ te blijven en om, als enige
reporter ter plaatse, de waarheid voor te
schotelen aan de rest van de wereld. Die waarheid
is soms gigantisch hard. Matty krijgt te maken
met zelfmoordterrorisme, met fascistische
groeperingen die in de DMZ opereren, met oorlogsmisdaden,
met corrupte bedrijven die nu al vechten om
het contract om de stad weer op te bouwen
na de oorlog, en meer van dat fraais.
Wat opvalt, is hoe goed onderbouwd deze verhalen
zijn. Brian Wood, de schrijver,
neemt geen blad voor de mond en af en toe
ervaar je als lezer zelfs een een déjà
vu-ervaring. Wood baseert zich nogal veel
op bestaande gebeurtenissen en schandalen,
al kleedt hij de verhaallijnen die hij uit
de realiteit gehaald heeft natuurlijk net
dat beetje anders aan.
Gelukkig zien we ook heel wat moois. Tussen
de grote verhaallijnen door focust de reeks
op de mensen die in de DMZ trachten te overleven.
Zo zijn er verhalen over een Banksy-achtige
straatkunstenaar die ondanks alles de mensen
een positief gevoel wil geven, over mensen
die groentetuintjes beginnen op de daken van
appartementen en over een man die als missie
heeft zoveel mogelijk kunst te redden uit
de musea van New York.
Er wordt niet altijd gefocust op diepmenselijk
drama, de reeks zit boordevol actie, ontploffingen
en oorlogsgeweld, dus er is voor elk wat wils.
Tekenaar Riccardo Burchielli
zet al deze scènes op flitsende wijze
neer. Hij werd door Brain Wood en de redacteur
van de serie gekozen om zijn rauwe stijl die
aan street art doet denken. Gelukkig
kan de man ook de intimistische scènes
aan. Zijn personages geven overtuigende vertolkingen
ten beste. Of het nu gaat om wanhoop of een
sprankeltje vreugde: Burchielli weet steeds
de juiste toon te treffen. En dan te weten
dat dit 's mans eerste grote stripreeks is.
 |
|
Die treffende tekenstijl is een zeer belangrijk
gegeven voor de reeks. Naast het politieke
gekonkel en de maatschappijkritiek zijn immers
vooral de relaties tussen en de ambities van
de personages belangrijk. "Is dat niet
voor elk verhaal zo?" denkt de oplettende
lezer. Ik zeg: "Ja, maar stap eens de
gemiddelde bioscoopzaal binnen of sla de gemiddelde
strip open en je zal zien dat niet iedereen
die mening toegedaan is.
Hoofdpersoon Matty maakt ook een heel interessante
ontwikkeling door. Het is lang geleden dat
ik een personage nog eens op zo'n ingrijpende
en overtuigende wijze heb zien evolueren.
De transformatie die Matty doorgaat, van naïeve
adolescent tot... iets helemaal anders is
in alle opzichten extreem: extreem geloofwaardig,
extreem verregaand en extreem diepgaand. Hij
zit natuurlijk ook in een extreme situatie.
Voor Brain Wood is dit niet zijn proefstuk.
De man heeft al heel wat reeksen geschreven
waarvan steeds de karakterontwikkeling centraal
stond. Demo, The Couriers
en Supermarket zijn daar voorbeelden
van. Wat in elke reeks, en ook in DMZ,
centraal staat, is zijn wil om verder te gaan
dan de doorsneeschrijver in het propageren
van zijn denkbeelden en zijn feel
voor de counter culture.
 |
|
DMZ kunnen we zijn grote doorbraak
noemen, zijn voorgaande reeksen kwamen allemaal
uit bij kleinere uitgeverijen. Naast DMZ
schrijft hij voor Vertigo ook een reeks over
Vikings, Northlanders die evenzeer
aan te raden valt. Beide reeksen staan op
het punt af te lopen maar Wood verzekerde
zijn publiek dat hij bezig is aan enkele nieuwe
series.
Ondanks de Amerikaanse invalshoek is DMZ
een zeer begrijpelijke reeks voor ons Europeanen.
Daarbij komt ook nog eens dat wat Amerika
doet ons eveneens aanbelangt. De reeks bezit
alle ingrediënten om de Canvas-kijkers
onder ons tevreden te stellen, maar tevens
ook genoeg elementen om de liefhebbers van
een spannende politieke actiethriller of oorlogsreeks
op hun wenken te bedienen. Meer nog: ik beschouw
DMZ nu al als een klassieker. Ik
durf zelfs meer zeggen: reeksen als dit zijn
gewoon nodig.
Favoriete
scène
Het gerucht doet de ronde dat er een Special
Forces Commando gedeserteerd is en zich gevestigd
heeft in Central Park. Daar ontfermen deze
kerels zich over de dieren die daar in de
dierentuin leven en over de weinige natuur
die er nog over is.
Matty Roth gaat op onderzoek uit en plant
een reportage over deze 'Ghosts'. De eindscène
van dat verhaal (opgelet: spoilers!) balt
alles wat deze reeks zo speciaal maakt: emotie,
actie en een kritisch angeltje...





Beschikbaarheid
Geen zijprojecten, spin-offs of dergelijke
meer. Gewoon 72 delen van 22 pagina's. Rechttoe,
rechtaan, zo hebben we het graag. Het laatste
deeltje staat gepland voor december 2011.
De reeks werd verzameld in bundels waarvan
deel elf en twaalf nog moeten verschijnen.
• vol. 1: On The Ground: DMZ nrs. 1-5
• vol. 2: Body of a Journalist: DMZ
nrs. 6-12
• vol. 3: Public Works: DMZ nrs. 13-17
• vol. 4: Friendly Fire DMZ nrs. 18-22
• vol. 5: The Hidden War: DMZ nrs. 23-28
• vol. 6: Blood In The Game: DMZ nrs.
29-34
• vol. 7: War Powers: DMZ nrs. 35-41
• vol. 8: Hearts And Minds: DMZ nrs.
42-49
• vol. 9: M.I.A.: DMZ nrs. 50-54
• vol. 10: Collective Punishment: DMZ
nrs. 55-59
• vol. 11: Free States Rising: DMZ nrs.
60-65
• vol. 12: The Five Nations of New York:
DMZ nrs. 66-72
MEER BESPREKINGEN VAN
PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com |
|
| |
05/08 |
|
 |
| |
The
Marquis (besproken
door Arnaut Capiau) |
Toen
ik voor het eerst de tekeningen zag van Guy
Davis was ik geen fan. Erg krasserige
lijnen, geen volle zwarte schaduwen, meestal
lelijke personages,... Het is zeker geen stijl
die je mooi kan noemen. Maar smaken veranderen,
en na een zekere tijd, een gewenning aan prenten,
tekenaars en stijlen die afweken van wat ik
toen als de norm beschouwde, begon ik een
zekere waardering voor zijn tekenstijl en
vakmanschap te ontwikkelen.
(afbeelding uit Sandman Mystery Theatre)
Twee werken waren daarbij doorslaggevend,
en een daarvan is The Marquis. Voor
de volledigheid: het andere is Baker Street,
later omgedoopt tot Honour Among Punks.
Maar die titel is voor een andere keer.
 |
|
Waar Davis absoluut in uitblinkt, zijn monsters.
Monsters van het soort met gapende muilen,
ledematen in onmogelijke posities, builen,
zweren en lederachtige huid en veel, maar
dan ook veel te veel tanden. Niet toevallig
dat het zwart-witmeesterwerk The Marquis
uitpuilt van die lelijke gevallen. En precies
daarop viel mijn oog: een verhaal over monsters
hoeft geen mooie setting te hebben, of zelfs
knappe personages, integendeel.
 |
|
In The Marquis word je naar een fictieve,
vroegtechnologische wereld getransporteerd.
Een soort achttiende-/negentiende-eeuws Venetië
zoals Venetië nooit was. Iedereen is
er uiterst godsvruchtig want als men wil zondigen,
kan dat zonder enige schroom in speciale 'Houses
of Decadence' waar iedereen de karakteristieke
maskers draagt om de anonimiteit te bewaren.
In deze vreemde wereld krijgt The Marquis
Vol de Galle bizarre visioenen van monsters
die hem van alle kanten belagen. Hij ziet
ze enkel als hij zijn masker draagt. Ze veranderen
blijkbaar terug in gewone mensen eenmaal hij
de monsters gedood heeft met zijn Victoriaanse
Gattling... Ja, dat heb je goed gelezen.
Is
Vol de Galle gek? Of is hij inderdaad
de enige die de waarheid ziet voor wat
ze is? The Marquis slaagt er
wonderwel in om deze onzekerheid heel
lang in het midden te laten en de lezer
blijft zelf zoeken naar aanwijzingen:
demonen of krankzinnigheid?
Guy Davis bereikte vooral het toppunt
van zijn kunnen door de Hellboy-spin-off
B.P.R.D. Als geen ander hielp
hij het hele Hellboy-universum
verder uitbouwen, en zorgde er zo voor
dat de spin-off vaak beter was dan de
hoofdtitel. Daardoor had hij uiteraard
geen tijd meer om het verhaal van The
Marquis (dat een totaal van vijf
boeken zou moeten worden) verder te
tekenen. Ondertussen is Tyler
Crook Davis' vervanger voor
B.P.R.D. en mogen we aannemen
dat de volgende Marquis-volumes
binnenkort volgen. Laat het je smaken. |

Momenteel zijn er twee boeken van The
Marquis verschenen, eerst bij Oni
Press en een tweede keer in één
volume bij Dark Horse. |
|
| |
29/07 |
|
 |
| |
Mickey
Mouse (besproken door
David Steenhuyse) |
 |
Voor
het slapengaan — en dat is bijna dagelijks
extreem laat — probeer ik dezer dagen
een paar oeroude Mickey Mouse-tekenfilmpjes
mee te pikken. Omdat Disney
het vertikte de collectie Disney Treasures
(de dvd's in blikken verpakkingen) nog langer
uit te brengen in een Nederlands omkaderde
uitvoering, diende ik mijn met de jaren aangezwollen
Disney-tekenfilmcollectie via andere wegen
aan te vullen. Dat gebeurde per toeval in
het buitenland. De dvd's met alle zwart-witfilmpjes
van Mickey Mouse vond ik in Monaco.
Wat me frappeert aan deze oerversie is dat
Mickey toen een veel interessanter personage
was dan nu het geval is als saaie vaandeldrager
van de Disney-industrie. Mickey was toen nog
een doodgewone ziel, dikwijls wonend op een
boerderijtje en muzikaal erg begaafd. De soundtrack
bestond niet uit klassieke muziek uitgevoerd
door een symfonisch orkest, maar uit populaire
deuntjes die ook jij en ik meer dan tachtig
jaar na datum moeiteloos kunnen nafluiten.
De muziekinstrumenten waren vaak dezelfde
die Mickey en zijn vele vrienden gebruikten
in de filmpjes: potten en pannen, wasborden,
lepels, een viool of een piano.
Een stadsmuis was hij allerminst. In deze
filmpjes gedroeg hij zich wel eens boertig
en vulgair. Animator Ub Iwerks
tekende 'm vaak genoeg — en zeker in
de vroege jaren 1930 — spuwend.
Met welgemikt speeksel kon bijvoorbeeld een
extra toets op de piano aangeslagen worden.
Omdat het nog de eerste jaren waren van films
met een geluidsband, een uitvinding waarin
Walt Disney pionierde en
die hij heeft helpen populariseren, waren
de filmpjes kleine musicals. Veel dialogen
kwamen er amper aan te pas. Gelukkig maar,
want de door Walt ingesproken stem voor Mickey
klonk scherp en irritant.
In 1930 vroeg een medewerker van King
Features om een krantenstrip van
Mickey Mouse. De tekenfilmmuis was
al een fenomeen. Vandaag behoort hij trouwens
beslist tot de bekendste figuren uit de twintigste
eeuw, fictief en historisch bij elkaar. Die
strip kon. Iwerks en Disney maakten die samen.
Er volgden achttien verhalen die gebaseerd
waren op de tekenfilms. In mei 1930 werd Disney-medewerker
Floyd Gottfredson ad interim
aan de strip gezet in afwachting van een andere
opvolger voor Win Smith die
de krantenstrip inmiddels had overgenomen.
Maar er werd niet gezocht naar een opvolger.
Gottfredson was de nieuwe Mickey Mouse-tekenaar
in een lopend verhaal dat door Walt Disney
himself was begonnen. Deze job hield
Gottfredson vol tot zijn pensioen... in 1975!
Hij wordt daarom wel eens de tweede vader
van Mickey Mouse genoemd en da's geen woord
gelogen.
Onlangs gaf Fantagraphics
het eerste deel uit van een ambitieus opgezette,
chronologische bundeling van alle Gottfredson-strips
van Mickey Mouse. Het is de eerste
deftige onderneming voor een integrale editie.
Deel 1 telt 288 pagina's en omspant de periode
april 1930 tot maart 1932. In deze periode
verschenen veertien verhalen van variabe lengte
die enkele tot enkele tientallen pagina's
konden duren. Ze volgden elkaar netjes op
of vloeiden op een natuurlijke manier in elkaar
over. De verhalen waren min of meer een studioproduct
waarbij Gottfredson soms zelf het verhaal
schreef of dat door Disney liet doen. Het
inktwerk gebeurde dikwijls door anderen van
wie Al Taliaferro in deze
prille periode de bekendste is. En soms scheef
Gottfredson enkel het verhaal.
 |
|
Deze eerste bundel bulkt uiteraard van de
achtergrondartikels en analyses met uniek
beeldmateriaal, maar liefst tachtig pagina's
in totaal. Dergelijke aanpak apprecieer ik
al in de vele Franstalige integrales waar
vooral Dupuis de laatste
jaren in uitmunt. Maar aan zo'n geschiedenislesjes
heb je niets als je de reeksen of de verhalen
niet kent of lust. Na lange twijfel kocht
ik dan toch deze mooi uitgevoerde bundel,
goed voor dagen leesplezier. De uitstekende
reputatie van Fantagraphics kende ik al dankzij
de chronologsiche uitgave van Peanuts
die nu bij Silvester in het
Nederlands verschijnen. Maar ik wilde ook
wel eens weten waar André Franquin,
Albert Uderzo en andere Europese
coryfeeën de mosterd haalden. Zij noemden
in interviews specifiek Gottfredson als een
auteur die hun eigen werk heeft beïnvloed.

Gottfredsons eerste verhaal, Mickey Mouse
in Death Valley, was meteen een toonbeeld
van het grote avontuur waarin ook Carl
Barks met zijn Donald Duck-
en Dagobert Duck-verhalen in zou
excelleren. Mickey's vriendinnetje Minnie
erft van haar oom Mortimer (de naam die Walt
eigenlijk aan Mickey wilde geven) een huis.
De advocaat die met haar erfenis is belast,
probeert haar te overhalen het zogezegd waardeloze
huis aan hem te verkopen. De mysterieuze Fox
laat via een briefje aan Mickey weten dat
Minnie beslist niet mag verkopen. Maar de
advocaat probeert Mickey buitenspel te zetten.
Het is de aanleiding tot een heleboel complicaties
met schurken, achtervolgingen, thrillermomenten
en komische intermezzo's. Op een bepaald punt
in het verhaal vlucht Mickey te paard en moet
in het wilde westen een gevaarlijke rivier
zien over te steken. Als hij dat niet doet,
valt hij in handen van een posse
die hem verkeerdelijk voor een crimineel aanziet.
Zijn problemen zijn talrijk: zijn onschuld
proberen te bewijzen, een goudmijn uit handen
van zijn belagers houden en Minnie uit de
gevangenis redden. Maar eerst moet hij aan
een donderende waterval ontkomen. Soit,
allerlei verwikkelingen en avontuurlijke kantelmomenten
troef dus, ogenschijnlijk à l'improviste
geschreven zoals ook de oude Nero's
tot stand kwamen. En dat zet zich ook door
in de overige verhalen.
De avonturen die Mickey dichter bij huis beleeft,
in en rond zijn schamele hut, kennen even
veel humor als spanning. In Mickey Mouse,
Boxing Champion bijvoorbeeld traint hij
een klungelende bokskampioen. Zijn uitdager
is een vervaarlijk individu waar Mickey's
poulain plots voor gaat lopen. Nu moet hijzelf
de ring instappen. Dat boksen een uitermate
populaire sport was in de jaren 1930 zagen
we ook al tot uiting in verschillende verhalen
van Robbedoes.

High Society, waarin Mickey en een vriend,
een voormalige boef, even van de geneugten
van de hogere kringen mogen genieten, is een
speciaal verhaal. Niet zozeer omdat Mickey
uitlegt wat een gigolo is (waarop zijn vriend
zich openlijk als gigolo verhuurt op een mondain
feestje), maar omdat het als promotie diende
voor een zogezegde foto die je van Mickey
kon bekomen. Al wat de krantenlezer hoefde
te doen was een briefje schrijven naar de
kranten waarin Mickey's avonturen verschenen.
Walt Disney verzocht Gottfredson achteraf
om dat niet meer te doen want er kwam volgens
een persbericht uit die tijd een berg van
meer dan twintigduizend brieven binnen.

De tekeningen zijn nog wisselvallig van kwaliteit.
Anatomie, afwerking, onderlinge verhoudingen,
het weergeven van expressies en een oog voor
detail varieert van pagina tot pagina en van
verhaal tot verhaal. Door het afwisselen van
medewerkers komt er maar geen lijn in de tekenstijl
van de eerste verhalen. Meer naar het einde
van deze eerste bundel verbetert dat wel en
wint het aan souplesse. Maar bovenal is er
de sfeer: gay en merry in
de oude betekenissen van het woord, spontaan,
vlot, vrolijk en vrij. Voor het krantenpubliek
golden andere regels dan voor de stripweekbladen
die vaker waren bestemd voor kinderen. Dat
betekende dat Gottfredson minder met censuur
te kampen had. Oplawaaien, pandoeringen en
andere uitingen van geweld konden best, zolang
het maar geen constante werd. Naar een geweer
grijpen kon ook. In deze strips leren we Mickey
dan ook kennen als een kordate, recht voor
de raapse held die zich niet zoals in de tekenfilms
met muziek moest uitdrukken. Zijn mondje roert
hij veelvuldig en dat brengt hem vaak in een
lastig parket. Of het de uitgever nu ook lukt
om ongecensureerd alles te kunnen publiceren,
is bang afwachten. Sommige uitlatingen of
scènes in latere verhalen komen tegenwoordig
racistisch over.
Door Gottfredsons lange staat van dienst ligt
er dus nog veel in het verschiet om gebundeld
te worden. Schrik niet, want het zal vijftien
jaar duren tot de reeks compleet is! En dan
zouden tussendoor nog de Sunday pages
(die hier niet zijn opgenomen omdat Gottfredson
er zelden mee te maken had) aan bod komen.
Profiteer er nu van vooraleer de latere bundels
vol losse gags komen te staan. Het krantensyndicaat
legde deze gagformule op waardoor Mickey niet
langer de wereld rondreisde in lange vervolgverhalen.
Doorheen de decennia evolueerde Mickey dan
toch naar een gesettelde voorstadsmuis. Een
van zijn opvolgers kreeg het nog wel zo ver
om toch weer een vervolgformule te gebruiken,
terug naar de basis, zolang het niet langer
duurde dan een week of drie.
Afsluiten doen we met een oproep aan vastgeroeste
striplezers en -verzamelaars. Wie het Engels
machtig is en er even genoeg van heeft om
voor de zoveelste keer Kuifje of
Robbedoes en Kwabbernoot en een roedel
komische avonturenstrips uit de gouden periode
van de Franco-Belgische school te herlezen,
raden we ten stelligste deze nieuwe Mickey
Mouse-reeks aan. |
|
| |
14/07 |
|
 |
| |
Captain
Biceps (besproken
door David Steenhuyse) |
 |
|
In
deze rubriek proberen we — naast het
aanprijzen van onvertaalde pareltjes —
ook aan te tonen dat comics meer zijn dan
alleen superheldenstrips. En dan kom ik nota
bene met een Franse superheldenreeks aanvliegen.
Hold it! Captain Biceps is een groteske
en absurde parodie op alles wat spandexpakjes
draagt, bodybuildersspieren laat rollen en
superkrachten heeft. Er mag hier al eens gelachen
worden ook. De verantwoordelijken voor zijn
uitspattingen zijn Tébo
en Titeuf-auteur Zep.
Nadat de eerste gags in het stripmaandblad
Tchô verschenen, gaven de lezers
uitgeverij Glénat
— die er niet voor te vinden was —
ongelijk door zelfgetekende grappen op te
sturen en lovende reacties te geven. In augustus
2011 verschijnt een vijfde gespierde bundeling.
In 2004 verscheen het eerste. Ondertussen
bestaat er ook al een animatieserie met 78
korte filmpjes van elk acht minuten.

Zoals zijn naam al aangeeft, is Captain Biceps
uitermate sterk. Een vuistdikke roman is in
zijn geval te herleiden naar een 26-dlige
encyclopedie. En hij woont nog bij zijn dominant
moedertje dat hem steevast bij zijn echte
naam Elmer blijft noemen en zijn gescheurde
onderbroeken naait. Als puisterig en ros jongetje
werd hij supersterk nadat zijn moeder zijn
"debiele" comicverzameling met de
vuilniswagen meegaf. Elmer dook in de laadbak
die toeklapte. Door een biochemische reactie
van het vuilnis en de strips veranderde hij
in een supergespierde jongen. Voor zijn moeder
was 't best oké, zolang hij sito presto
begon met het opruimen van de vuiligheid die
zijn transformatie met zich meebracht. Net
zoals de mutanten in X-Men liep hij
school bij gelijksoortigen, dus bij andere
kinderen die zich zouden ontwikkelen als geliefde
superhelden of gevreesde superschurken. Ook
al is Biceps een volwassen man, zijn moeder
blijft hem behandelen als een kind. Ze geeft
hem standjes of ziet er nauwlettend op toe
dat hij zich gedraagt en zich goed verzorgt.
 |
|
Omdat
hij in elke gag van één tot
twee pagina's voor een andere superheld of
superslechterik komt te staan, volstaat zijn
spierkracht niet altijd. Afhankelijk van de
tegenstander en diens superkracht moet hij
een beroep doen op zijn vindingrijkheid. Soms
resulteert dat in de meest primaire reacties
met scatalogische gevolgen. Dat brengt me
meteen tot mijn onbegrip over het feit dat
De Kleine Robbe en de veel minder
scabreuze Cédric wèl
en Titeuf niet lijken aan te slaan in het
Nederlandstalig gebied. De pipikakagrappen
van Robbe en Titeuf kennen eenzelfde niveau,
of je dat nu hoogstaand vindt of niet. Ook
Captain Biceps zou een identiek publiek
kunnen aanspreken. Cultruele verschillen gaan
voor mij niet op, vermoedelijk ligt het aan
de marketing van de uitgever. Zo verschijnen
in Tchô en de gelijknamige
collectie van Glénat nog wel meer komische
stripreeksen die aandacht in deze rubriek
verdienen. Skater Franky Snow, het eveneens
door Zep geschreven Les Chrono Kids (waarin
een broer en een zus door de tijd reizen om
er onbedoelde stommiteiten uit te halen),
Malika Secouss (over een immigrantenmeisje
en haar allochtone vrienden in de sombere
banlieus van Parijs), het teerbeminde omaatje
Mamette, die qua toon doet denken aan Mamy
uit de stripreeks Jojo, en Tony
et Alberto (de Bollie en Billie
van de 21ste eeuw). Enkel Lou! en
Titeuf kennen een vertaalde versie.

Nu goed. Een standaardgrap van Captain
Biceps bestaat uit een gevecht tussen
Biceps en een sterke tegenstander. Dat kan
net zo goed een gekend personage zijn als
de Hulk, Spider-Man, Batman, Elektra ("half
vrouw, half ninja") of Wonderwoman waarvan
de namen dikwijls worden verhaspeld naar bijvoorbeeld
Wonderbra Woman. Veelal is de tegenstrever
een door Tébo en Zep bedacht personage
van wie de krachten de grap dienen. Als Biceps
hen weet te verslaan, druipt hij met de vuist
vooruit hollend af en zegt zelfvoldaan "Captain
Biceeeps". Hij delft het meest het onderspit
als een vrouwelijke tegenstander voor hem
staat want in deze gevallen lukt het hem niet
om hen in de eerste plaats te versieren. Naast
de meeste gags staan enkele prenten met onderschriften
die meer achtergrondinformatie geven over
Biceps' tegenstanders: hun origine, hun zwakheden,
hun krachten,... het zijn bijkomende cartoons.

Visueel spreken de gags meestal voor zich.
Dat helpt al om te beslissen of het je aanstaat
of niet. Toch zijn de replieken extraatjes
om van te smullen. Elke gag heeft bovendien
een titel die een regelrecht, overdreven compliment
aan Captain Biceps' adres is. Dat gaat dan
van "De grootste superheld aller tijden!"
over "Zodanig sterk dat hij zijn neusharen
kan uittrekken zonder te huilen als een meisje!"
en "Met zijn biceps kan hij bergen oplichten...
behalve als hij belangrijkere zaken te doen
heeft!" tot "Hij heeft buikspieren
in de plaats van hersenen!" dat weliswaar
een minder ronkende aanhef voor een heldendicht
is. Intelligentie is inderdaad niet Biceps'
grootste troef. Nog meer dan spierkracht is
humor gelukkig het sterkste wapen dat deze
gagserie kenschetst. |
|
| |
07/07 |
|
 |
| |
Daytripper
(besproken door David Steenhuyse) |
In
tegenstelling tot wat de smaakpolitie mij
probeert op te dringen, hield ik helemaal
niet van het door De Vliegende Hollander
vertaalde Umbrella Academy. De tekeningen
van Gabriel Bö vond ik best
oké, maar het atypische superheldenverhaal
kon me niet genoeg bekoren om daarom zijn
verdere carrière op de voet te volgen...
Tot zijn nieuwste worp Daytripper
her en der werd opgepikt als een fantastische
aanrader.
Doorgaans ben ik beducht op ontgoochelingen
als plots 'iederéén' een strip
blijkt goed te vinden, dus had ik bij voorbaat
reserves bij het lezen... neen, ontdekken
van Daytripper. Nu kan ik met reden
inhaken in de rondedans rond de vrucht van
de Braziliaanse tweelingbroers Gabriel Bö
en Föbio Moon. Sta niet te
veel stil bij die twee namen, ze zijn fictief.
Brös de Oliva Domingos schrijft voor een krant
overlijdensberichten. Het is allerminst een
hoogstaande vorm van schrijven, maar in zijn
formuleringen schuilt meer dan alleen kunde.
In afwachting van zijn eigen grote schrijverscarrière
helpt het baantje om rond te komen. Zijn vader
is wel een succesvolle schrijver. Zoiets schept
natuurlijk extra druk. Tijdens het aanhoren
van goede raad van zijn vader denkt Brös plots:
"I hate you -- you piece of shit!"
Om maar te zeggen dat een moeilijke vader-zoonrelatie
als een rode draad door de bundel van de tiendelige
comicreeks loopt.

Na elk van de eerste acht hoofdstukken komt
Brös om het leven. Het getal als titel van
elk hoofdstuk geeft aan op welke leeftijd
dat is: als jochie van 11, als bruisende twintiger
van 21 die op ontdekkingsreis is met zijn
beste vriend en collega Jorge, als gevierde
schrijver op zijn 38ste, als kersverse vader
op zijn 41ste, enzovoort. Elk van deze hoofdstukken
wordt afgesloten met zijn eigen overlijdensbericht.
Het hoofdstuk erna is een voortzetting van
zijn leven alsof er geen ongeluk gebeurd is.
Je zou je voor minder afvragen wat de zin
van het leven is. En net dat vraagstuk over
dood en leven is een ander, meer verborgen
thema in Daytripper.

Omdat de hoofdstukken niet chronologisch aan
elkaar zijn gevlochten, kom je met mondjesmtaat
bepaalde zaken te weten die in volgende hoofstukken
van een groter belang zullen zijn. Brös' liefdesleven
kent extreme hoogtes en diepe laagtes. Jorge
bekijkt het leven van een luchtiger kant en
wil zijn maatje de ogen doen openen. Op een
compleet andere manier doet Brös' vader dat
eveneens. Zonder al te veel te willen verklappen,
gaat Jorge op zijn beurt door de woestijn
— zowel letterlijk als in de Bijbelse
betekenis — om daarna tegen —
figuurlijk — een muur te lopen. Hebben
ouders dan toch altijd gelijk?

Brös is onderhevig aan tal van emoties. In
de levenscyclussen die volgen, vallen hem
verdriet en opperste vreugde te beurt. Omdat
ik bij alle soorten verhalen over relaties
tussen vaders en zonen dikwijls met een krop
in de keel zit (laatst nog met het sublieme
Het
Dagboek van Mijn Vader van Japanner
Jirô Taniguchi),
hield ik de zakdoek al bij de hand. Maar zo'n
soort tearjerker met effecten is Daytripper
niet. Bovendien wil ik hier nu niet overkomen
als een cry baby. Onthoud ook nog
dat Brös het beter wil doen dan zijn vader
bij zijn eigen zoontje. Een opgedoken verrassing
op het einde maakt nochtans helemaal duidelijk
dat... ja, alsof ik dat nu zou verklappen!

Een extra pluim verdient inkleurder Dave
Stewart. Op gepaste momenten kleurt
hij buiten de lijntjes, steeds met warme,
Zuid-Amerikaanse tinten en met aquareleffecten.
Mooi!
Daytripper is een album van 256 pagina's
die je in één ruk uitleest.
Onderbreek je lezing enkel mocht je zoon of
je vader je tijdens het lezen komen storen.
En zeg 'm dan oprecht dat je 'm graag ziet.
Voor je het weet, krijg je die kans nooit
meer opnieuw. |
|
| |
04/07 |
|
 |
| |
Crossed
(besproken door Peter Moerenhout) |
 |
|
Marvel
Zombies, Pride & Prejudice & Zombies,
Raise The Dead,... zombies zijn hot in
het land der comics. The Walking Dead,
de succesvolle comic, die nu ook te zien is
als tv-reeks, trapte deze revival in 2003
in gang. De meeste van de comics die nu hun
voordeel doen met de hype vergeten echter
wat The Walking Dead zo groots maakt:
de emoties en de psychologie van de menselijke
protagonisten. Er is echter één
reeks die erin slaagde om op hetzelfde niveau
de menselijke psyche te verweven met een gorefest:
Crossed. En omdat The Walking
Dead al door Silvester
in het Nederlands wordt uitgegeven, zal ik
het nu over Crossed hebben.
Crossed kwam als miniserie van tien
delen uit in 2008 bij Avatar Press.
Diegenen onder u die deze Amerikaanse uitgeverij
kennen weten dat dit geen uitgever voor mietjes
is. Ze geloven daar immers niet in censuur.
Bij de reguliere Amerikaanse comicuitgevers
gelden heel wat regeltjes over wat mag en
wat niet mag. In Marvel-comics
mag er — net zoals in de Belgische
cafés sinds kort — bijvoorbeeld
niet eens gerookt worden.

In de begindagen van Avatar Press leidde deze
visie tot heel wat slechte comics die draaiden
rond blote borsten, ingesmeerd met rottende
stukjes hersenen. Beetje bij beetje is Avatar
uit dat kwaliteitsloze dal gekropen. Meer
en meer steengoede stripscenaristen liepen
immers al tijden rond met goede ideeën
die net iets te ver gingen voor de doorsnee
Amerikaanse lezer en Avatar Press gaf hen,
in wat we gerust een meesterzet kunnen noemen,
een podium. Sindsdien kwamen er bij de uitgeverij
reeksen uit van de hand van grootmeesters
als Alan Moore, Warren
Ellis, Jamie Delano,
Mark Millar en Garth
Ennis. Die laatste is bekend van
tal van klassiekers waaronder Preacher,
Hitman, The Boys en vernoemenswaardige
runs op The Punisher en Hellblazer.
En Crossed, dames en heren, kwam
ook uit zijn koker.
De
invalshoek van de reeks geeft een nieuwe draai
aan het zombiesconcept. De opzet volgt nochtans
min of meer de normale paden: een mysterieuze
plaag breekt uit, doorgegeven via lichaamssappen,
de geïnfecteerden beginnen een massale
slachtpartij onder de wereldbevolking en het
verhaal focust op een klein groepje overlevers
en wat ze moeten doen om dat leven te behouden.
Totaal anders is het gegeven dat de geïnfecteerden
hun verstand niet verliezen. Die geïnfecteerden
zijn de crossed uit de titel vanwege
het kruis van zweren dat zich bij besmetting
op hun gezicht vormt. Doorsneezombies dolen
traag als seniele slakken rond onder het kreunen
en wauwelen van het klassieke "BRAAAAAAAAINS!"
Zo niet de crossed. Bij hen valt
enkel het laagje vernis dat wij beschaving
noemen weg. De crossed verliezen
al hun sociale remmingen, maar niet hun intelligentie,
noch worden zij beperkt in hun fysiek.
Dit concept garandeert twee dingen. Ten eerste
kunnen er allerhande vragen gesteld worden
die in andere zombievehikels minder aan bod
komen zoals "Wat is beschaving?"
en "Wat maakt ons menselijk?". En
ten tweede maakt het de horror des te gruwelijker.
Vooral dat tweede aspect is van belang in
het onderscheid tussen deze strip en de anderen.
In sommige reeksen zoals The Walking Dead
en de Living Dead-films komen er
immers ook dergelijke filosofische onderwerpen
aan bod. In Crossed krijgen we daarentegen
te maken met denkende wezens die allerhande
attrociteiten begaan waarvan de haren op de
huid kan rechtspringen als waren ze leerlingen
in de klas van een Jezuïtencollege waar
net de directeur is binnengetreden. De crossed
zijn meesters in het uitdenken van psychologische
gruwel. Ze gebruiken de zwakheden van hun
slachtoffers om meer slachtoffers te lokken
en willen niet enkel in het rondneuken en
verminken, neen, ze willen ook dat hun slachtoffers
psychologisch afzien. Het feit dat Ennis een
meester is in waarachtige dialogen en het
uitwerken van geloofwaardige personages maakt
de zaken er alleen nog pijnlijker op. Hoe
realistischer het personage, hoe dieper de
impact op de lezer.
Je raadt het ondertussen al: dit is geen reeks
voor mensen met een zwak hart. Ennis schrijft
met nietsontziende pen, en ook in het tekenwerk
worden de gebeurtenissen op zeer grafische
wijze verbeeld. Dit is, zonder weerga, de
bloedstollendste strip die ik ooit gelezen
heb. En dat wil wat zeggen... Alles wordt
tot in het afgrijselijkste detail neergetekend
door Jacen Burrows. Burrows
is in principe de top dog van Avatar
Press. Hij is, in tegenstelling tot bijna
alle andere comictekenaars, geen jobhopper.
Zijn bibliografie bestaat uit een tiental
reeksen, allemaal bij Avatar Press. Ofwel
is de man zeer loyaal, ofwel betaalt de uitgeverij
hem een royaal bedrag per reeks.
Dat zou trouwens zeer slim zijn van Avatar
Press want de man is een toptalent. Burrows
tekent in een stijl die we met een beetje
verbeelding een realistische variant van de
klare lijn kunnen noemen. De eenvoud van zijn
tekeningen maken dat zijn pagina's zeer duidelijk
leesbaar zijn en het realistische aspect ervan
sleuren je als lezer in de strip. Burrows
heeft bovendien het voordeel dat hij in staat
is mooie composities te mengen met geloofwaardig
acterende personages en een schwung in de
actiescènes die menig andere tekenaar
jaloers zou kunnen maken.
 |
|
Ook vermeldenswaardig in deze reeks is de
humor. Men zou het niet verwachten wanneer
men het onderwerp in acht neemt, maar er zitten
wel degelijk grappen in de reeks, zij het
wel van de gruwelijke variant. Ennis slaagt
erin om de meest tragische gebeurtenissen
een vleug komedie mee te geven. Toegegeven,
je zal niet luidop zitten gieren. Tenzij je
psychopathische trekjes vertoont. In de scène
die ik deze keer als favoriet heb uitgekozen
zie je een voorbeeldje daarvan. De term tragikomisch
was sinds de oude Grieken nimmer meer in deze
mate van toepassing.
Veel mensen zouden deze reeks tot de categorie
pornografisch geweld veroordelen en wanneer
je de strip enkel doorbladert zou dat zelfs
begrijpelijk zijn. Wie de strip echter ook
effectief leest, zal merken dat een meer menselijke
strip maken amper mogelijk is. Het dier de
Mens wordt hier ontleed in al zijn facetten:
de positieve zoals moed, opofferingsvermogen
en hulpvaardigheid, maar ook de negatieve.
Net echt.
Favoriete
scène
Een waarschuwing op voorhand. De volgende
scène bevat zeer schokkende beelden
en eveneens spoilers.
Joel, een sciencefictionnerd, gelooft dat
de crossed, naar analogie met zombies
en dergelijke in de film, een zwakke plek
moeten hebben. Hij heeft er ooit één
een zak zout in het gezicht geslingerd waarna
die kermend ter aarde zeeg. Uiteraard zou
iedereen die zoiets meemaakt het uitschreeuwen
van de pijn dat een handvol zout in de ogen
veroorzaakt, maar Joel kiest ervoor om te
blijven hopen. Het is als het ware zijn houvast
temidden van de gruwelijke situatie waarin
de mensheid zich in deze reeks bevindt.
Op een bepaald moment dwingen de gebeurtenissen
hem om zijn theorie te testen. Een groep menselijke
overlevers, waaronder zijn vrouw en dochtertje
(genaamd Arwen, begot!), wordt in een bos
ontdekt door de crossed en moet op
de vlucht slaan. Wat volgt is een van de pijnlijkste
stripmomenten die ik ooit onder ogen gezien
heb en in zekere mate zit er een heel klein
beetje humor in de tragiek. Ik heb het hier
over het aspect van de nerd die tenonder gaat
aan zijn nerdiness. Nogmaals, je
zal er niet om moeten lachen. En doe je dat
wel, dan hoop ik dat je snel professionele
hulp zoekt...



Beschikbaarheid
• Crossed, in softcover of
hardcover, verzamelt deel 0 tot en met 9.
In het kader van de compleetheid: David
Lapham, ook geen foute auteur, heeft
na de reeks van Ennis de schrijverspen overgenomen.
Intussen heeft hij drie nieuwe series aan
de canon toegevoegd:
• Crossed: Family Values, 7
delen, gebundeld in softcover en hardcover,
tekeningen: Javier Barreno.
• Crossed 3D, 1 deel in, jawel,
3D mét brilletje erbij, tekeningen:
Gianluca Pagliarani.
• Crossed: Psychopath, momenteel
drie van zes delen uit, tekeningen: Raulo
Caceres.
De reeksen van Lapham zijn eveneens van een
hoge kwaliteit, maar ze bereiken het niveau
van de eerste reeks niet. Ook het tekenwerk,
hoewel zeker niet slecht, kan niet tippen
aan dat van Burrows.
MEER BESPREKINGEN VAN
PETER MOERENHOUT: http://petermoerenhout.wordpress.com |
|
|